ECLI:NL:GHAMS:2026:1740

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
30 juni 2026
Publicatiedatum
30 juni 2026
Zaaknummer
200.355.748
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 388 lid 2 RvArt. 398 RvArt. 390 RvArt. 382 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen afwijzing verzoek tot heropening geding

Appellant was voormalig werknemer van geïntimeerde en had bij de kantonrechter verzocht om herroeping van de ontbindingsbeschikking van zijn arbeidsovereenkomst. Dit verzoek werd afgewezen. Appellant stelde vervolgens hoger beroep in tegen deze afwijzing en diende daarnaast nieuwe (loon)vorderingen in die niet betrekking hadden op het oorspronkelijke dictum.

Het hof oordeelde dat de beslissing op het verzoek tot heropening van het geding niet vatbaar is voor hoger beroep op grond van artikel 388 lid 2 Rv Pro. Cassatieberoep staat wel open, maar de uitsluiting van hoger beroep kan niet worden doorbroken op andere gronden. Bovendien waren enkele in het beroepschrift genoemde partijen geen partij in de oorspronkelijke procedure, waardoor het beroep ten aanzien van hen niet-ontvankelijk is.

Het hof verklaarde appellant daarom niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep en wees ook de overige verzoeken af. Tevens werd appellant veroordeeld in de kosten van het hoger beroep. De beschikking werd uitgesproken door drie raadsheren op 30 juni 2026.

Uitkomst: Appellant is niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen de afwijzing van zijn verzoek tot heropening van het geding.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht
zaaknummer : 200.355.748/01
zaaknummer rechtbank : 11177546 EA VERZ 24-560
beschikking van de meervoudige burgerlijke kamer van 30 juni 2026
inzake
[appellant],
wonende te [plaats 1] ,
appellant,
advocaat: mr. A.J. Engelsma te Amsterdam,
tegen
[geïntimeerde] ,
gevestigd te [plaats 2] , gemeente Ouder-Amstel,
geïntimeerde,
advocaat: mr. P. le Heux te Amsterdam.
Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.

1.Het geding in hoger beroep

[appellant] heeft zelf per e-mail van 3 maart 2025 bij de griffie van het hof een beroepschrift ingediend tegen de beschikking die de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam op 2 december 2024 onder bovenvermeld zaaknummer heeft gegeven (hierna: de bestreden beschikking).
Na hiertoe in de gelegenheid te zijn gesteld, heeft [appellant] via mr. Engelsma op 12 augustus 2025 ter griffie van het hof een beroepschrift B1 met bijbehorend secundair verzoekschrift C3, gedateerd 30 juli 2025, ingediend.
Tevens is ter griffie ingekomen:
- een groene map met daarin stukken die rechtsonder op de pagina zijn genummerd,
pagina’s 1 t/m 348;
- een pakket met stukken A.1 t/m F.3, zonder B;
- een pakket met stukken B.l tot en met C.3.12;
- een pakket met stukken V.1 tot en met V.52.
Op 18 maart 2026 is ter griffie een verweerschrift in hoger beroep van [geïntimeerde] ingekomen.
Partijen hebben de zaak tijdens de mondelinge behandeling van 15 april 2026 laten toelichten, [appellant] door mr. Engelsma, mede aan de hand van overgelegde spreekaantekeningen en [geïntimeerde] door mr. Le Heux. Nadat de inhoudelijke behandeling van de zaak was afgerond, heeft [appellant] verklaard dat hij het hof wraakt. Daarop is de zitting geschorst en de zaak verwezen naar de wrakingskamer. Van de zitting is proces-verbaal opgemaakt met daarin opgenomen de door [appellant] opgegeven wrakingsgrond. Nadat het verzoek tot wraking door de wrakingskamer was afgewezen, is uitspraak bepaald op heden.

2.Feiten

[appellant] is in dienst geweest van [geïntimeerde] . Bij beschikking van 12 januari 2023 (zaaknummer 10151364 EA VERZ 22-619) heeft de kantonrechter in de rechtbank [plaats 1] de arbeidsovereenkomst ontbonden per 1 maart 2023.

3.Het verzoek in eerste aanleg en in hoger beroep

3.1.
[appellant] heeft in eerste aanleg verzocht om de onder 2 vermelde beschikking op grond van de artikelen 390 en 382 van het Wetboek van Rechtsvordering (Rv) te herroepen. De kantonrechter heeft bij de bestreden beschikking dat verzoek afgewezen.
3.2.
In hoger beroep heeft [appellant] opnieuw verzocht om de onder 2 vermelde beschikking te herroepen. Daarnaast heeft [appellant] bij zijn hiervoor vermelde secundair verzoekschrift C3 - voor het eerst in hoger beroep - (loon)vorderingen ingediend die niet zien op het dictum van de bestreden beschikking.

4.Beoordeling

De in de aanhef van beroepschrift B1 met bijbehorend secundair verzoekschrift C3 als wederpartij vermelde [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] waren geen partij in de procedure die tot de bestreden beschikking heeft geleid. Het beroep [naam 4] is daarom ten aanzien van hen niet-ontvankelijk.
Artikel 388 lid 2 Rv Pro bepaalt dat een beslissing inzake heropening van het geding niet vatbaar is voor hoger beroep. Ingevolge artikel 398 Rv Pro staat van een dergelijke beslissing wel cassatieberoep open. Dit laatste brengt met zich dat de uitsluiting van hoger beroep niet kan worden doorbroken op een van de in de rechtspraak daartoe erkende gronden (zie HR 21 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW4896). Het hof zal [appellant] daarom niet-ontvankelijk verklaren in zijn hoger beroep.
De overige verzoeken van [appellant] in hoger beroep kunnen niet tot vernietiging van de bestreden beschikking leiden. Ook daarin is [appellant] niet-ontvankelijk.

5.Beslissing

Het hof:
verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep;
veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 851,00 aan verschotten, op € 2.580,00 voor salaris en op
€ 189,00 voor nasalaris, te vermeerderen met € 98,00 voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van deze beschikking plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente, indien niet binnen veertien dagen na deze beschikking dan wel het verschuldigd worden van de nakosten aan de kostenveroordeling is voldaan;
verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.L. Bervoets, mr. M.L.D. Akkaya en mr. A.S. Arnold en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2026.