Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:1628

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
17 juni 2026
Zaaknummer
200.359.075
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:629 BWArt. 19 ZiektewetArt. 4 WIAArt. 7:670 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over arbeidsongeschiktheid en beëindiging arbeidsovereenkomst zonder transitievergoeding

De werknemer, mondhygiënist sinds 1999, meldde zich op 28 mei 2021 ziek en verricht sindsdien geen werkzaamheden voor de werkgever, een tandartspraktijk. De werkgever verzocht de arbeidsovereenkomst te beëindigen zonder transitievergoeding, stellende dat de werknemer weigert te werken terwijl het UWV oordeelde dat hij niet arbeidsongeschikt is.

De kantonrechter wees dit verzoek af, stellende dat de werknemer wel degelijk arbeidsongeschikt is voor zijn bedongen arbeid, mede gelet op medische rapportages en het arbeidsconflict. Het UWV hanteert een andere toets voor WIA-uitkeringen dan de civiele arbeidsongeschiktheidsbeoordeling.

In hoger beroep bevestigt het hof deze beoordeling. Het hof benadrukt dat het ziektebegrip in het Burgerlijk Wetboek en de Ziektewet bepalend is, waarbij het gaat om ongeschiktheid voor de contractueel overeengekomen arbeid. De medische klachten hangen samen met een arbeidsconflict, waardoor de werknemer niet in staat is zijn eigen werk te verrichten. Het feit dat de werknemer deels in zijn eigen praktijk werkt, doet hieraan niet af.

Het hof wijst ook het beroep van de werkgever af dat de werknemer zijn werkzaamheden na einde wachttijd had moeten hervatten. De werknemer was nog arbeidsongeschikt en hoefde niet opgeroepen te worden. De grieven van de werkgever falen, en het hof bekrachtigt de bestreden beschikking, veroordeelt de werkgever in de proceskosten en wijst het verzoek tot ontbinding af.

Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst zonder transitievergoeding af en bekrachtigt de bestreden beschikking.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht
zaaknummer : 200.359.075/01
zaaknummer rechtbank : 11600650 \ AO VERZ 25-26
beschikking van de meervoudige burgerlijke kamer van 16 juni 2026
inzake
[appellant 1],
gevestigd te [plaats 1] (gemeente [appellanten] ),
[appellant 2] ,
wonende te [plaats 1] (gemeente [appellanten] ),
appellanten,
advocaat: mr. A. Tel te Amsterdam,
tegen
[geïntimeerde] ,
wonende te [plaats 2] ,
geïntimeerde,
advocaat: mr. B. van Kasteel te Utrecht.
Partijen worden hierna [appellanten] en [geïntimeerde] genoemd.

1.De zaak in het kort

[geïntimeerde] is in dienst bij [appellanten] . Hij heeft zich op 28 mei 2021 ziekgemeld en heeft sindsdien niet meer voor [appellanten] gewerkt. [appellanten] verzoekt een datum te bepalen waarop de arbeidsovereenkomst eindigt (zonder toekenning van een transitievergoeding) omdat [geïntimeerde] weigert zijn werkzaamheden te hervatten terwijl het UWV heeft geoordeeld dat hij niet arbeidsongeschikt is. Het hof wijst het verzoek af omdat [geïntimeerde] wel degelijk arbeidsongeschikt is voor de bedongen arbeid.

2.Het geding in hoger beroep

[appellanten] is bij beroepschrift met producties, ontvangen ter griffie van het hof op 18 september 2025, in hoger beroep gekomen van de beschikking die de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Alkmaar (hierna: de kantonrechter), op 18 juni 2025 onder bovenvermeld zaaknummer heeft gegeven tussen [appellanten] als verzoeker, tevens verweerder in het tegenverzoek, en [geïntimeerde] als verweerder, tevens verzoeker in het tegenverzoek (hierna: de bestreden beschikking).
Op 1 maart 2026 is ter griffie van het hof een verweerschrift in hoger beroep, tevens houdende een voorwaardelijk tegenverzoek, met producties, van [geïntimeerde] ingekomen.
Namens [appellanten] is een tweetal nadere producties bij het hof ingediend op 20 maart 2026.
Partijen hebben de zaak tijdens de mondelinge behandeling van 1 april 2026 laten toelichten, [appellanten] door mr. A. Tel voornoemd en [geïntimeerde] door mr. B. van Kasteel voornoemd, beiden aan de hand van overgelegde spreekaantekeningen.
Uitspraak is bepaald op heden.
[appellanten] heeft geconcludeerd dat het hof de bestreden beschikking zal vernietigen en – uitvoerbaar bij voorraad – alsnog zal bepalen op welk tijdstip de arbeidsovereenkomst zal eindigen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding in beide instanties inclusief nakosten en rente.
[geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van de bestreden beschikking, met – uitvoerbaar bij voorraad – hoofdelijke veroordeling van [appellanten] en [appellant 2] in de kosten van het geding in hoger beroep inclusief nakosten en rente. Onder de voorwaarde dat het hof een tijdstip bepaalt waarop de arbeidsovereenkomst eindigt, heeft [geïntimeerde] verzocht om [appellanten] en [appellant 2] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de wettelijke transitievergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente.
Beide partijen hebben bewijs van hun stellingen aangeboden.

3.Feiten

De kantonrechter heeft in 2.1. t/m 2.7. van de bestreden beschikking de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. In hoger beroep is niet in geschil dat de feiten juist zijn weergegeven, zodat ook het hof van deze feiten uitgaat.
3.1.
[appellanten] is een tandartspraktijk waarvan [appellant 2] sinds 1 januari 2019 eigenaresse is. [geïntimeerde] is sinds 19 april 1999 bij [appellanten] in dienst als mondhygiënist, aanvankelijk voor veertien uur per week. [appellanten] heeft met toestemming van het UWV de arbeidsovereenkomst tegen 30 mei 2021 opgezegd onder aanbieding van een nieuwe arbeidsovereenkomst voor acht uur in de week en uitbetaling van een partiële transitievergoeding.
3.2.
Nadat de arbeidsovereenkomst van veertien naar acht uur per week was omgezet, heeft [geïntimeerde] een procedure tegen [appellanten] aangespannen om te bewerkstelligen dat hem een hogere partiële transitievergoeding zou worden uitbetaald. Hangende deze procedure heeft [geïntimeerde] zich op 28 mei 2021, althans 2 juni 2021 ziekgemeld. Sindsdien heeft hij geen werkzaamheden voor [appellanten] verricht. [geïntimeerde] heeft zijn werkzaamheden voor zijn eigen praktijk wel (deels) voortgezet.
3.3.
De bedrijfsarts heeft [geïntimeerde] voor het eerst gesproken op 16 september 2021. De probleemanalyse van de bedrijfsarts luidde voor zover van belang als volgt:
“Uw werknemer dhr. [geïntimeerde] is uitgevallen voor zijn werkzaamheden in verband met medisch klachten en beperkingen. (…) Er is ook sprake van scheurende arbeidsverhoudingen. (…) Betrokkene kan nu niet deelnemen aan het werkproces (…).”
3.4.
Eind 2021 is een mediationtraject ingezet. Dit mediationtraject is zonder resultaat beëindigd in maart 2022.
3.5.
Het tweede spoortraject is ingezet in september 2022. Op 3 oktober 2022 heeft [appellanten] dit traject stilgelegd in afwachting van een deskundigenoordeel van het UWV over de arbeids(on)geschiktheid en de re-integratie inspanningen van [geïntimeerde] . In het deskundigenoordeel van het UWV van 9 januari 2023 staat dat [geïntimeerde] zijn eigen werk niet kan doen en dat zijn re-integratie inspanningen tot nu voldoende zijn geweest. Het tweede spoortraject is daarna niet voortgezet.
3.6.
[geïntimeerde] heeft op 8 maart 2023 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) aangevraagd.
3.7.
Op 16 maart 2023 heeft [geïntimeerde] de bedrijfsarts voor het laatst gesproken. In de tussentijdse evaluatie staat onder meer het volgende:
“Zijn klachten en beperkingen zijn onveranderd. Er is nog steeds sprake van arbeidsconflict. (…) In verband met verscheurende arbeidsverhouding zijn er geen werk mogelijkheden in spoor 1.- Oplossing vinden ten aanzien van verscheurende arbeidsrelatie.- Doorgaan met spoor 2 traject (…)”
3.8.
Het UWV heeft de aanvraag van [geïntimeerde] van een WIA-uitkering afgewezen. In de beslissing van het UWV van 14 juli 2023 staat daarover onder meer het volgende:
“U kunt vanaf 2 juni 2023 geen WIA-uitkering krijgen. (…) Uit het oordeel van onze arts blijkt dat u, per 1e WIA dag, niet ziek bent en dat u dus ook niet arbeidsongeschikt bent. (…) U en uw werkgever hebben voldoende gedaan aan uw re-integratie.”[geïntimeerde] heeft bezwaar ingesteld tegen deze beslissing.
3.9.
[appellanten] heeft op 29 september 2023 bij monde van haar gemachtigde onder meer geschreven:
“Uw cliënt wordt door UWV niet ziek en daarmee niet arbeidsongeschikt geacht. (…) Desondanks is uw cliënt niet genegen (gebleken) om zijn werkzaamheden voor cliënte te hervatten; telefonisch bevestigde u mij ook dat uw cliënt zijn werkzaamheden voor cliënte niet zal hervatten.”
3.10.
Het bezwaar van [geïntimeerde] tegen de beslissing van 14 juli 2023 is gegrond verklaard bij beslissing op bezwaar van 20 november 2024. Het UWV heeft daarin overwogen dat [appellanten] onvoldoende heeft gedaan aan de re-integratie van [geïntimeerde] , maar dat het UWV geen loonsanctie met terugwerkende kracht kan opleggen.
3.11.
Op 18 februari 2025 heeft het UWV (hangende het beroep van [geïntimeerde] tegen de beslissing op bezwaar) een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen. In de medische rapportage in de beroepsprocedure staat onder meer:
“Alles overwegende dient er per einde wachttijd wel te worden uitgegaan van ziekte of gebrek. Er zijn beperkingen, waarbij de door de bedrijfsarts aangegeven IZP [inzetbaarheidsprofiel, hof] plausibel wordt geacht. Dit betreft geen marginale belastbaarheid; op basis van het IZP waren er wel degelijk re-integratiemogelijkheden, zoals ook mbt het 2e spoor is geadviseerd.”
3.12.
In het arbeidsdeskundig onderzoek in beroep is omtrent de belastbaarheid van [geïntimeerde] onder meer het volgende overwogen:
“De maatgevende arbeid is de mondhygiënist. (…) De heer [geïntimeerde] is beperkt voor hoog handelingstempo, omgaan met conflicten, werken in de avond en nacht, kan maximaal 8 uren op een werkdag en 40 uren per week werken en is aangewezen op regelmatige werktijden. Vergelijkend de belastbaarheid met de belasting in de maatgevende functie bevat de maatgevende arbeid geen zwaardere belasting. Daarom vind ik de heer [geïntimeerde] geschikt voor de maatgevende arbeid. (…) Om die reden kan geen aanspraak gemaakt worden op een WIA-uitkering.”

4.Eerste Aanleg

4.1.
[appellanten] heeft in eerste aanleg verzocht om bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad:
- de arbeidsovereenkomst op de kortst mogelijke termijn te ontbinden, waarbij geen rekening wordt gehouden met de opzegtermijn;
- te bepalen dat [geïntimeerde] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld of nagelaten en dientengevolge geen recht heeft op een transitievergoeding ten laste van [appellanten] ;
- indien de kantonrechter mocht oordelen dat [geïntimeerde] recht heeft op een transitievergoeding, een termijn vast te stellen waarbinnen [appellanten] de bevoegdheid heeft het onderhavige verzoek in te trekken;
- met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van de procedure.
4.2.
Aan haar verzoeken heeft [appellanten] ten grondslag gelegd dat [geïntimeerde] ernstig verwijtbaar handelt door te weigeren zijn werkzaamheden voor [appellanten] te hervatten, ondanks het feit dat het UWV heeft geoordeeld dat [geïntimeerde] niet ziek is. Ook is de arbeidsovereenkomst volgens [appellanten] inhoudsloos geworden omdat [geïntimeerde] simpelweg onbereikbaar is voor [appellanten] zonder dat sprake is van een ziekmelding of een andere geldige reden voor afwezigheid. [geïntimeerde] heeft de verzoeken bestreden en de kantonrechter verzocht (bij wijze van voorwaardelijk tegenverzoek) [appellanten] te veroordelen tot betaling van de transitievergoeding voor het geval de arbeidsovereenkomst door de kantonrechter wordt ontbonden.
4.3.
De kantonrechter heeft in de bestreden beschikking geoordeeld dat er geen redelijke grond voor ontbinding is. Op basis van de rapportages van de bedrijfsarts en de verzekeringsarts kan worden vastgesteld dat er bij [geïntimeerde] wel sprake was van ziekte of gebrek. De vaststelling dat er geen marginale belastbaarheid is, betekent niet dat [geïntimeerde] arbeidsgeschikt is voor zijn eigen werkzaamheden. Het gaat erom of [geïntimeerde] geschikt is voor de eigen werkzaamheden en dat is niet het geval, nu de verzekeringsarts ten aanzien daarvan concludeert dat sprake is van ziekte of gebrek. Dat [geïntimeerde] geen WIA-uitkering krijgt, maakt dat niet anders omdat het UWV een andere toets aanlegt in het kader van de WIA dan de toets die de kantonrechter hanteert bij beoordeling of sprake is van arbeidsongeschiktheid in de zin van het Burgerlijk Wetboek (BW). [geïntimeerde] kan dus niet worden verweten dat hij geen uitvoering geeft aan de arbeidsovereenkomst. Hij is na einde wachttijd verder ook niet opgeroepen door [appellanten] om te komen werken of voor het spreekuur van de bedrijfsarts. Er is geen verwijtbaar handelen of nalaten, zodat er geen grondslag is om het ontbindingsverzoek toe te wijzen. Ook het beroep op de h-grond slaagt niet omdat daaraan dezelfde feiten en omstandigheden ten grondslag zijn gelegd. Omdat het ontbindingsverzoek wordt afgewezen, komt de kantonrechter niet toe aan de beoordeling van het voorwaardelijk tegenverzoek van [geïntimeerde] . [appellanten] is in de proceskosten van [geïntimeerde] veroordeeld.

5.Beoordeling

5.1.
Van deze beslissing is [appellanten] in hoger beroep gekomen onder aanvoering van drie genummerde grieven.
5.2.
Met
grief 1bestrijdt [appellanten] het oordeel van de kantonrechter dat [geïntimeerde] vanwege ziekte of gebrek niet in staat is om zijn werkzaamheden voor [appellanten] uit te voeren. De grief faalt. Bij zijn beoordeling stelt het hof het volgende voorop. Voor de vraag of [geïntimeerde] als gevolg van ziekte of gebrek niet in staat is zijn werkzaamheden voor [appellanten] uit te voeren, dient aansluiting gezocht te worden bij het ziektebegrip van artikel 19 Ziektewet Pro (Zw) en artikel 7:629 BW Pro, dat het recht op loondoorbetaling bij ziekte regelt. Artikel 19 lid 1 Zw Pro bepaalt dat de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, recht op ziekengeld heeft overeenkomstig het bij of krachtens deze wet bepaalde. Op grond van artikel 19 lid 4 Zw Pro worden onder ziekte mede verstaan gebreken. Om te voldoen aan het ziekte-criterium uit het BW is niet vereist dat de werknemer zijn functie in het algemeen kan uitoefenen; het gaat erom of hij de contractueel overeengekomen arbeid (dus de functie bij zijn werkgever) kan verrichten. Zodra een werknemer ten gevolge van ziekte of gebrek de eigen arbeid niet in de volle omvang kan verrichten, is sprake van ziekte in de zin van het BW.
5.3.
Uit de overgelegde adviezen van de bedrijfsarts blijkt dat [geïntimeerde] voor zijn werkzaamheden is uitgevallen in verband met medische klachten en beperkingen als gevolg van een arbeidsconflict met [appellanten] . Die medische klachten en beperkingen waren bij het laatste bezoek van [geïntimeerde] aan de bedrijfsarts op 16 maart 2023 nog onverminderd aanwezig. Het beroep van [appellanten] op het arrest Mak/SGBO (HR 27 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC7669) gaat dus niet op. Het hof volgt [appellanten] niet in haar betoog dat de adviezen van de bedrijfsarts niet relevant zijn voor de beoordeling of [geïntimeerde] ongeschikt is voor zijn eigen werk. Maar ook als [appellanten] zou worden gevolgd in haar betoog dat alleen acht zou mogen worden geslagen op het laatste oordeel van de verzekeringsarts, baat dat haar niet. De verzekeringsarts overweegt in zijn rapportage immers dat per einde wachttijd uitgegaan dient te worden van ziekte of gebrek en dat [geïntimeerde] beperkt is voor omgaan met conflicten. Gelet op het feit dat de medische klachten en beperkingen van [geïntimeerde] verband houden met een arbeidsconflict met [appellanten] dat tot op de dag van vandaag voortduurt, terwijl [geïntimeerde] volgens de verzekeringsarts beperkt is voor omgaan met conflicten, kan naar het oordeel van het hof ook uit de rapportage van de verzekeringsarts geen andere conclusie worden getrokken dan dat [geïntimeerde] nog altijd ongeschikt is voor zijn eigen werk. Het hof gaat voorbij aan het betoog van [appellanten] dat [geïntimeerde] bij [appellanten] niet met conflicten hoeft om te gaan. Omgaan met conflicten mag weliswaar niet tot de kern van het werk van een mondhygiënist behoren, maar dat laat onverlet dat [geïntimeerde] bij het verrichten van zijn eigen werk structureel met zijn werkgever zou worden geconfronteerd, waarmee hij nu juist een conflict heeft. Dat de verzekeringsarts niet met zoveel woorden heeft vastgesteld dat [geïntimeerde] vanwege een arbeidsconflict niet geschikt is voor zijn eigen werkzaamheden bij [appellanten] , doet daaraan niet af, omdat de verzekeringsarts in het kader van een beslissing op een WIA-aanvraag daarover geen oordeel hoeft te vellen. Ook het feit dat [geïntimeerde] tegelijkertijd wel in staat was om (gedeeltelijk) in zijn eigen praktijk te werken, maakt het oordeel van het hof niet anders. De medische klachten en beperkingen van [geïntimeerde] hielden, zoals hierboven overwogen, verband met het arbeidsconflict met zijn werkgever zodat het logisch is dat die klachten en beperkingen niet of minder speelden bij het werken in zijn eigen praktijk.
5.4.
Met
grief 2bestrijdt [appellanten] het oordeel van de kantonrechter dat het feit dat [geïntimeerde] door het UWV geschikt wordt geacht voor maatgevende arbeid, niet betekent dat hij ook geschikt wordt geacht voor de bedongen arbeid bij de eigen werkgever. Onder maatgevende arbeid wordt immers het eigen werk verstaan, aldus [appellanten] . De grief faalt. Hierboven heeft het hof al uiteengezet dat voor arbeidsongeschiktheid niet is vereist dat de werknemer zijn functie in het algemeen niet kan uitoefenen maar slechts dat hij de contractueel overeengekomen arbeid niet kan verrichten. Bij de beoordeling of iemand in aanmerking komt voor een WIA-uitkering geldt een ander toetsingskader zoals vastgelegd in artikel 4 e.v. van de WIA. Op grond daarvan is iemand volledig en duurzaam arbeidsongeschikt als hij (als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van o.a. ziekte) duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Daarbij wordt dus niet onderzocht of de betrokkene geschikt is voor de bedongen arbeid bij de eigen werkgever maar wordt bezien of hij in staat is om een bepaald percentage van het maatmaninkomen te verdienen. Juist in een situatie als de onderhavige, waarin de werknemer is uitgevallen in verband met medische klachten en beperkingen als gevolg van een arbeidsconflict met de werkgever, zal het antwoord op de vraag of hij zijn eigen werk kan verrichten mogelijk verschillen van het antwoord op de vraag of hij in staat is een bepaald percentage van het maatmaninkomen te verdienen. Uit het feit dat [geïntimeerde] door het UWV geschikt wordt geacht voor maatgevende arbeid kan dus, anders dan [appellanten] betoogt, niet worden afgeleid dat hij geschikt wordt geacht voor de bedongen arbeid bij de eigen werkgever. Evenmin kan [appellanten] worden gevolgd in haar stelling dat als het zo was dat [geïntimeerde] vanwege een arbeidsconflict arbeidsongeschikt zou zijn geacht voor zijn eigen werk, dat met zoveel woorden in de rapportages zou zijn opgenomen. Voldoende is als de relatie tussen de ziekte en het arbeidsconflict uit de context in de rapportage blijkt.
5.5.
Grief 3is gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat [geïntimeerde] na einde wachttijd niet is opgeroepen door [appellanten] om te komen werken, en evenmin is opgeroepen voor het spreekuur van de bedrijfsarts om zijn arbeidsongeschiktheid nader te beoordelen. Een oproep voor het spreekuur van de bedrijfsarts lag volgens [appellanten] niet in de rede gelet op het feit dat [geïntimeerde] inmiddels volledig arbeidsgeschikt was. [appellanten] heeft [geïntimeerde] wel opgeroepen om zijn werkzaamheden te hervatten, maar zijn gemachtigde heeft daarop te kennen gegeven dat [geïntimeerde] daartoe niet zal overgaan. Bovendien dient een werknemer die is hersteld na een periode van arbeidsongeschiktheid zelf zijn werkzaamheden te hervatten en hoeft daarvoor niet te worden opgeroepen, aldus nog steeds [appellanten] . Uit het voorgaande volgt dat deze grief faalt. [geïntimeerde] was nog arbeidsongeschikt dus hoefde zijn werkzaamheden niet eigener beweging te hervatten. Evenmin hoefde [geïntimeerde] gehoor te geven aan de oproep van [appellanten] om te komen werken (indien de correspondentie tussen de gemachtigden al als zodanig zou moeten worden aangemerkt), nu hij toen nog altijd arbeidsongeschikt was.
5.6.
Uit het voorgaande volgt dat [geïntimeerde] niet verwijtbaar heeft gehandeld door te weigeren zijn werkzaamheden te hervatten. De kantonrechter heeft het verzoek om de arbeidsovereenkomst vanwege deze weigering te ontbinden, daarom terecht afgewezen. Omdat het hof niet tot een beëindiging van de arbeidsovereenkomst komt, komt het hof aan het voorwaardelijk verzoek van [geïntimeerde] niet toe en behoeft de (overigens tardieve) grief van [appellanten] dat toekenning van een (transitie)vergoeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, geen bespreking.
5.7.
De slotsom is dat de grieven falen. [appellanten] heeft geen voldoende concreet bewijs aangeboden van stellingen die, indien bewezen, tot een andere uitkomst zouden kunnen leiden, zodat haar bewijsaanbod wordt gepasseerd. De bestreden beschikking zal worden bekrachtigd. [appellanten] is in het hoger beroep in het ongelijk gesteld en zal daarom worden veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep, zoals in het dictum vastgesteld.

6.Beslissing

Het hof:
bekrachtigt de bestreden beschikking;
veroordeelt [appellanten] en [appellant 2] hoofdelijk in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 373,00 aan verschotten, op € 2.580,00 voor salaris en op € 189,00 voor nasalaris, te vermeerderen met € 98,00 voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van deze beschikking plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente, indien niet binnen veertien dagen na deze beschikking dan wel het verschuldigd worden van de nakosten aan de kostenveroordeling is voldaan;
verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het anders of meer in hoger beroep verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. R.L. de Graaff, mr. A.L. Bervoets en mr. E. Verhulp en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2026.