ECLI:NL:GHAMS:2026:1667

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
23 juni 2026
Zaaknummer
200.344.139
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 150 RvHR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158HR 12 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5572
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen overeenkomst over huurprijsindexering in huurovereenkomst woonruimte

Partijen sloten een huurovereenkomst voor een woning in een complex met meerdere woningen. De kern van het geschil betrof de vraag of zij een indexeringsclausule waren overeengekomen. De appellant stelde dat de huurprijs jaarlijks geïndexeerd moest worden vanaf vijf jaar na aanvang van de huur, terwijl de geïntimeerde dit betwistte en stelde dat de huurprijs vaststond op € 1.250,00 per maand zonder indexering.

Het hof onderzocht de totstandkoming van de huurovereenkomst, waarbij bleek dat de appellant een voorstel met een indexeringsclausule had gedaan, maar dat de geïntimeerde een eigen versie opstelde waarin de indexering was doorgestreept en niet ingevuld. Beide partijen ondertekenden deze versie. Het hof oordeelde dat de appellant niet gerechtvaardigd was om te vertrouwen op een indexeringsafspraak, mede omdat hij de niet ingevulde clausule niet ter sprake had gebracht.

Verder werd overwogen dat de gedragingen van partijen na het sluiten van de overeenkomst, waaronder het jarenlang betalen van de oorspronkelijke huurprijs zonder indexering, het ontbreken van overleg over indexering na de initiële huurperiode en de communicatie van de beheerder, de uitleg van geen overeengekomen indexering ondersteunen.

Het beroep op redelijkheid en billijkheid door appellant werd verworpen, evenals het beroep op de algemene bepalingen die indexering mogelijk maken, omdat partijen uitdrukkelijk waren afgeweken van die bepalingen. Het hof bekrachtigde het vonnis van de kantonrechter en veroordeelde appellant in de kosten van het geding.

Uitkomst: Het hof bevestigt dat geen indexeringsclausule is overeengekomen en wijst de vorderingen tot huurprijsaanpassing af.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.344.139/01
zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam : 10466880 CV EXPL 23-5851
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 23 juni 2026
inzake
[appellant] ,
wonend in [plaats 1] ,
appellant,
advocaat: mr. J. Groenewoud te Amsterdam,
tegen
[geïntimeerde] ,
wonend in [plaats 2] ,
geïntimeerde,
advocaat: mr. D. Fasseur te Den Dolder.
Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.

1.De zaak in het kort

Tussen partijen is een huurovereenkomst tot stand gekomen. De vraag die voorligt, is of partijen daarbij een indexeringsclausule zijn overeengekomen. Net als de kantonrechter beantwoordt het hof deze vraag ontkennend.

2.Procesverloop in hoger beroep

[appellant] is bij dagvaarding van 17 juli 2024, met herstelexploot van 22 juli 2024, in hoger beroep gekomen van een vonnis van 18 april 2024 van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter), onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [appellant] als eiser en [geïntimeerde] als gedaagde (hierna: het bestreden vonnis).
Bij tussenarrest van 13 augustus 2024 is een mondelinge behandeling na aanbrengen bepaald, die op 30 september 2024 heeft plaatsgevonden. Het proces-verbaal van die zitting - met producties - bevindt zich bij de stukken.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven, met producties;
- memorie van antwoord, met producties.
Partijen hebben de zaak tijdens de mondelinge behandeling van 12 maart 2026 door voornoemde advocaten laten toelichten, beiden aan de hand van overgelegde spreekaantekeningen. Partijen hebben op deze zitting ook vragen beantwoord en nadere inlichtingen verstrekt.
De zaak is na de mondelinge behandeling op verzoek van partijen aangehouden om te onderzoeken of een minnelijke regeling kon worden bereikt. Een minnelijke regeling is niet tot stand gekomen en partijen hebben arrest gevraagd.

3.Feiten

Het hof gaat uit van de volgende feiten.
3.1.
[appellant] is eigenaar van een woning in [plaats 2] . De woning maakt deel uit van een complex met meerdere woningen. [geïntimeerde] huurde een woning in hetzelfde complex. Partijen zijn in gesprek geraakt over verhuur van de woning van [appellant] aan [geïntimeerde] .
3.2.
Bij e-mail van 16 januari 2012 heeft [appellant] aan [geïntimeerde] bericht:
“(…) Bijgaand de getekende huurovereenkomst (…);
- indexering (punt 14) is aangepast met punt 14.3 (geen toepassing indexering gedurende de overeengekomen huurperiode van 5 jaar) (…)”.
3.3.
In bedoelde door [appellant] ondertekende huurovereenkomst is onder meer bepaald dat de huur ingaat op 1 januari 2012 (artikel 1.5a.) en eindigt op 31 december 2016 (artikel 1.5c.). In artikel 14 van Pro de huurovereenkomst (
INDEXERING) is bepaald:
14.1De huurprijs kan op initiatief van verhuurder voor het eerst na een jaar en vervolgens jaarlijks worden verhoogd. (…)
14.3
Van de mogelijkheid tot jaarlijkse verhoging van de huurprijs (zie 14.1) wordt, tot de in punt 1.5c genoemde datum, geen gebruik gemaakt.”
3.4.
Bij e-mail van 18 januari 2012 heeft [appellant] aan [geïntimeerde] te kennen gegeven:
“(…) Ik hoorde (…) dat je het contract wat streng vond.
Helemaal mee eens; het is ook niet iets dat ik zelf heb bedacht.
Wanneer je jouw versie zou willen opsturen, met de aanpassingen die je er graag in
wilt hebben, dan kijk ik daar graag naar
Als alles er dan prima uitziet dan teken ik dat gewoon.
Ook goed. (…)”.
3.5.
Bij e-mail van diezelfde dag heeft [geïntimeerde] daarop aan [appellant] laten weten dat hij
hem volgende week zou bellen om af te spreken.
3.6.
Daarop heeft [geïntimeerde] een huurovereenkomst opgesteld, die op 13 februari 2012 door beide partijen is ondertekend.
3.7.
In deze huurovereenkomst is onder meer bepaald dat de overeenkomst ingaat op 1 januari 2012 en loopt tot en met 2016 en dat de huurprijs € 1.250,00 per maand bedraagt. Artikel 5 van Pro de huurovereenkomst bevat een indexeringsclausule. Deze clausule luidt, met handgeschreven doorstreping van [geïntimeerde] , als volgt:
3.8.
In artikel 2 van Pro de huurovereenkomst zijn de Algemene Bepalingen Huurovereenkomst Woonruimte (model ROZ juli 2003, hierna: de algemene bepalingen) van toepassing verklaard,
“behoudens voor zover daarvan in deze overeenkomst uitdrukkelijk is afgeweken, of toepassing ervan ten aanzien van het gehuurde niet mogelijk is”.
3.9.
Bij e-mail van 1 maart 2023 heeft de door [appellant] ingeschakelde beheerder aan [geïntimeerde] bericht dat de huur conform de huurovereenkomst jaarlijks kan worden aangepast en dat de huurprijs met terugwerkende kracht wordt geïndexeerd. De beheerder heeft [geïntimeerde] verzocht de door de beheerder berekende huurachterstand als gevolg van de indexatie over de afgelopen vijf jaar te voldoen en om met ingang van 1 maart 2023 de geïndexeerde huurprijs te betalen.
Bij aangetekende brief van 24 maart 2023 heeft de toenmalige gemachtigde van [appellant] in dat verband een sommatie aan [geïntimeerde] toegezonden.
3.10.
[geïntimeerde] is niet overgegaan tot betaling van de door de beheerder berekende huurachterstand en geïndexeerde huurprijs. Hij betaalt maandelijks de aanvankelijke huurprijs van € 1.250,00 aan [appellant] .

4.De procedure bij de kantonrechter

4.1.
Samengevat en voor zover in hoger beroep van belang heeft [appellant] in eerste
aanleg gevorderd om bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis i) [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van de door hem berekende huurachterstand groot
€ 12.877,56 als gevolg van de indexering vanaf maart 2018 tot en met februari 2024, te vermeerderen met de contractuele rente, ii) te verklaren voor recht dat de huurprijs jaarlijks wordt geïndexeerd conform de algemene bepalingen en dat de huurprijs vanaf maart 2023 wordt vastgesteld op € 1.532,61 per maand alsook iii) [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van de contractuele buitengerechtelijke incassokosten dan wel de wettelijke buitengerechtelijke kosten.
4.2.
[geïntimeerde] heeft verweer gevoerd.
4.3.
Bij het bestreden vonnis heeft de kantonrechter de vorderingen van [appellant] afgewezen en [appellant] veroordeeld in de proces- en nakosten. De kantonrechter heeft daartoe overwogen dat de huurovereenkomst onduidelijk is over de vraag of en zo ja, vanaf wanneer partijen een indexering van de huurprijs hebben afgesproken. De gang van zaken bij het sluiten van de huurovereenkomst en daarna in aanmerking nemend, kon [appellant] er niet gerechtvaardigd op vertrouwen dat een indexeringsafspraak was gemaakt. Hierop strandden de vorderingen van [appellant] .

5.Vordering en verweer in hoger beroep

5.1.
[appellant] heeft in hoger beroep zijn eis deels gewijzigd en vordert bij arrest
- voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad - i) [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van de door hem berekende huurachterstand groot € 8.519,16 als gevolg van de indexering vanaf 2017 tot en met december 2024, te vermeerderen met de wettelijke rente, ii) te verklaren voor recht dat de huurprijs jaarlijks per januari, voor het eerst per 1 januari 2017, wordt geïndexeerd volgens het bepaalde in artikel 5.2 van de huurovereenkomst en artikel 18 van Pro de algemene bepalingen en iii) [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van de contractuele dan wel wettelijke buitengerechtelijke kosten. Een en ander met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding in beide instanties, met nakosten.
5.2.
[geïntimeerde] voert verweer en concludeert tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met veroordeling van [appellant] in de kosten in hoger beroep, met nakosten.
5.3.
[geïntimeerde] heeft geen (processuele) bezwaren geuit tegen de gewijzigde eis. Het hof
ziet ook geen aanleiding de eiswijziging ambtshalve buiten beschouwing te laten wegens strijd met de goede procesorde. Het geschil zal worden beoordeeld met inachtneming van de gewijzigde eis.

6.Beoordeling

Grieven
6.1.
[appellant] heeft in hoger beroep twee grieven aangevoerd. Met
grief 1komt [appellant] op tegen het oordeel van de kantonrechter dat partijen geen indexering zijn overeengekomen.
Grief 2ziet op de proceskostenveroordeling in eerste aanleg en heeft voor het overige geen zelfstandige betekenis.
Artikel 5 huurovereenkomst Pro
6.2.
Tussen partijen is in geschil of zij in de huurovereenkomst een huurprijsindexering zijn overeengekomen.
6.3.
Artikel 5 van Pro de huurovereenkomst bevat een indexeringsclausule als hiervoor onder 3.7 weergegeven. Artikel 5.1 heeft betrekking op indexering ingeval van niet-geliberaliseerde woonruimte en is door [geïntimeerde] doorgestreept. Artikel 5.2 ziet op indexering ingeval van geliberaliseerde woonruimte en houdt in dat de huurprijs
“voor het eerst per”een niet ingevulde datum
“en vervolgens jaarlijks (…) overeenkomstig het gestelde in 18 van de algemene bepalingen”wordt aangepast.
6.4.
Vast staat dat het in de onderhavige zaak om geliberaliseerde woonruimte gaat.
6.5.
[appellant] stelt zich op het standpunt dat op grond van het bepaalde in artikel 5.2 van de huurovereenkomst de huurprijs jaarlijks wordt geïndexeerd - conform afspraak tussen partijen voor het eerst vijf jaar na aanvang van de huur - en dat [geïntimeerde] gehouden is telkens de geïndexeerde huurprijs te betalen en de als gevolg van de indexeringen ontstane huurachterstand te voldoen.
6.6.
[geïntimeerde] betwist dit. Hij voert aan dat partijen zijn overeengekomen de huurprijs op € 1.250,00 per maand te stellen en geen indexering toe te passen en dat daartegenover staat dat de volgens de algemene bepalingen voor rekening van [appellant] komende onderhoudskosten voor rekening van [geïntimeerde] komen. Volgens [geïntimeerde] is daarom bewust geen datum in artikel 5.2 van de huurovereenkomst ingevuld.
Maatstaf
6.7.
Beoordeling van dit geschil vergt uitleg van de huurovereenkomst en in het bijzonder van de in artikel 5 opgenomen Pro indexeringsclausule. Deze uitleg dient te geschieden aan de hand van de Haviltex-maatstaf (HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158). Die maatstaf houdt in dat de betekenis van een omstreden bepaling in een schriftelijke overeenkomst door de rechter moet worden vastgesteld aan de hand van hetgeen partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen en gedragingen, overeenkomstig de zin die zij daaraan in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mochten toekennen, hebben afgeleid en van hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Uit een en ander volgt dat redelijkheid en billijkheid hierbij een rol spelen. Hierbij zijn alle omstandigheden van het geval van belang. Daarbij verdient opmerking dat ook gedragingen van partijen na het sluiten van de overeenkomst van belang kunnen zijn voor de aan die overeenkomst te geven uitleg (HR 12 oktober 2012,
6.8.
Volgens de hoofdregel van bewijslastverdeling van artikel 150 Rv Pro rust de stelplicht en bewijslast in deze op [appellant] .
Totstandkoming huurovereenkomst en gedragingen na totstandkoming
6.9.
Uit de e-mail van [appellant] aan [geïntimeerde] van 16 januari 2012 maakt het hof op dat de indexering van de huurprijs tussen partijen onderwerp van gesprek is geweest bij de totstandkoming van de huurovereenkomst. Bij die mail heeft [appellant] aan [geïntimeerde] een door hem ondertekende huurovereenkomst met een ‘aangepaste indexeringsclausule’ doen toekomen. Die ‘aangepaste indexeringsclausule’ hield in dat de verhuurder na vijf jaar voor het eerst de mogelijkheid had om de huurprijs jaarlijks te indexeren.
Anders dan [appellant] betoogt, kan uit deze mail en de door hem ondertekende huurovereenkomst niet worden afgeleid dat partijen een indexering zijn overeengekomen of beoogden als in die huurovereenkomst opgenomen. Het hof kan uit deze stukken niets anders opmaken dan een voorstel voor een huurovereenkomst met indexeringsclausule van [appellant] aan [geïntimeerde] . Nergens uit blijkt dat het voorstel de instemming had van [geïntimeerde] .
6.10.
In de daaropvolgende mail van [appellant] aan [geïntimeerde] van 18 januari 2012 geeft [appellant] aan dat hij gehoord heeft dat [geïntimeerde] voormelde huurovereenkomst
“wat streng vond”en dat hij het daarmee eens is. Hij vraagt [geïntimeerde] een
“versie”op te sturen
“met de aanpassingen die je er graag in wilt hebben”en laat hem weten dat
“Als alles er dan prima uitziet dan teken ik dat gewoon. Ook goed.”[geïntimeerde] heeft vervolgens een huurovereenkomst opgesteld en voorgelegd aan [appellant] . Daarmee is duidelijk dat [geïntimeerde] de door [appellant] voorgestelde huurovereenkomst niet heeft aanvaard.
6.11.
De door [geïntimeerde] opgestelde huurovereenkomst, met daarin het doorgestreepte artikel 5.1 (indexering niet-geliberaliseerde woonruimte) en het niet ingevulde artikel 5.2 (indexering geliberaliseerde woonruimte), is vervolgens op 13 februari 2012 door beide partijen ondertekend. Gelet op de hiervoor beschreven gang van zaken voorafgaand aan de ondertekening van de huurovereenkomst, was de indexering ten tijde van de ondertekening voor partijen een aandachtspunt althans had dit een aandachtspunt moeten zijn. Zo er bij [appellant] al onduidelijkheid bestond over de weliswaar niet doorgestreepte, maar niet ingevulde indexeringsclausule in artikel 5.2 van de door [geïntimeerde] opgestelde huurovereenkomst, mocht hij er dan ook niet van uitgaan dat hiermee een indexering als door hemzelf beoogd werd overeengekomen. Naar het oordeel van het hof had het in dat geval op de weg van [appellant] gelegen om vóór ondertekening de niet ingevulde indexeringsclausule in artikel 5.2 aan de orde te stellen. Reeds hierop strandt het betoog van [appellant] dat [geïntimeerde] geen voordeel mag hebben van een door hemzelf gebrekkig opgestelde overeenkomst. De omstandigheid dat in die huurovereenkomst ook andere bepalingen niet correct zijn ingevuld, maakt dit niet anders. Dit alleen al omdat gesteld noch gebleken is dat die andere bepalingen bij de totstandkoming van de huurovereenkomst onderwerp van gesprek tussen partijen waren geweest.
6.12.
In de zittingsaantekeningen van de mondelinge behandeling in eerste aanleg staat vermeld dat de door [appellant] ingeschakelde beheerder tijdens die mondelinge behandeling heeft verklaard sinds 2014 het beheer te voeren over de woning van [appellant] . Dit is door partijen niet weersproken.
6.13.
Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep hebben partijen verklaard dat zij na de overeengekomen huurperiode van vijf jaar niet hebben gesproken over de verdere invulling van de huurovereenkomst.
6.14.
Uit e-mailberichten van de beheerder aan [geïntimeerde] van 22 september 2022 en 25 november 2022 volgt dat de beheerder op dat moment uitging van een huurprijs van
€ 1.250,00 per maand. Pas bij mail van 1 maart 2023 heeft de beheerder aan [geïntimeerde] bericht dat de huurprijs met terugwerkende kracht wordt geïndexeerd en heeft de beheerder [geïntimeerde] verzocht de huurachterstand als gevolg daarvan over de afgelopen vijf jaar te voldoen en om met ingang van 1 maart 2023 de geïndexeerde huurprijs te betalen. Daarna is bij aangetekende brief van 24 maart 2023 een sommatie aan [geïntimeerde] toegezonden. Vervolgens heeft [appellant] [geïntimeerde] in rechte betrokken. Aanvankelijk ging [appellant] hierbij uit van indexeringen vanaf 2013. Eerst in hoger beroep heeft [appellant] het standpunt ingenomen dat indexering conform afspraak tussen partijen voor het eerst plaatsvindt vijf jaar na aanvang van de huur, welk standpunt niet goed te rijmen is met de door [appellant] bij de kantonrechter verdedigde stellingen omtrent de tussen partijen gemaakte afspraken over indexering. Wat hier ook van zij, [appellant] heeft dus - hoewel al sinds 2014 bijgestaan door een professioneel beheerder - jarenlang geen aanspraak gemaakt op een verhoogde huur. Daarbij komt dat [appellant] tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft verklaard dat hij (dan wel zijn beheerder) op enig moment heeft geprobeerd om een nieuwe huurovereenkomst met [geïntimeerde] te sluiten, (mede) vanwege onduidelijkheid over de indexeringsclausule, maar dat [geïntimeerde] hieraan niet wenste mee te werken.
6.15.
Dit alles sluit naadloos aan bij de door [geïntimeerde] voorgestane uitleg van de in artikel 5.2 van de huurovereenkomst opgenomen indexeringsclausule.
6.16.
Verder heeft [geïntimeerde] tijdens de mondelinge behandelingen in eerste aanleg en in hoger beroep een toelichting gegeven op het door hem in de woning uitgevoerde onderhoud in lijn met de door hem voorgestane onderhoudsafspraak. Daartegenover voert [appellant] aan dat zijn beheerder verantwoordelijk is voor het technisch beheer van de woning, zodat hij geen enkele aanleiding had om een onderhoudsafspraak te maken, dat [geïntimeerde] geen facturen, werkbonnen of andere bewijs van door hem uitgevoerd onderhoud heeft overgelegd en dat onderhoud deels door de vereniging van eigenaren geschiedt, waarvoor [appellant] een bijdrage betaalt. [appellant] miskent hiermee dat de door [geïntimeerde] gestelde onderhoudsafspraak gemaakt moet zijn voor of bij het sluiten van de huurovereenkomst in 2012, toen [appellant] nog geen beheerder had ingeschakeld. Verder heeft [appellant] tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep verklaard dat [geïntimeerde] hem op enig moment heeft laten weten dat de voordeur van de woning vervangen of gerepareerd moest worden en dat hijzelf daar niets mee heeft gedaan. Ook heeft [appellant] verklaard dat hij gedurende de huurovereenkomst persoonlijk geen kosten voor onderhoud van en/of reparaties aan de woning heeft betaald, behoudens eventueel aan hem niet bekend onderhoud dat door de beheerder zou zijn uitgevoerd. Bovendien zorgt een vereniging van eigenaren alleen voor onderhoud van de gemeenschappelijke delen van een complex. Naar het oordeel van het hof heeft [appellant] het bestaan van een onderhoudsafspraak als voorgestaan door [geïntimeerde] daarmee onvoldoende gemotiveerd weersproken.
6.17.
Gelet op de hiervoor beschreven gang van zaken bij en de gedragingen van partijen na de totstandkoming van de huurovereenkomst mocht [appellant] er naar het oordeel van het hof niet gerechtvaardigd op vertrouwen dat de indexeringsclausule onderdeel vormde van de tussen partijen tot stand gekomen huurovereenkomst.
Redelijkheid en billijkheid
6.18.
[appellant] heeft nog een beroep gedaan op de redelijkheid en billijkheid, maar dit beroep leidt het hof niet tot een ander oordeel. [appellant] heeft in dat verband aangevoerd dat als de huurprijs nooit mag worden geïndexeerd hij door geldontwaarding elk jaar minder huur ontvangt voor de woning. Hoewel op zich juist, laat dit onverlet dat het partijen vrijstaat geen indexering overeen te komen. Bovendien, zo heeft [geïntimeerde] onweersproken aangevoerd, wordt dit nadeel voor [appellant] gecompenseerd door de waardestijging van de woning en doordat [geïntimeerde] nooit heeft verzocht om een bijdrage in de kosten en op verzoek van [appellant] stookkosten is gaan betalen, terwijl dat niet was afgesproken.
Algemene bepalingen
6.19.
Ook heeft [appellant] zich nog beroepen op artikel 18 van Pro de algemene bepalingen. [appellant] wijst erop dat in dit artikel is bepaald dat de gewijzigde huurprijs ook geldt indien van de wijziging aan de huurder geen afzonderlijke mededeling wordt gedaan. Volgens [appellant] hoefde hij de indexering van de huurprijs dan ook niet te melden aan [geïntimeerde] en kon [geïntimeerde] zelf aan de hand van de in artikel 18 van Pro de algemene bepalingen opgenomen formule de indexering berekenen. Ook dit beroep leidt het hof niet tot een ander oordeel. Niet in geschil is dat de algemene bepalingen krachtens het bepaalde in artikel 2 van Pro de huurovereenkomst van toepassing zijn,
“behoudens voor zover daarvan in deze overeenkomst uitdrukkelijk is afgeweken, of toepassing ervan ten aanzien van het gehuurde niet mogelijk is”. Het hof is van oordeel dat partijen in dit geval, gelet op de gang van zaken bij het tot stand komen van de overeenkomst, met het niet invullen van de indexeringsclausule in artikel 5.2 van de huurovereenkomst ‘uitdrukkelijk zijn afgeweken’ van artikel 18 van Pro de algemene bepalingen, zodat deze bepaling niet van toepassing is.
Bewijsaanbod
6.20.
Het hof ziet geen aanleiding om [appellant] toe te laten tot bewijslevering, omdat hij geen bewijs heeft aangeboden van voldoende concrete stellingen die, indien bewezen, tot een andere uitkomst kunnen leiden.
Slotsom en kosten
6.21.
Slotsom is dat het bestaan van de door [appellant] voorgestane indexeringsclausule niet is komen vast te staan. Gelet op de uitkomst van de procedure in eerste aanleg en ook in hoger beroep heeft de kantonrechter [appellant] terecht in de proceskosten veroordeeld. De grieven falen. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. [appellant] zal als in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het geding in hoger beroep.

7.Beslissing

Het hof:
bekrachtigt het bestreden vonnis;
veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 798,00 aan verschotten en € 3.870,00 voor salaris en op € 189,00 voor nasalaris, te vermeerderen met € 98,00 voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit arrest plaatsvindt.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.E. van Neck, C.L.J.M. de Waal en A.J.M. Lauvenberg en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2026.