ECLI:NL:GHAMS:2026:1664

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
23 juni 2026
Zaaknummer
200.336.469/01
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:101 BWArt. 6:109 BWArt. 6:119 BWArt. 6:162 BWArt. 3:310 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Schending zorgplicht bank door Rabobank leidt tot schadevergoeding aan investeerder

In deze civiele zaak vordert [appellant] schadevergoeding van Rabobank wegens schending van haar zorgplicht. [appellant] had geïnvesteerd in een project van een klant van Rabobank, [naam 1], die het geld gebruikte om zijn privéschuld bij Rabobank af te lossen. Rabobank had sinds 2011 ernstige twijfels over de betrouwbaarheid van [naam 1] en beëindigde de bancaire relatie. Desondanks sloot Rabobank in 2012 een vaststellingsovereenkomst met [naam 1] en [bedrijf 3], waarbij een deel van de schuld werd afgelost met gelden afkomstig van investeerders zoals [appellant].

De rechtbank verklaarde [appellant] niet-ontvankelijk omdat niet was vastgesteld dat hij zelf schade had geleden. In hoger beroep oordeelt het hof dat [appellant] wel ontvankelijk is als lasthebber van [bedrijf 1], die de betalingen deed. Het hof stelt vast dat Rabobank haar zorgplicht heeft geschonden door onvoldoende onderzoek te doen naar de herkomst van de gelden, ondanks haar kennis van de frauduleuze praktijken van [naam 1]. Hierdoor is een causaal verband tussen de zorgplichtschending en de schade van [appellant] komen vast te staan.

Het hof bepaalt de schadevergoeding op €350.000, verminderd met 30% eigen schuld van [appellant] wegens lichtvaardig handelen bij de investering, waardoor Rabobank aansprakelijk is voor €245.000 plus wettelijke rente vanaf 1 september 2012. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten wordt afgewezen. Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en Rabobank veroordeeld tot betaling van de schadevergoeding en proceskosten.

Uitkomst: Rabobank wordt veroordeeld tot betaling van €245.000 schadevergoeding met rente wegens schending van haar zorgplicht.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht
team I (handel)
zaaknummer : 200.336.469/01
zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/723890/ HA ZA 22-814
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 23 juni 2026
in de zaak van
[appellant] ,
wonend in [plaats 1] , gemeente [plaats 2] ,
appellant,
advocaat: mr. J.G.J. Elslo te Utrecht,
tegen
COÖPERATIEVE RABOBANK U.A.,
gevestigd te Amsterdam,
geïntimeerde,
advocaat: mr. T.R.B. de Greve te Amsterdam.
Partijen worden hierna [appellant] en Rabobank genoemd.

1.De zaak in het kort

[appellant] heeft geld geïnvesteerd in een project van een (voormalige) klant van Rabobank, waarbij de betalingen zijn gedaan door vennootschap [bedrijf 1] waarvan [appellant] indirect aandeelhouder is. De klant van Rabobank heeft het door [appellant] geïnvesteerde geld niet ten behoeve van dat project gebruikt, maar om zijn privéschuld bij Rabobank af te lossen. Deze klant is in 2020 strafrechtelijk veroordeeld wegens onder meer oplichting. [appellant] stelt (samengevat) dat Rabobank zijn belangen heeft miskend doordat Rabobank van haar klant geld in ontvangst heeft genomen dat afkomstig was van de investering van [appellant] , terwijl Rabobank wist dat haar klant een oplichter was. Daarmee heeft Rabobank haar zorgplicht geschonden, dan wel onrechtmatig gehandeld, aldus [appellant] .
De rechtbank heeft [appellant] niet-ontvankelijk verklaard in zijn vorderingen, nu niet is komen vast te staan dat hij (en niet [bedrijf 1] ) schade heeft geleden als gevolg van de handelwijze van Rabobank. Daartegen richt zich het hoger beroep.

2.Het geding in hoger beroep

[appellant] is bij dagvaarding van 22 december 2023 in hoger beroep gekomen van vonnissen van 31 mei 2023, 28 juni 2023 en 11 oktober 2023 van de rechtbank Amsterdam, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [appellant] als eiser en Rabobank als gedaagde (hierna: de bestreden vonnissen).
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven, met productie;
- memorie van antwoord;
- akte van [appellant] ;
- antwoordakte van Rabobank.
[appellant] en Rabobank hebben de zaak tijdens de mondelinge behandeling van 4 december 2025 laten toelichten door hun advocaten, [appellant] door mr. Elslo, en Rabobank door mr. A.F. van Ingen, advocaat te Utrecht, allebei aan de hand van spreekaantekeningen die in het geding zijn gebracht.
Ten slotte is arrest gevraagd.

3.Feiten

De rechtbank heeft in rechtsoverwegingen 2.1 t/m 2.13 van het tussenvonnis van 31 mei 2023 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Tegen deze feitenvaststelling zijn geen grieven gericht, zodat het hof ook van die feiten uit gaat. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten komen de feiten neer op het volgende.
3.1.
[appellant] is bestuurder en enig aandeelhouder van [bedrijf 1] , die op haar beurt bestuurder en enig aandeelhouder is van [bedrijf 2] . (hierna: [bedrijf 1] ), een bedrijf dat actief is in het goederenvervoer.
3.2
Rabobank heeft een bankrelatie gehad met de heer [naam 1] (hierna: [naam 1] ), die bestond uit een hypothecaire lening van € 325.000 voor de financiering van zijn koopwoning (hierna: de woning) en sinds juli 2010 uit een zakelijke financiering voor werkkapitaal tot
€ 750.000 voor zijn bedrijf [bedrijf 3] (hierna: [bedrijf 3] ). De zakelijke financiering bestond uit een geldlening tot een bedrag van € 250.000 en een krediet in rekening-courant tot een kredietmaximum van € 500.000. [naam 1] had op de woning een recht van hypotheek van
€ 325.000 aan Rabobank verleend.
3.3.
Enkele maanden na het aangaan van de bankrelatie heeft Rabobank geconstateerd dat [naam 1] kort na betaling van het eerste deel van de lening de zakelijke lening voor een groot deel had gebruikt voor privédoeleinden, waaronder creditcardbetalingen, betalingen aan reisbureau CheapTickets, hotelovernachtingen, etc. Begin 2011 heeft Rabobank haar afdeling Bijzonder Beheer ingeschakeld; de heer [naam 2] (hierna: [naam 2] ), accountmanager Bijzonder Beheer, heeft in een interne notitie uit de periode februari – april 2011 naar aanleiding van een gesprek met [naam 1] geschreven:
“Tijdens het gesprek heb ik het gevoel gekregen dat zijn miljoenenprojecten een wassen neus is. Ik heb nu meerdere malen doorgevraagd en kom nu tot de conclusie dat hij elke keer een ander verhaal verteld. Dit is op zijn minst opmerkelijk (…) Klant wederom geconfronteerd met onze bevindingen. Hij sprak het niet tegen. [naam 1] gaf aan dat hij nog wel “in leven” gehouden wil worden en dat de bank niet nu het geld moet gaan opeisen, dit omdat hij in een afrondende fase is met een grote opdrachtgever. Dit zou hem 195 mio omzet genereren en daar zal hij dan 33 mio aan resultaat aan overhouden. Kortom dan lost hij ook alles af en zijn er geen problemen meer (…) Het betreft hier [bedrijf 3] , geëxploiteerd door [naam 1] . Bedrijf zou opereren in de tussen- c.q. groothandel in zonnepanelen in de b2b markt. Het zou hier gaan om grote orders aan energiemaatschappijen, vliegvelden en dergelijke. [naam 1] heeft ordergrootten genoemd van honderden miljoenen en zou daar op korte termijn (dit jaar nog) tientallen miljoenen aan verdienen en omgaan met de rijken der aarde. Ik acht deze niet onderbouwde verhalen volkomen ongeloofwaardig en dat heb ik aan de klant ook verteld. Hierop reageerde hij gelaten. Ik kreeg de indruk dat hij zich als bedrieger ontmaskerd voelde. Hij liegt, draait en wordt niet concreet. Er is geen aantoonbare ervaring of trackrecord. Aan [naam 1] zijn op basis van prognoses indertijd financieringen verstrekt”
3.4.
Bij brief van 8 april 2011 heeft [naam 2] namens Rabobank de bankrelatie met [naam 1] opgezegd. In de brief heeft Rabobank onder meer geschreven:
“- U verstrekt de bank geen concrete informatie over uw zakenpartners, uw bedrijfsvoering en overige relevante zaken;
- De aan u verstrekte financieringen zijn gebruikt voor andere doeleinden dan waarvoor ze bedoeld waren;
- Financiële prognoses en andere door u geschetste verwachtingen waarop de verstrekking van de financieringen destijds is gebaseerd, zijn verre van uitgekomen;
- De beheersafspraken worden structureel niet nagekomen;
- De bank maakt zich zorgen over het continuïteitsperspectief van uw onderneming gezien het door u verwachte liquiditeitstekort en het ontbreken van mogelijkheden tot financiering hiervan;
- De bank heeft gegronde vrees dat u uw verplichtingen jegens de bank niet zult kunnen nakomen;
- De bank acht de door u geschetste ontwikkeling van de onderneming ongeloofwaardig, temeer daar u die niet wil en kunt onderbouwen.
Het vorenstaande zijn allen redenen om de financieringen met uw bedrijven en met u in privé te beëindigen. Daar komt bij dat de bank geen vertrouwen heeft in uw onderneming en in u als ondernemer. De Rabobank heeft daarom besloten om de gehele financiële relatie, zowel zakelijk als met u in privé, te beëindigen.”
3.5.
Als gevolg van de opzegging werd de vordering van Rabobank op [naam 1] tot terugbetaling van de leningen direct opeisbaar. Rabobank heeft [naam 1] gesommeerd de vordering van in totaal € 534.940,89 per 1 juli 2011 te voldoen, anders zou Rabobank overgaan tot executoriale verkoop van de woning. De executiewaarde van de woning is in 2011 vastgesteld op een bedrag van € 205.000.
3.6.
[naam 1] heeft de openstaande vordering van Rabobank niet op tijd voldaan, in verband waarmee Rabobank wilde overgaan tot executoriale verkoop van de woning. Kort daarna heeft [naam 1] de heer [naam 3] (hierna: [naam 3] ) ingeschakeld om namens [naam 1] en [bedrijf 3] te bemiddelen. [naam 3] heeft aan Rabobank voorgesteld dat een bedrag van € 126.500 door [bedrijf 3] zal worden voldaan ter finale kwijting voor haar schuld en op voorwaarde dat Rabobank de executoriale verkoop van de woning van [naam 1] opschort om [naam 1] in de gelegenheid te stellen de woning te herfinancieren.
3.7.
Om het voorstel te kunnen beoordelen heeft [naam 2] bij e-mail van 5 januari 2012 aan [naam 3] om aanvullende informatie verzocht:
“- Inzicht in vermogenspositie zakelijk en privé (inclusief zaken als kunst, waardevolle collecties, auto’s, sieraden etc. opgesteld door accountant);
  • Aangifte IB;
  • Inzicht in geldstroom inzake verkochte buitenlandse onderneming;
  • Kopie verkoopcontract onderneming;
  • Onderbouwing geldstroom (waar komen de middelen vandaan, waar staan die middelen nu en wat staat daar nog meer?)
Gezien de strakke planning (publicatie van de veiling) zal een en ander wel snel moeten, liefst vandaag of morgen (…)”
3.8.
Daarop heeft [naam 3] bij e-mail van 6 januari 2012 aan [naam 2] geschreven:
“Er is geen deel onderneming verkocht echter een onderneming heeft een achtergestelde lening verstrekt (gaat deze verstrekken na akkoord) waaruit de lum sum[hof: € 126.500]
betaald kan worden (…).
Saxonia S.a.r.l. (Luxemburg) is bereid de achtergestelde lening te verstrekken. Hiermee is de geldstroom ook onderbouwd.”
3.9.
[naam 3] heeft voor de in de e-mail genoemde achtergestelde lening van Saxonia S.a.r.l (hierna: Saxonia) verwezen naar een aan de e-mail gehechte overeenkomst tussen (onder meer) [naam 1] en de heer [naam 4] (hierna: [naam 4] ), gedateerd 4 januari 2012. De overeenkomst vermeldt, voor zover relevant:
Waarbij
-
[naam 1] [hof: [naam 1] ]
is actief in het organiseren van een financieringsfonds via een PPP programma voor investeringen in duurzame bouwprojecten, groene energie en in duurzame voedsel productie. Een van de activiteiten zal worden het ontwikkelen en bouwen van duurzame kasprojecten. Dit wordt ondergebracht in (…) Saxonia S.a.rl.. (hierna “SAX” genoemd). (…)
Gemaakte afspraken
er wordt een investering van WH[hof: [naam 4] ]
in SAX gedaan van 200.000 euro voor 6 januari 2012
WH verklaart dat deze gelden uit zijn privé vermogen komen.
3.
SAX zal deze gelden gebruiken voor de verwerving van patentrechten, welke thans in het bezit zijn van de naar Nederlands recht opgerichte vennootschap [bedrijf 3] Hiervoor zal een achtergestelde lening worden aangeboden aan [bedrijf 3] vanuit SAX. (…) Nadat deze lening is verstrekt zal [bedrijf 3] haar patentrechten overdragen aan SAX. (…)
4.
Als tegenprestatie voor deze investering zal SAX:
a. een aandelen pakket van 10% aandelen in SAX wordt aan WH overgedragen voor en bedrag van 1 euro indien een bedrag 200.000 euro zal als achtergestelde lening in SAX zal worden overgemaakt.
b. uit een eerste PPP financiering zal een winstuitkering van 400.000 euro aan WH gedaan worden (…) en de achtergestelde lening zal eveneens terugbetaald worden.
(…)
d. een converteerbare lening verstrekken aan het bedrijf [bedrijf 3] (…) om daarmee toegang te verkrijgen tot de patenten.”
3.10.
[naam 2] heeft hierop bij e-mail van 6 januari 2012 geschreven:
“Wat me op de eerste pagina opvalt is dat er sprake is van een betaling aan [bedrijf 3] van € 200.000 op de rekening van [bedrijf 3] bij ABN-Amro. Hiermee is dus sprake van een hoger bedrag dan de eerdergenoemde € 126.500,-, waarmee m.i. de “afkoopsom” substantieel hoger zal moeten zijn. Waarom wordt er niet een afkoopsom van € 200.000 voorgesteld? Zijn er mogelijkheden voor een hogere lening? Gezien de vele uitspraken van de heer [naam 1] over “honderden miljoenen” vallen genoemde bedragen me tegen. Het lijkt me niet passend dat wij een afboeking moeten doen op [bedrijf 3] terwijl daarin nog ruime liquiditeiten voorhanden zijn.”
3.11.
Op de vragen van [naam 2] heeft [naam 3] bij e-mail van 10 januari 2012 als volgt geantwoord:
“Zoals wij in ons tweede gesprek hebben verteld heeft [bedrijf 3] bv een lening aangetrokken waardoor wij in staat zijn de opgezegde financieringen te herstructureren. (…)
Wij hebben ter beschikking een bedrag a 200.000,-
In ons plan van aanpak hebben wij de volgende verdeling gemaakt:
Afkoop achterstand Loonbelasting 33.000, - (rest btw schuld is latere zorg)
Afkoop Rabobank Oisterwijk 126.500,-
Afkoop crediteuren tezamen 76.200 38.500,- (zie overzicht)
Kosten ZA 2.000,-”
3.12.
Rabobank heeft vervolgens met [naam 1] en [bedrijf 3] op 26 januari 2012 een vaststellingsovereenkomst gesloten. Daarin is onder meer afgesproken dat [bedrijf 3] vóór 28 januari 2012 een bedrag van € 126.500 voldoet aan Rabobank, Rabobank executiemaatregelen waaronder de (al geplande) executieverkoop van de woning staakt, [naam 1] uiterlijk 1 augustus 2012 de hypothecaire lening bij Rabobank geheel aflost, en Rabobank tot die tijd geen verdere of nieuwe executiemaatregelen neemt.
3.13.
[appellant] heeft met [naam 1] afspraken gemaakt over een investering van € 350.000 in een project van [naam 1] , Food Hub Macedonia. In ruil daarvoor zou [appellant] van [naam 1] 10% van de aandelen in een aan het project gekoppelde vennootschap, Saxonia, verkrijgen. Het te betalen bedrag en het verkrijgen van aandelen in Saxonia is vastgelegd in een overeenkomst van aandelenoverdracht van 27 juli 2012. [appellant] is daarbij aangeduid als kopende partij
“voor een nader op te richten onderneming”. [naam 1] heeft daarbij mede ondertekend namens Saxonia. [bedrijf 1] heeft het geld in delen via een vennootschap, [bedrijf 4] . (hierna: [bedrijf 4] ), overgemaakt aan [naam 1] , te weten een bedrag van € 150.000 op 31 juli 2012, een bedrag van € 100.000 op 9 augustus 2012 en een bedrag van € 100.000 op 15 augustus 2012, telkens onder vermelding van
“Spoedopdracht Saxonia”.[naam 3] is enig aandeelhouder-bestuurder van [bedrijf 4] .
3.14.
In de periode 1 augustus 2012 tot en met 11 september 2012 heeft [naam 1] via [bedrijf 4] een totaalbedrag van € 312.778,87 betaald aan Rabobank. Met die betalingen heeft [naam 1] zijn privéschuld bij Rabobank volledig afgelost.
3.15.
In 2015 is een strafrechtelijk onderzoek begonnen naar [naam 1] . Tijdens dit onderzoek heeft de politie aan [appellant] medegedeeld dat [naam 1] het overgrote deel van de investering van € 350.000 heeft gebruikt voor aflossing van zijn privéschuld. [naam 2] heeft namens Rabobank op 23 juli 2015 aangifte gedaan tegen [naam 1] .
3.16.
Bij vonnis van de rechtbank Overijssel van 21 december 2020 is [naam 1] veroordeeld tot (terug)betaling aan [appellant] van een bedrag van € 350.000 met rente en (proces)kosten. De rechtbank heeft bewezen geacht dat [naam 1] [appellant] en/of [bedrijf 1] , en ook andere investeerders waaronder [naam 4] , heeft opgelicht. De rechtbank heeft onder meer overwogen:
“Verder drong verdachte[ [naam 1] , hof]
bij meerdere investeerders aan op een snelle betaling en de rechtbank herkent hierin een patroon (…).
In het geval van [appellant] moest met het geld een “Russische partij worden uitgekocht”, zulks terwijl, gelet op wat hiervoor is weergegeven, de tijdsdruk in werkelijkheid moet zijn ingegeven door het feit dat verdachte zijn privéschuld (hypotheek) aan de Rabobank moest aflossen.
Om hen te overtuigen van het project FHM nam verdachte [appellant] (…) mee op reis naar Cyprus en/of Macedonië, waar zij van alles te zien en te horen kregen met betrekking tot het project FHM. (…) heeft verklaard dat hij en ook [appellant] er daardoor echt in zijn gaan geloven.”
3.17.
Bij brief van 9 maart 2021 is Rabobank door [appellant] en [bedrijf 1] aansprakelijk gesteld voor de door hen geleden schade.
3.18.
Op 6 maart 2024 hebben [bedrijf 1] en [appellant] een lastgevingsovereenkomst gesloten, waarin is opgenomen dat [bedrijf 1] (lastgever) aan [appellant] (lasthebber) een last heeft gegeven om op eigen naam de vorderingen van [bedrijf 1] op Rabobank te incasseren, zowel in als buiten rechte.

4.Procedure bij de rechtbank

4.1.
Samengevat heeft [appellant] bij de rechtbank gevorderd om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, Rabobank te veroordelen tot betaling aan [appellant] van een bedrag van € 350.000 met wettelijke rente vanaf 1 september 2012 en tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten van € 3.525, met veroordeling van Rabobank in de proceskosten (met wettelijke rente).
4.2.
[appellant] heeft zijn vorderingen in de kern gebaseerd op de stelling dat Rabobank haar zorgplicht heeft geschonden doordat Rabobank van haar (voormalige) klant [naam 1] geld heeft ontvangen dat [appellant] in een project van [naam 1] had geïnvesteerd, terwijl Rabobank wetenschap had van de oplichtingspraktijken van [naam 1] , met schade voor [appellant] tot gevolg. De rechtbank heeft geoordeeld dat [appellant] onvoldoende heeft onderbouwd dat hij (en niet [bedrijf 1] ) de partij is die de gestelde schade heeft geleden. De rechtbank heeft [appellant] om die reden niet-ontvankelijk verklaard in zijn vorderingen en hem veroordeeld in de proceskosten.

5.Vorderingen in hoger beroep

5.1.
[appellant] vordert in hoger beroep vernietiging van de bestreden vonnissen en alsnog – uitvoerbaar bij voorraad – toewijzing van zijn vorderingen, met veroordeling van Rabobank tot terugbetaling van al hetgeen door [appellant] aan Rabobank ter voldoening aan de bestreden vonnissen is voldaan, te vermeerderen met rente, met veroordeling van Rabobank in de proceskosten in beide instanties (inclusief nakosten), eveneens te vermeerderen met rente.
5.2.
Volgens Rabobank moet het hof de vorderingen van [appellant] afwijzen en de bestreden vonnissen bekrachtigen, met – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van [appellant] in de (na)kosten in het hoger beroep.

6.Beoordeling

6.1.
[appellant] komt in hoger beroep met twee grieven (waarbij de tweede grief drie onderdelen kent) op tegen het tussenvonnis van 31 mei 2023, het tussenvonnis van 28 juni 2023 en het eindvonnis van 11 oktober 2023. Het hoger beroep strekt primair ertoe dat het hof alsnog de vorderingen van [appellant] op Rabobank inhoudelijk beoordeelt en, na waardering van het bewijs, zal toewijzen. Mocht het hof ook tot de conclusie komen dat [appellant] niet de schadelijdende partij is, dan beroept [appellant] zich op een last van [bedrijf 1] om haar vorderingen op Rabobank op eigen naam te innen.
Woonplaats [appellant] (grief I)
6.2.
Grief I strekt ertoe dat het hof de bestreden vonnissen, voor zover nodig, aanpast op het punt van de woonplaats van [appellant] , omdat de rechtbank daarin heeft vermeld dat [appellant] woont in [plaats 1] , Curaçao. Tegen de weigering van het verzoek om verbetering in het tussenvonnis van 28 juni 2023 staat geen hoger beroep open (op grond van artikel 31 lid 4 Rv Pro), in zoverre is [appellant] niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep tegen dat tussenvonnis. Nu het hof in dit arrest zal vermelden (en tussen partijen niet in geschil is) dat [appellant] woont in het Nederlandse [plaats 1] , gelegen in de gemeente [plaats 2] , heeft [appellant] geen belang bij verdere behandeling van grief I.
Niet-ontvankelijkverklaring (grief IIa)
6.3.
Grief II is gericht tegen het eindoordeel van de rechtbank dat [appellant] niet-ontvankelijk is in zijn vorderingen en valt uiteen in drie (deel)grieven (IIa, IIb en IIc), die het hof hierna afzonderlijk zal behandelen. Grief IIa komt erop neer dat de rechtbank (in plaats van een niet-ontvankelijkverklaring uit te spreken) de vorderingen van [appellant] had moeten afwijzen, nu bij de rechtbank een inhoudelijk debat over die vordering heeft plaatsgevonden. Het belang van [appellant] bij grief IIa komt te ontvallen, als één of meer (deel)grieven slagen met een (gedeeltelijke) vernietiging van de bestreden vonnissen tot gevolg.
Bewijswaardering (grief IIb)
6.4.
Met grief IIb komt [appellant] op tegen het oordeel van de rechtbank dat [appellant] zijn standpunt, dat hij (en niet [bedrijf 1] ) de schadelijdende partij is, onvoldoende heeft onderbouwd. Volgens [appellant] heeft de rechtbank daarbij een onjuiste bewijsmaatstaf gehanteerd. Het hof zal de stellingen van [appellant] en de door hem overgelegde bewijsstukken opnieuw beoordelen. Het gaat daarbij voornamelijk om de overeenkomst van aandelenoverdracht tussen [appellant] , [naam 1] en Saxonia van 27 juli 2012, het uittreksel uit het handelsregister van [bedrijf 1] en de jaarrekening 2012 van [bedrijf 1] . [appellant] heeft in hoger beroep geen andere of nieuwe bewijsstukken in het geding gebracht.
6.5.
Tussen partijen is niet in geschil dat [bedrijf 1] (via [bedrijf 4] ) in totaal € 350.000 heeft betaald aan [naam 1] en dat daarmee de betaling in elk geval ten laste is gekomen van het vermogen van [bedrijf 1] . [appellant] stelt dat hij de verplichting tot betaling van de koopsom in verband met verwerving van 10% van de aandelen in het kapitaal van Saxonia in privé is aangegaan en dat hij deze verplichting is nagekomen door het bedrag vanuit zijn vennootschap [bedrijf 1] aan [naam 1] over te maken. De daaruit voortvloeiende vordering van [bedrijf 1] op [appellant] is geboekt in rekening-courant, hetgeen zou blijken uit de toename van de vordering in rekening-courant met een bedrag van € 296.501 per 31 december 2012. [appellant] heeft ter zitting toegelicht dat hij zijn schuld aan [bedrijf 1] in de drie jaar na de betaling heeft terugbetaald.
6.6.
Het hof kan uit de genoemde bewijsstukken en de toelichting van [appellant] niet afleiden dat de door [bedrijf 1] in juli en augustus 2012 verrichte betalingen aan [naam 1] ten laste van [appellant] in privé zijn gekomen. Uit de aandelenovereenkomst van 27 juli 2012 blijkt niet dat [appellant] een verplichting in privé is aangegaan tegenover [naam 1] , aangezien [appellant] als kopende partij optreedt
“voor een nader op te richten onderneming”. Verder is de verwijzing naar de in de jaarrekening 2012 van [bedrijf 1] opgenomen vorderingen van de vennootschap in rekening-courant op [appellant] en [appellant] B.V. en een vordering op
“Nieuwe B.V.’s”onvoldoende. Tot slot heeft [appellant] ook de verhouding tussen de toename van de vorderingen in 2012 met een bedrag van € 296.501 en het bedrag van € 350.000 niet voldoende toegelicht. Op deze punten onderschrijft het hof het oordeel van de rechtbank. [appellant] heeft in hoger beroep geen nieuwe argumenten naar voren gebracht en heeft slechts verwezen heeft naar de bij de rechtbank overgelegde producties.
6.7.
[appellant] heeft ook de door Rabobank betwiste stelling dat hij de schuld in drie jaar na de betaling heeft afbetaald, niet met stukken onderbouwd en niet een daarop betrekking hebbend bewijsaanbod gedaan. Deze stelling verdraagt zich bovendien niet met zijn stelling in eerste aanleg dat hij bij toewijzing van zijn vorderingen ook daadwerkelijk zal overgaan tot het inlossen van een groot deel van deze schuld aan [bedrijf 1] .
6.8.
Hieruit volgt dat [appellant] zijn stelling dat hij (en niet [bedrijf 1] ) de schadelijdende partij is onvoldoende heeft onderbouwd. Aan bewijslevering komt het hof daarom niet toe, zodat grief IIb niet slaagt en het hof toekomt aan een beoordeling van het subsidiaire standpunt van [appellant] .
Lastgeving (grief IIc)
6.9.
[appellant] stelt subsidiair dat hij als lasthebber gerechtigd is de schadevordering van [bedrijf 1] op eigen naam te innen. [appellant] verwijst naar de lastgevingsovereenkomst tussen hem en [bedrijf 1] van 6 maart 2024, waarin een (volgens hem) reeds bestaande mondelinge last om de vordering op eigen naam te innen is vastgelegd. Aan het beroep op lastgeving heeft [appellant] verder ten grondslag gelegd dat, nu [bedrijf 1] de betalingen deed, het [bedrijf 1] is die schade heeft geleden doordat Rabobank geld in ontvangst nam van [naam 1] , terwijl Rabobank wist of had behoren te weten dat een derde ( [bedrijf 1] ) hierdoor schade leed. Rabobank heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van [appellant] en zich daartoe op het standpunt gesteld dat [appellant] in zijn hoedanigheid van lasthebber van de vordering van [bedrijf 1] in hoger beroep in een andere partijhoedanigheid procedeert dan in eerste aanleg, toen de vordering van [appellant] in privé centraal stond. Deze wijziging van partijhoedanigheid is niet toegestaan, omdat in hoger beroep enkel geprocedeerd kan worden door een partij die ook in de vorige instantie is opgetreden. Een wijziging van het debat over de vordering van [appellant] in privé naar de vordering van [bedrijf 1] is verder in strijd met een goede procesorde, aldus Rabobank.
6.10.
Het hof stelt voorop dat in eerste aanleg enkel de vordering van [appellant] in privé op Rabobank aan de orde was. Dat [appellant] ook in eerste aanleg al zou zijn opgetreden op grond van een mondelinge last van [bedrijf 1] om als middellijk vertegenwoordiger de vordering op Rabobank te innen, vindt geen steun in de gedingstukken. In eerste aanleg kwam [appellant] uitsluitend op voor zijn eigen belangen, aangezien hij aan zijn vordering, kort gezegd, ten grondslag had gelegd dat Rabobank haar zorgplicht had geschonden door geld in ontvangst te nemen van [naam 1] , terwijl zij wist of moest weten dat [appellant] hierdoor schade zou lijden. Bovendien heeft de rechtbank, omdat Rabobank betwistte dat [appellant] de schadelijdende partij was, [appellant] een bewijsopdracht gegeven en heeft [appellant] op dat punt ook bewijsstukken in het geding gebracht.
6.11.
Van een ontoelaatbare wijziging van partijhoedanigheid, zoals Rabobank stelt, is echter geen sprake. Een partij die (pas) in hoger beroep stelt op te treden als lasthebber van een derde brengt geen wijziging in haar hoedanigheid als procespartij tijdens de procedure, indien zij blijft procederen in eigen naam. Een eiser die een vordering in eigen naam heeft ingesteld kan dus op enig moment in de procedure stellen dat hij die vordering (al vanaf het begin, dan wel vanaf een later tijdstip) in eigen naam als lasthebber van de rechthebbende geldend maakt (HR 16 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2112, rov. 5.2.3). Daarnaast wijst [appellant] er terecht op dat een partij in hoger beroep de grondslag van zijn eis mag wijzigen, in beginsel niet later dan bij memorie van grieven of memorie van antwoord en binnen de grenzen van de goede procesorde. Dat de vordering van [bedrijf 1] geen onderwerp is geweest van het debat in eerste aanleg en dat Rabobank hierdoor een instantie mist, brengt niet mee dat er sprake is van een ontoelaatbare eiswijziging wegens strijd met de goede procesorde als bedoeld in artikel 130 lid 1 Rv Pro.
6.12.
Uit het voorgaande volgt dat [appellant] ontvankelijk is in zijn vorderingen tegen Rabobank als lasthebber die optreedt in eigen naam ter inning van de vordering van [bedrijf 1] op Rabobank. Dit betekent dat grief IIc slaagt en dat het hof de vorderingen van [appellant] opnieuw zal beoordelen. Waar het hof hierna spreekt over [appellant] is daarmee ook [bedrijf 1] bedoeld.
Verjaring
6.13.
Rabobank heeft een beroep gedaan op verjaring van de vorderingen van [appellant] , waardoor deze niet meer in rechte afdwingbaar zijn. Daartoe stelt Rabobank dat [appellant] al ten tijde van een politieverhoor op 17 september 2015 ervan op de hoogte was dat de betalingen door [bedrijf 1] aan [naam 1] waren gebruikt om de privéschuld van [naam 1] bij Rabobank af te lossen. Daarmee is de verjaringstermijn van de vorderingen tegenover Rabobank aangevangen op 18 september 2015 waarmee de vorderingen zijn verjaard (uiterlijk) op 18 september 2020, terwijl Rabobank pas op 9 maart 2021 door [appellant] is aangesproken. [appellant] voert aan dat hij in 2015 nog niet bekend was met feiten over de rol en handelwijze van Rabobank, zodat een eventuele verjaringstermijn op dat moment nog is niet is gaan lopen. Pas toen [appellant] zich als benadeelde partij voegde in het strafproces tegen [naam 1] raakte hij gedurende 2020 bekend met delen van het strafdossier en pas met kennisname van het strafvonnis van eind 2020 werd hem de rol van Rabobank duidelijk. De verjaringstermijn was dus nog niet voltooid op het moment van zijn aansprakelijkstelling aan het adres van Rabobank van 9 maart 2021, aldus [appellant] .
6.14.
Een rechtsvordering tot vergoeding van schade verjaart door verloop van vijf jaren nadat de benadeelde zowel met de schade als de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden (artikel 3:310 lid 1 BW Pro). Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad moet het gaan om een daadwerkelijke (subjectieve) bekendheid. Pas als de benadeelde daadwerkelijk in staat is een schadevordering in te stellen, hetgeen betekent dat hij voldoende zekerheid heeft dat de schade veroorzaakt is door foutief handelen van de betrokken persoon, begint de verjaringstermijn te lopen (zie onder meer HR 31 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:552).
6.15.
Anders dan Rabobank betoogt, was van een daadwerkelijke en subjectieve bekendheid in deze zin bij [appellant] nog geen sprake op 17 september 2015. Rabobank heeft onvoldoende onderbouwd dat [appellant] al op 17 september 2025 zodanig bekend was met de rol en de handelwijze van Rabobank dat hij in staat was een schadevordering tegen Rabobank in te stellen. De enkele wetenschap dat [naam 1] met de investeringen van [appellant] zijn privéschuld aan Rabobank had afgelost, is daarvoor niet voldoende. Pas in de loop van het strafproces (2020) raakte [appellant] op de hoogte van de achtergrond en voorgeschiedenis van de aflossingen van [naam 1] met de door [appellant] geïnvesteerde gelden en de rol die Rabobank daarin had gespeeld. Daarbij gaat het onder meer om de opzegging van de bancaire relatie met [naam 1] door Rabobank, de aangezegde executieveiling van de woning van [naam 1] , de vaststellingsovereenkomst tussen Rabobank en [naam 1] / [bedrijf 3] , en de wetenschap bij Rabobank over de herkomst van de middelen waarmee de vaststellingsovereenkomst door [naam 1] / [bedrijf 3] werd nagekomen. Pas in de loop van 2020 had [appellant] subjectieve bekendheid en voldoende zekerheid dat zijn schade (mogelijk) was veroorzaakt door de handelwijze van Rabobank en was hij in staat een schadevordering in te stellen. Hieruit volgt dat de verjaringstermijn van de vorderingen van [appellant] op het moment van de aansprakelijkstelling van 9 maart 2021 nog niet voltooid was.
6.16.
Uit het voorgaande volgt dat het verjaringsverweer van Rabobank wordt verworpen. Daarmee komt het hof toe aan een inhoudelijke beoordeling van de vorderingen van [appellant] .
Schending zorgplicht (onrechtmatig handelen)
6.17.
Bij een beoordeling van de vorderingen van [appellant] staat in de eerste plaats de vraag centraal of Rabobank haar zorgplicht als bancaire instelling heeft geschonden en daarmee aansprakelijk is uit onrechtmatige daad. Daartoe voert [appellant] , samengevat, het volgende aan. Rabobank was op de hoogte van de frauduleuze praktijken van [naam 1] , omdat zij daarvan zelf slachtoffer was geworden en om die reden haar bancaire relatie met [naam 1] had beëindigd. Bovendien wist Rabobank dat [naam 1] verder geen bekende bronnen van inkomsten had. Toch drong Rabobank aan op een executoriale verkoop van de woning en legde zij grote (tijds)druk op [naam 1] om tot een regeling en betaling van aanzienlijke geldbedragen over te gaan. Rabobank deed vervolgens geen althans onvoldoende onderzoek naar de herkomst van de gelden, terwijl zij wist of moest begrijpen dat het geld van investeerders zoals [appellant] in feite werd gebruikt om de schulden van [naam 1] / [bedrijf 3] aan Rabobank af te lossen.
6.18.
Rabobank stelt zich op het standpunt dat zij geen (subjectieve) wetenschap had van de fraude van [naam 1] , niet ten tijde van het sluiten van de vaststellingsovereenkomst met [naam 1] en [bedrijf 3] in januari 2012 en ook niet bij het aflossen van de privéschuld van [naam 1] in de zomer van 2012. Het sluiten van de vaststellingsovereenkomst was ingegeven door wanprestatie van [naam 1] / [bedrijf 3] . Rabobank stelt dat zij niet wist en niet kon weten dat de betalingen die zij ontving waren verkregen door fraude van [naam 1] tegenover derden (waaronder investeerders als [appellant] ). Die wetenschap kwam volgens Rabobank pas met het strafproces tegen [naam 1] . Daarnaast heeft Rabobank voldaan aan haar onderzoeksplicht ten aanzien van de herkomst van de betalingen. Van een schending van een (bijzondere) zorgplicht, althans onrechtmatig handelen, tegenover [appellant] / [bedrijf 1] is geen sprake, aldus Rabobank.
6.19.
Het hof stelt voorop dat op een bank in verband met haar maatschappelijke functie en deskundigheid een zorgplicht rust. Die zorgplicht geldt zowel tegenover cliënten van de bank uit hoofde van de met hen bestaande contractuele verhouding, als tegenover derden met de belangen van wie de bank rekening behoort te houden op grond van hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. De reikwijdte van de zorgplicht hangt af van de omstandigheden van het geval. Het kan daarbij gaan om onderzoeks-, advies-, informatie- en waarschuwingsplichten.
6.20.
Tussen partijen is niet in geschil dat Rabobank na het verstrekken van het krediet aan [bedrijf 3] heeft geconstateerd dat het krediet niet werd aangewend voor de financiering van werkkapitaal, maar voor privédoeleinden van [naam 1] , en om die reden het dossier van [naam 1] begin 2011 werd overgedragen aan de afdeling Bijzonder Beheer. Zoals blijkt uit de hiervoor onder 3.3. genoemde notities van [naam 2] uit de periode februari tot en met april 2011, had Rabobank toen al ernstige twijfels over de geloofwaardigheid van [naam 1] en zijn (zakelijke) activiteiten:
“Tijdens het gesprek heb ik het gevoel gekregen dat zijn miljoenenprojecten een wassen neus is (…) [naam 1] heeft ordergrootten genoemd van honderden miljoenen en zou daar op korte termijn (dit jaar nog) tientallen miljoenen aan verdienen en omgaan met de rijken der aarde. Ik acht deze niet onderbouwde verhalen volkomen ongeloofwaardig en dat heb ik aan de klant ook verteld. Hierop reageerde hij gelaten. Ik kreeg de indruk dat hij zich als bedrieger ontmaskerd voelde. Hij liegt, draait en wordt niet concreet. Er is geen aantoonbare ervaring of trackrecord.”Uiteindelijk hebben deze ernstige twijfels en het gebrek aan vertrouwen in de persoon van [naam 1] er (mede) toe geleid dat Rabobank bij de hiervoor onder 3.4 genoemde brief van 8 april 2011 de lopende, persoonlijk en zakelijke financieringen van [naam 1] / [bedrijf 3] heeft opgezegd. Het hof stelt dan ook vast dat Rabobank al sinds april 2011 geen vertrouwen meer had in [naam 1] en zijn zakelijke projecten, en daarbij in het bijzonder de door hem vertelde verhalen over (de projecten van) zijn onderneming ongeloofwaardig achtte. Rabobank heeft hier bovendien, in haar aangifte in 2015, zelf over verklaard dat zij vanwege deze vertrouwensbreuk per direct afscheid wilde nemen van [naam 1] als klant.
6.21.
Daarmee hangt samen dat Rabobank op dat moment ook al geen vertrouwen meer had in de levensvatbaarheid van de onderneming van [naam 1] ( [bedrijf 3] ) en ernstig rekening hield met de mogelijkheid dat [naam 1] / [bedrijf 3] hun verplichtingen tegenover Rabobank niet meer zouden kunnen nakomen bij gebrek aan inkomsten en alternatieve financieringsmogelijkheden. Dit blijkt uit de hiervoor onder 3.4 genoemde brief van 8 april 2011, waarin Rabobank als redenen voor de opzegging onder meer schrijft: “
Financiële prognoses en andere door u geschetste verwachtingen waarop de verstrekking van financieringen destijds is gebaseerd zijn verre van uitgekomen (…) De bank maakt zich zorgen over het continuïteitsperspectief van uw onderneming gezien het door u verwachte liquiditeitstekort en het ontbreken van mogelijkheden tot financiering hiervan. De bank heeft gegronde vrees dat u uw verplichtingen jegens de bank niet zult kunnen nakomen. De bank acht de door u geschetste ontwikkeling van de onderneming ongeloofwaardig, temeer daar u die niet wil en kunt onderbouwen”.
6.22.
Rabobank heeft om de voorgaande redenen niet alleen de gehele bancaire relatie met [naam 1] ( [bedrijf 3] ) opgezegd, maar hem ook gesommeerd de openstaande vorderingen te voldoen per 1 juli 2011 en aangekondigd zo nodig tot uitwinning van de verstrekte zekerheden over te gaan. Omdat ondanks de sommatie na juli 2011 betaling van de openstaande vorderingen uitbleef en op de woning een forse hypotheek rustte, heeft Rabobank (zoals aangekondigd) ingezet op een executieveiling van de woning van [naam 1] om zodoende nog enige opbrengst te genereren.
6.23.
Kortom, Rabobank had sinds april 2011 geen enkel vertrouwen meer in [naam 1] / [bedrijf 3] , was ermee bekend was dat [naam 1] / [bedrijf 3] geen winstgevende activiteiten ontplooide en/of aantoonbare bronnen van inkomsten had en was bovendien ervan overtuigd dat [naam 1] loog over verwachte inkomsten en projecten. Tegelijkertijd wist Rabobank dat [naam 1] onder (grote) druk stond om de executieveiling van zijn woonhuis te voorkomen, toen [naam 1] begin januari 2012 via [naam 3] met een voorstel kwam om een bedrag van € 126.500 ineens te betalen om de al aangezegde executie van de woning te voorkomen. In de onder 3.7 genoemde e-mail van donderdag 5 januari 2012, waarin Rabobank om aanvullende informatie heeft gevraagd naar aanleiding van het voorstel, schrijft zij immers:
“Gezien de strakke planning (publicatie van de veiling) zal een en ander wel snel moeten, liefst vandaag of morgen (maandag en dinsdag ben ik niet bereikbaar)”.Onder die omstandigheden lag het op de weg van Rabobank om nader onderzoek te doen (informatie in te winnen) en zich ervan te vergewissen op welke wijze de door [naam 1] toegezegde gelden waren verkregen en welke geldstromen daaraan ten grondslag lagen.
6.24.
Rabobank heeft enig onderzoek verricht met de onder 3.7 genoemde e-mail van 5 januari 2012, waarin zij heeft gevraagd naar een onderbouwing van de geldstroom van € 126.500. Hierop heeft [naam 3] de onder 3.9 genoemde overeenkomst tussen [naam 1] en [naam 4] van 4 januari 2012 toegezonden, waaruit blijkt van een investering van [naam 4] van € 200.000 in (de Luxemburgse vennootschap) Saxonia, waarna Saxonia deze gelden zou gebruiken voor de verwerving van patentrechten van [bedrijf 3] door middel van het verstrekken van een achtergestelde lening aan [bedrijf 3] . Rabobank heeft hierop in haar onder 3.10 genoemde e-mail van 10 januari 2026 enkel gevraagd waarom niet de gehele investering van [naam 4] via [bedrijf 3] werd doorbetaald aan Rabobank en waarom er geen hogere lening mogelijk was. Uit deze beperkte vraagstelling leidt het hof af dat voor Rabobank op dat moment de geldstroom van
€ 126.500 kennelijk voldoende onderbouwd was, zoals zij achteraf (ten tijde van de strafrechtelijke aangifte in 2015) ook heeft verklaard.
6.25.
In de gegeven omstandigheden had de Rabobank echter meer onderzoek moeten doen dan zij heeft gedaan. Daarbij speelt een rol dat Rabobank op de hoogte was van de vermogensbestanddelen en bezittingen van [bedrijf 3] , omdat zij deze bij de financieringsaanvraag van [bedrijf 3] had onderzocht, waarbij van patentrechten niet was gebleken. Gezien deze voorkennis had Rabobank moeten doorvragen naar de aanwezigheid van patentrechten die door [naam 1] en [naam 4] kennelijk waren gewaardeerd op € 200.000, bijvoorbeeld de vraag waarop deze patentrechten zagen en hoe [bedrijf 3] deze had verworven. Ook is van belang dat er ineens een fors geldbedrag beschikbaar kwam via een particuliere investeerder in een financieringsfonds waarin een aantal projecten van [naam 1] zouden zijn ondergebracht. Rabobank had ook daarover aanvullende vragen moeten stellen en onderzoek moeten doen gericht op het daadwerkelijke bestaan van (de verwachte geldstromen uit) het fonds en de projecten waarmee de investering was aangetrokken. Gezien haar ervaringen met [naam 1] , de hiervoor genoemde vertrouwensbreuk en de opzegging van de bancaire relatie, had Rabobank zich bewust moeten zijn van het risico dat de investering van [naam 4] was ingegeven door het type verhalen van [naam 1] over miljoenenprojecten die Rabobank ongeloofwaardig vond. Zo volgt uit de overeenkomst met [naam 4] dat [naam 4] op korte termijn aanzienlijke bedragen tegemoet kon zien van het aan [naam 1] gelieerde Saxonia, te weten uiterlijk 1 juli 2012 een winstuitkering van € 400.000 en terugbetaling van de lening van € 200.000, terwijl Rabobank de verhalen van [naam 1] over te verwachte inkomsten uit zijn projecten niet geloofde. Door genoegen te nemen met de beperkte informatie van [naam 3] en geen nader onderzoek te doen naar de herkomst van de gelden, zoals hiervoor overwogen, heeft Rabobank onvoldoende oog gehad voor de belangen van derden (zoals investeerders [naam 4] en [appellant] ). Rabobank heeft haar eigen belangen bij aflossing van de leningen laten prevaleren en had in de gegeven omstandigheden nader onderzoek moeten doen om zich ervan te vergewissen dat de door [naam 1] / [bedrijf 3] aangedragen middelen een legale herkomst hadden voordat zij de vaststellingsovereenkomst aanging met [naam 1] / [bedrijf 3] .
6.26.
Gezien het voorgaande komt het hof tot het oordeel dat Rabobank haar zorgplicht tegenover [appellant] heeft geschonden en daarmee onrechtmatig heeft gehandeld. Vervolgens komt het hof toe aan de vraag of [appellant] door het onrechtmatige handelen van Rabobank schade heeft geleden, en of is voldaan aan het voor aansprakelijkheid en een schadevergoedingsplicht (op grond van artikel 6:162 BW Pro) vereiste causaal verband.
Causaal verband en schade
6.27.
[appellant] stelt dat de door hem geleden schade een gevolg is van de handelwijze van Rabobank. [naam 1] sloot de vaststellingsovereenkomst met Rabobank omdat hij de aangezegde executoriale veiling van zijn privéwoning wilde voorkomen. Om te kunnen voldoen aan de betalingsverplichtingen van die vaststellingsovereenkomst, heeft [naam 1] investeerders waaronder [appellant] geld afhandig gemaakt. Een groot deel van het bedrag van € 350.000 dat [naam 1] van [appellant] had verkregen, is besteed aan aflossing van de hypothecaire schuld van [naam 1] zoals bepaald in de vaststellingsovereenkomst. Door de tijdsdruk die vanwege de termijnen in de vaststellingsovereenkomst lag op [naam 1] , legde [naam 1] ook tijdsdruk op [appellant] wat eraan heeft bijgedragen dat [appellant] het bedrag van € 350.000 heeft geïnvesteerd. Indien Rabobank de vereiste zorgvuldigheid in acht had genomen tegenover derden, waaronder andere klanten van Rabobank zoals [bedrijf 1] , dan zou de vaststellingsovereenkomst niet zijn gesloten en had de investering in het project van [naam 1] nooit plaatsgevonden, aldus [appellant] . Rabobank betwist het causaal verband en voert daartoe in de kern aan dat niet haar zorgplichtschending maar de fraude van [naam 1] de schade van [appellant] heeft veroorzaakt. [naam 1] heeft [appellant] bewogen tot het doen van bepaalde investeringen, die bovendien plaatsvonden na het sluiten van de vaststellingsovereenkomst met [naam 1] / [bedrijf 3] in januari 2012, aldus Rabobank.
6.28.
Voor de beantwoording van de vraag of [appellant] schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van Rabobank, en zo ja in welke omvang, moet een vergelijking worden gemaakt tussen de werkelijke situatie waarin [appellant] verkeert en de hypothetische situatie waarin hij had verkeerd als de zorgplichtschending van Rabobank achterwege zou zijn gebleven.
6.29.
Als Rabobank zich in januari 2012 ervan had vergewist dat de door [naam 1] / [bedrijf 3] aangedragen middelen ter voldoening aan de aanstaande regeling een legale herkomst hadden voordat zij de vaststellingsovereenkomst aanging, is aannemelijk dat Rabobank – gelet op wat zij wist over de handelwijze van [naam 1] – tot de conclusie was gekomen dat aan de investeerder van wie [naam 1] de gelden had aangetrokken waarschijnlijk een verkeerde voorstelling van zaken was gegeven, en dat de middelen dus geen legale herkomst hadden maar door oplichting waren of zouden worden verkregen, zoals inmiddels is gebleken uit het vonnis in de strafzaak tegen [naam 1] . De investering zoals deze bleek uit de door [naam 1] aan Rabobank verstrekte overeenkomst was immers niet reëel, gelet op wat het hof daarover heeft overwogen in 6.25. Ook Rabobank heeft dat later onderkend in haar aangifte in 2015. Bij deze stand van zaken zou de vaststellingsovereenkomst met [naam 1] / [bedrijf 3] niet zijn aangegaan. In dit verband heeft Rabobank ter zitting bevestigd dat zij de vaststellingsovereenkomst met [naam 1] / [bedrijf 3] aanging onder de (stilzwijgende) voorwaarde en in de veronderstelling dat [naam 1] met legaal verkregen gelden zijn hypotheekschuld zou aflossen. Tussen partijen is niet in geschil dat het doel van [naam 1] bij het aangaan van de vaststellingsovereenkomst was om te voorkomen dat zijn privéwoning zou worden geveild. Als er geen vaststellingsovereenkomst was gesloten, dan had Rabobank de woning van [naam 1] geëxecuteerd en uit die opbrengst haar vorderingen geheel of gedeeltelijk voldaan, zo stelt Rabobank. Dat betekent dat, in het scenario dat Rabobank haar zorgplicht niet had geschonden, [naam 1] na januari 2012 geen verplichting op basis van een vaststellingsovereenkomst had om uiterlijk 1 augustus 2012 een eventueel restant van de hypotheekschuld af te lossen, terwijl de voornaamste prikkel om dat te doen was verdwenen omdat hij zijn woning al kwijt was. Nu het voldoen aan die verplichting om verlies van zijn woning te voorkomen klaarblijkelijk de belangrijkste drijfveer was voor [naam 1] om [appellant] op te lichten, ligt het in de gegeven omstandigheden daarom niet voor de hand dat dit ook was gebeurd als de vaststellingsovereenkomst niet was gesloten. De betalingen van [appellant] / [bedrijf 1] aan [naam 1] , die [naam 1] grotendeels heeft gebruikt voor de aflossingen aan Rabobank, hadden dan niet plaatsgevonden; dat is tussen partijen niet in geschil.
6.30.
Het hof komt dan ook tot het oordeel dat, indien Rabobank aan de op haar rustende zorgplicht had voldaan, de schade van [appellant] niet zou zijn ingetreden. Hieruit volgt dat er een causaal verband is tussen de zorgplichtschending van Rabobank en de schade van [appellant] , waarvoor Rabobank tegenover [appellant] aansprakelijk is op grond van onrechtmatige daad. Het hof komt daarmee toe aan vraag naar de omvang van de voor vergoeding in aanmerking komende schade.
Omvang schadevergoeding
6.31.
[appellant] vordert veroordeling van Rabobank tot betaling van een schadevergoeding van € 350.000, wat overeenkomt met het totaal van de onder 3.13 genoemde betalingen van [appellant] / [bedrijf 1] aan [naam 1] . Rabobank heeft de omvang van de gestelde schade betwist en daartoe in de eerste plaats aangevoerd dat de schade niet meer bedraagt dan het bedrag dat aan haar is betaald ter aflossing van de schuld van [naam 1] (een bedrag van € 312.778,87). Daarnaast moet volgens Rabobank bij het bepalen van de omvang van de schade rekening worden gehouden met mogelijke incassomaatregelen van [appellant] tegenover [naam 1] waardoor zijn vordering is verminderd of eventuele fiscale verrekeningen (compensabele verliezen) bij [bedrijf 1] omdat de vordering op [naam 1] oninbaar is. Het hof oordeelt als volgt.
6.32.
Tussen partijen is niet in geschil dat ten laste van [bedrijf 1] betalingen zijn gedaan van (in totaal) € 350.000. Daarmee staat vast dat het vermogen van [bedrijf 1] met een bedrag van
€ 350.000 is verminderd. Uitgangspunt van het schadevergoedingsrecht is dat een benadeelde partij moet worden hersteld in de situatie alsof er geen normschending had plaatsgevonden. Hiervoor heeft het hof vastgesteld dat zonder zorgplichtschending van Rabobank de betalingen niet zouden zijn gedaan. Daarmee is de voor vergoeding in aanmerking komende schade in beginsel gelijk aan het bedrag van de betalingen (€ 350.000). In hoeverre de betalingen ten goede zijn gekomen aan Rabobank is in zoverre niet relevant. Tot slot is door Rabobank niet weersproken dat [naam 1] geen verhaal biedt en dat van compensabele verliezen bij [bedrijf 1] geen sprake is geweest, zodat op de door [appellant] geleden schade niets in mindering strekt.
6.33.
Uit het voorgaande volgt dat omvang van de op Rabobank rustende schadevergoedingsplicht in beginsel € 350.000 bedraagt. Het hof komt daarmee toe aan het beroep van Rabobank op eigen schuld van [appellant] .
Eigen schuld
6.34.
Rabobank stelt dat indien aansprakelijkheid en een daaruit voortvloeiende schadevergoedingsplicht wordt aangenomen, de schade voor eigen rekening van [appellant] dient te blijven op grond van artikel 6:101 BW Pro, nu [appellant] , kort gezegd, te lichtvaardig heeft gehandeld bij het aangaan van de aandelenovereenkomst met [naam 1] en een onvoldoende kritische houding aan de dag heeft gelegd. Volgens [appellant] is van eigen schuld in de zin van artikel 6:101 BW Pro geen sprake, nu hij voldoende onderzoek heeft gedaan naar zijn investering en slachtoffer is geworden van een complexe fraude door [naam 1] . Bovendien is een beroep van Rabobank op eigen schuld in dit geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar, aldus [appellant] .
6.35.
Het hof stelt voorop dat het enkele feit Rabobank op het moment van de betalingen door [appellant] gewaarschuwd was voor de oplichterspraktijken van [naam 1] terwijl [appellant] daarvan onkundig was, zoals [appellant] stelt, nog niet betekent dat een beroep van Rabobank op eigen schuld aan de zijde van [naam 1] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Bij de regeling van eigen schuld komt het in dit geval aan op de vraag of de schade niet alleen in causaal verband staat met de gebeurtenis op grond waarvan Rabobank aansprakelijk is (de zorgplichtschending), maar ook met een omstandigheid die aan [appellant] kan worden toegerekend. Daarvan is onder meer sprake indien [appellant] zich anders heeft gedragen dan een redelijk mens onder de gegeven omstandigheden zou doen.
6.36.
Vast staat dat [appellant] een aanzienlijk bedrag (€ 350.000) heeft betaald op de bankrekening van de vennootschap [bedrijf 4] voor de verwerving van 10% van de aandelen in de Luxemburgse vennootschap Saxonia, zoals vastgelegd in de overeenkomst van aandelenoverdracht van 27 juli 2012. [appellant] was door [naam 1] voorgehouden dat hij daarmee een investering deed in project Food Hub Macedonia (FHM) en dat voor [appellant] (en zijn vennootschap [bedrijf 1] ) een rol als logistiek partner was weggelegd. In het onder 3.16 genoemde strafvonnis is vastgesteld dat [naam 1] diverse investeerders (waaronder [appellant] ) meerdere malen mee op reis nam naar Cyprus en/of Macedonië, waar zij van alles te zien en te horen kregen over het project FHM. [naam 1] drong bij meerdere investeerders aan op een snelle betaling, waarbij in het geval van [appellant] volgens [naam 1] met het geld een Russische partij moest worden uitgekocht. Ondanks het voorgaande bevat de overeenkomst van aandelenoverdracht geen enkele verwijzing naar het project FHM en diende [appellant] voor de verwerving van aandelen Saxonia te betalen op de bankrekening van een derde (vennootschap). Dat [appellant] desondanks veel onderzoek heeft gedaan naar de investering in FHM, zoals hij stelt, heeft hij niet met concrete feiten onderbouwd en is dus niet komen vast te staan. [appellant] had bijvoorbeeld nader onderzoek kunnen doen naar de financiële positie van Saxonia, of het desbetreffende project inderdaad in Saxonia was ondergebracht, de vermeende uitkoop van de Russische partij, de hem voorgespiegelde rol als logistieke partner en de wijze waarop zijn investering ten goede zou komen aan het project FHM en hieromtrent concrete afspraken kunnen maken en vastleggen en/of zekerheden kunnen bedingen. Hiervan is niet gebleken. Rabobank stelt dat [appellant] de aandelen niet heeft verkregen en daarop destijds geen actie heeft ondernomen. Gelet op de inhoud van de overeenkomst van 27 juli 2012, waarin is bepaald dat de aandelen bij die akte tevens worden geleverd, kan echter niet zonder meer worden aangenomen dat voor de levering een nadere handeling was vereist, althans dat [appellant] zich daarvan bewust is geweest.
6.37.
In het licht van deze feiten en omstandigheden komt het hof tot het oordeel dat [appellant] te lichtvaardig en zonder deugdelijk onderzoek een substantiële en risicovolle investering heeft gedaan. De schade is daarmee naar het oordeel van het hof voor 30% het gevolg van omstandigheden die aan [appellant] kunnen worden toegerekend (op grond van artikel 6:101 BW Pro). De billijkheid eist geen correctie op deze 30/70 verdeling. De op Rabobank rustende schadevergoedingsplicht van Rabobank zal dienovereenkomstig (met 30%) worden verminderd. Dit betekent dat het hof Rabobank zal veroordelen tot betaling van een bedrag van (70% van € 350.000=) € 245.000.
Wettelijke rente
6.38.
Het hof zal de wettelijke rente over het bedrag van € 245.000, zoals gevorderd, toewijzen vanaf 1 september 2012. Rabobank heeft onvoldoende concrete feiten en omstandigheden gesteld, waaruit volgt dat toewijzing van wettelijke rente naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn of sprake is van kennelijk onaanvaardbare gevolgen die een beroep op matiging van de rente zouden rechtvaardigen (artikel 6:109 BW Pro). Dat [appellant] Rabobank pas in 2021 heeft aangesproken, zoals Rabobank aanvoert, is in elk geval onvoldoende, aangezien [appellant] pas in de loop van 2020 op de hoogte raakte van zijn vordering tegen Rabobank.
Buitengerechtelijke incassokosten
6.39.
Naast de hiervoor genoemde schade als gevolg van de betalingen heeft [appellant] vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten gevorderd ter grootte van een bedrag van € 3.525,00. Het hof begrijpt dat [appellant] daarmee aansluiting zoekt bij de staffel uit het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: BIK). Uit artikel 1 BIK Pro volgt dat het besluit niet van toepassing is wanneer de hoofdsom is gegrond op een verbintenis tot schadevergoeding uit onrechtmatige daad, zoals in dit geval. Nu een nadere toelichting op de kosten en/of een specificatie van het gevorderde bedrag ontbreekt, bevat de proceskostenregeling van artikel 237 e.v. Rv een exclusieve regeling voor de kosten waarin een in het ongelijk gestelde partij kan worden veroordeeld (artikel 6:96 lid 3 BW Pro jo. artikel 241 Rv Pro). Het hof wijst de gevorderde incassokosten om die reden af.
Slotsom, kosten en bewijsaanbod
6.40.
Nu het hof tot het oordeel komt dat Rabobank tegenover [appellant] aansprakelijk is wegens een schending van haar zorgplicht, kunnen de overige door [appellant] aangevoerde grondslagen voor zijn vorderingen verder onbesproken blijven. In het licht van wat is overwogen over de omvang van de schadevergoedingsverplichting en eigen schuld bij [appellant] zou, indien tevens sprake zou zijn van ongerechtvaardigde verrijking van Rabobank, dat niet leiden tot veroordeling tot betaling van een hoger bedrag. Het hoger beroep heeft succes en het (eind)vonnis van 11 oktober 2023 gewezen in de hoofdzaak zal worden vernietigd. Onder verwijzing naar het voorgaande onder 6.3 heeft [appellant] geen belang bij behandeling van grief IIa.
6.41.
Het hof ziet geen aanleiding om Rabobank toe te laten tot bewijslevering, omdat zij geen bewijs heeft aangeboden van voldoende concrete stellingen die, indien bewezen, tot een andere uitkomst kunnen leiden.
6.42.
Rabobank is in het hoger beroep in het ongelijk gesteld en zal daarom worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van [appellant] van het geding in beide instanties.
Het hof stelt de proceskosten in eerste aanleg als volgt vast:
- explootkosten € 131,18
- griffierecht € 2.277,00
- salaris advocaat
€ 6.612,50(tarief VI, 2½ punten)
Totaal € 9.020,68
Het hof stelt de proceskosten in hoger beroep als volgt vast:
- explootkosten € 129,14
- griffierecht € 2.053,00
- salaris advocaat
€ 11.767,50(tarief VI, 2½ punten)
Totaal € 13.949,64

7.Beslissing

Het hof:
7.1
verklaart het hoger beroep tegen het tussenvonnis van 28 juni 2023 niet-ontvankelijk, bekrachtigt het tussenvonnis van 31 mei 2023 en vernietigt het eindvonnis van 11 oktober 2023, voor zover gewezen in de hoofdzaak, en doet opnieuw recht:
7.2
veroordeelt Rabobank tot betaling aan [appellant] van een bedrag van € 245.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW Pro vanaf 1 september 2012 tot aan de dag van volledige betaling;
7.3.
veroordeelt Rabobank tot terugbetaling aan [appellant] van al hetgeen [appellant] op grond van het bestreden eindvonnis aan Rabobank heeft voldaan, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling tot de dag van terugbetaling;
7.4.
veroordeelt Rabobank in de proceskosten van [appellant] in beide instanties, voor de eerste aanleg tot nu vastgesteld op € 9.020,68 en voor het hoger beroep tot nu vastgesteld op € 13.949,64, te vermeerderen met de wettelijke rente, als niet binnen veertien dagen na dit arrest aan de proceskostenveroordeling is voldaan;
7.5.
veroordeelt Rabobank tot betaling van € 189,00 voor nasalaris, te vermeerderen met € 98,00 voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot als niet binnen veertien dagen na dit arrest aan de kostenveroordeling is voldaan en betekening van dit arrest plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente, als niet binnen veertien dagen na het verschuldigd worden van de nakosten aan deze veroordeling is voldaan;
7.6.
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
7.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. R.D. Lubach, S.C.H. Molin en R.M. de Winter en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2026.