ECLI:NL:GHAMS:2026:1741

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
30 juni 2026
Publicatiedatum
30 juni 2026
Zaaknummer
200.362.849
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 21 Wet op het notarisambtFaillissementswetArt. 107 lid 4 Wet op het notarisambt
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Klacht ongegrond over informatieplicht notaris bij faillissement erfgenaam

Klager, een failliet verklaarde erfgenaam, klaagde dat de notaris hem niet had geïnformeerd over de verkoopopbrengst van de nalatenschap van zijn overleden vader en dat hij ten onrechte was doorverwezen naar de executeur en curator. De notaris had een beperkte rol en verwees klager terecht naar de executeur, terwijl de curator de communicatie namens de failliete erfgenaam verzorgde.

De kamer voor het notariaat verklaarde de klacht ongegrond en het hof bevestigde deze beslissing. Het hof oordeelde dat de notaris zich aan de wettelijke informatieplicht had gehouden en dat communicatie met de failliete erfgenaam via de curator diende te verlopen. De aanvullende klacht over de zorgplicht van de notaris, die pas in hoger beroep werd ingebracht, werd niet-ontvankelijk verklaard.

De uitspraak benadrukt de rolverdeling tussen notaris, executeur en curator bij de afwikkeling van een nalatenschap waarin een erfgenaam failliet is. De notaris is niet verplicht om rechtstreeks aan de failliete erfgenaam te rapporteren als de curator de communicatie verzorgt. De klacht wordt afgewezen en de eerdere beslissing bevestigd.

Uitkomst: De klacht tegen de notaris wordt ongegrond verklaard en een aanvullende klacht niet-ontvankelijk.

Uitspraak

beslissing
___________________________________________________________________ _ _
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht
zaaknummer : 200.362.849/01 NOT
nummer eerste aanleg : C/05/454099 KL RK 25-106
beslissing van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van 30 juni 2026
inzake
[appellant],
wonend te [plaats 1] ,
appellant,
tegen
[geïntimeerde],
notaris te [plaats 2] ,
geïntimeerde.
Partijen worden hierna klager en de notaris genoemd.

1.De zaak in het kort

Klager is de zoon van erflater en een van diens erfgenamen. Klager is in 2018 failliet verklaard en dit faillissement duurt tot op heden voort. Erflater is in april 2024 overleden. Tot de nalatenschap van erflater behoorde het woonhuis van erflater dat in augustus 2024 is verkocht aan derden. Klager werd daarbij vertegenwoordigd door zijn curator. Klager verwijt de notaris dat hij hem niet heeft geïnformeerd over de verkoopopbrengst en de verdere details van de verkoop van de [bedrijf] verwijt klager de notaris dat hij ten onrechte is doorverwezen naar de executeur en de curator. De kamer heeft de klacht ongegrond verklaard. Het hof bevestigt deze beslissing.

2.Het geding in hoger beroep

2.1.
Klager heeft op 20 december 2025 een beroepschrift – met een bijlage – bij het hof ingediend tegen de beslissing van de kamer voor het notariaat in het ressort Arnhem-Leeuwarden (hierna: de kamer) van 20 november 2025 tussen partijen gegeven onder bovengenoemd nummer (ECLI:NL:TNORARL:2025:45).
2.2.
De notaris heeft geen verweerschrift bij het hof ingediend, ondanks dat het hof de notaris daartoe in de gelegenheid heeft gesteld.
2.3.
Het hof heeft van de kamer de stukken van de eerste aanleg ontvangen.
2.4.
De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 15 april 2026. Klager is per videoverbinding verschenen. De notaris is eveneens verschenen. Beiden hebben het woord gevoerd; klager aan de hand van de op voorhand aan het hof en de notaris toegestuurde pleitnota.

3.Feiten

Het hof gaat uit van de volgende feiten, die tussen partijen niet in geschil zijn.
3.1.
Op 20 maart 2018 is klager bij vonnis van de rechtbank failliet verklaard. In het faillissement van klager is een curator benoemd. Deze situatie was ongewijzigd ten tijde van de afwikkeling van de nalatenschap.
3.2.
Op 27 april 2024 is de vader van klager (hierna: erflater) overleden. Klager is de zoon en een van de erfgenamen van erflater.
3.3.
Door de notaris is een verklaring van erfrecht opgesteld in het kader van de afwikkeling van de nalatenschap van erflater.
3.4.
De broer van klager is door erflater benoemd tot executeur in zijn nalatenschap (hierna: de executeur).
3.5.
De nalatenschap van erflater omvatte onder meer de woning van erflater in [plaats 2] (hierna: de woning).
3.6.
Op 25 augustus 2024 is binnen het protocol van [naam] , notaris te [plaats 2] , de leveringsakte gepasseerd waarbij de woning is overgedragen door de erfgenamen aan derden. Klager werd daarbij vertegenwoordigd door de curator.
3.7.
Een medewerker van de notaris heeft op 30 september 2024 aan klager bericht:
“(..)
Voor alle informatie inzake de afwikkeling van de nalatenschap van uw vader dient u zich te wenden tot de executeur, uw broer de heer[hof: naam broer] (..)”
3.8.
Het saldo van de verkoop van de woning is na de levering overgemaakt naar de kwaliteitsrekening van het kantoor van de notaris.

4.De klacht

4.1.
Klager verwijt de notaris in strijd met zijn wettelijke informatie- en zorgplicht te hebben gehandeld. Zijn klacht, door klager nader uitgewerkt in zijn beroepschrift, valt uiteen in de volgende klachtonderdelen:
1. de notaris heeft klager niet geïnformeerd over de ontvangst van de verkoopopbrengst van de woning op zijn derdengeldenrekening;
2. de notaris heeft geweigerd aan klager informatie te verstrekken over (de details van) de verkoop van de woning. Klager heeft van de notaris geen enkele inzage gekregen in de financiële en juridische afwikkeling van de verkoop, ondanks herhaaldelijke verzoeken om informatie;
3. de notaris heeft klager ten onrechte doorverwezen naar de executeur en de curator, in strijd met zijn verplichting om alle betrokkenen (dus ook klager zelf) tijdig en volledig te informeren.
Nieuwe klacht
4.2.
In hoger beroep heeft klager verder aan de orde gesteld dat de notaris in strijd heeft gehandeld met de op hem rustende zorgplicht zoals neergelegd in, onder meer, artikel 21 Wet Pro op het notarisambt (hierna: Wna). De notaris is ten onrechte blind afgegaan op de executeur en hij heeft onvoldoende oog gehad voor de belangen van klager.

5.Beoordeling

5.1.
De kamer heeft in de bestreden beslissing de klacht van klager tegen de notaris ongegrond verklaard.
Klachtonderdelen 1 tot en met 3: informatievoorziening richting klager.
5.2.
Gelet op de onderlinge samenhang ziet het hof, evenals de kamer, aanleiding om de klachtonderdelen 1 tot en met 3 gezamenlijk te behandelen.
5.3.
Klager voert aan dat hij een persoonlijk belang had bij een zorgvuldige afwikkeling van de nalatenschap ook al viel zijn erfdeel in de faillissementsboedel. De strekking van het faillissementsrecht is niet om betrokkene(n) rechteloos te maken maar om het vermogen ten behoeve van schuldeisers te beheren. Bij de afwikkeling van de nalatenschap speelden ook kwesties van niet-vermogensrechtelijke aard. De notaris had erop moeten toezien dat klager behoorlijk geïnformeerd werd, aldus klager.
5.4.
De notaris stelt dat klager geen partij was bij de afwikkeling van de nalatenschap in verband met zijn faillissement. De curator in het faillissement had de notaris nadrukkelijk meegedeeld dat de communicatie met klager via hem diende te verlopen. De afwikkeling van de nalatenschap was bovendien in handen van een executeur.
5.5.
Met de kamer is het hof van oordeel dat deze klachtonderdelen ongegrond zijn. De beslissing van de kamer zal dan ook worden bevestigd. Het hof licht hierna toe hoe hij tot dit oordeel is gekomen.
5.6.
Uit het dossier blijkt dat de notaris slechts een beperkte rol heeft gehad. Hij heeft een verklaring van erfrecht afgegeven en voor het overige was de afwikkeling van de nalatenschap in handen van de executeur. Het is aan de executeur om de erfgenamen te informeren. De notaris heeft klager terecht naar hem verwezen (vgl. 3.7).
Indien en voor zover de notaris een informatieplicht zou hebben tegenover klager dan volgt uit de Faillissementswet dat de communicatie in beginsel via de curator dient te verlopen; de curator had daar in dit geval ook expliciet om verzocht. Het kan de notaris niet worden verweten dat hij zich aan dat verzoek heeft gehouden.
De notaris heeft verklaard dat hem is medegedeeld dat de executeur contact heeft gehad met de curator met de informatie bedoeld voor klager. Dat klager, aldus zijn verklaring, geen contact meer had met de executeur of onvoldoende door de curator geïnformeerd zou zijn, kan de notaris niet worden aangerekend.
Het hof overweegt ten slotte dat voor zover de informatieverzoeken van klager betrekking hadden op de verkoop en levering van de woning de klacht ongegrond is bij gebreke aan feitelijke grondslag. Uit de overgelegde stukken blijkt dat (het kantoor van) de notaris niet betrokken was bij de verkoop en de levering van de woning.
Nieuwe klacht
5.7.
In hoger beroep heeft klager zijn klacht uitgebreid met het onder 4.2 genoemde klachtonderdeel. De kamer heeft dit verwijt niet als klachtonderdeel beoordeeld. Het hof dient op grond van het bepaalde in artikel 107 lid 4 Wna Pro een zaak opnieuw in volle omvang te behandelen. Het gaat daarbij echter slechts om de klacht zoals die oorspronkelijk bij de kamer is ingediend. Tot die oorspronkelijke klacht behoort niet dit klachtonderdeel dat pas voor het eerst in hoger beroep is geformuleerd. Voor de behandeling van dit nieuwe klachtonderdeel is in deze procedure geen plaats. Klager zal daarom in de uitbreiding van de oorspronkelijke klacht niet-ontvankelijk worden verklaard.

6.Beslissing

Het hof:
- verklaart het onder 4.2 geformuleerde klachtonderdeel niet-ontvankelijk;
- bevestigt de bestreden beslissing.
Deze beslissing is gegeven door mrs. J.W.M. Tromp, H.T. van der Meer en A.M.J.M. Ploumen en in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2026 door de rolraadsheer.