Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:1610

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
10 juni 2026
Publicatiedatum
16 juni 2026
Zaaknummer
23-003182-23
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 lid 2 WVWArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging gevangenisstraf voor poging zware mishandeling en vernieling na achtervolging

In hoger beroep heeft het gerechtshof Amsterdam het vonnis van de rechtbank Amsterdam bevestigd, met aanpassing van de straf en de vordering van de benadeelde partij. De verdachte reed met hoge snelheid op de auto van zijn ex-partner in, na een achtervolging, wat leidde tot zware mishandeling en vernieling. De rechtbank veroordeelde hem tot een gevangenisstraf van 96 dagen en een taakstraf, maar het hof legde een gevangenisstraf van vijf maanden op, waarvan twee maanden voorwaardelijk.

Het hof oordeelde dat de verdachte bewust de situatie heeft gecreëerd waarin een aanrijding onvermijdelijk was, ondanks het remmen kort voor de botsing. De verdachte gebruikte een ongeldig rijbewijs en had eerder soortgelijke veroordelingen. Het hof legde ook een contactverbod op met het slachtoffer en een ontzegging van de rijbevoegdheid.

De benadeelde partij vorderde schadevergoeding voor materiële en immateriële schade. Het hof kende €8.850,55 aan materiële schade toe voor de total loss verklaarde auto en €5.500,00 aan immateriële schade wegens lichamelijk letsel en psychische gevolgen, waaronder PTSS. De wettelijke rente werd vanaf 26 augustus 2022 toegewezen.

De straf en maatregelen zijn opgelegd met inachtneming van de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep. Het arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 10 juni 2026.

Uitkomst: De verdachte is veroordeeld tot vijf maanden gevangenisstraf waarvan twee voorwaardelijk, een taakstraf, ontzegging rijbevoegdheid en schadevergoeding aan het slachtoffer.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-003182-23
datum uitspraak: 10 juni 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 22 november 2023 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers
13-194977-22 (zaak A) en 13-243683-21 (zaak B) tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2000,
adres: [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
27 mei 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsvrouw naar voren hebben gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de straf en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij – in zoverre zal het vonnis worden vernietigd – en met dien verstande dat het hof:
  • de bewijsoverweging van de rechtbank aanvult;
  • de kwalificatie aanpast en
  • artikel 55 van Pro het Wetboek van Strafrecht (Sr) toevoegt aan de toepasselijke wettelijke voorschriften.

Aanvulling op de bewijsoverweging van de rechtbank

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank niet is ingegaan op het feit dat de verdachte flink op de rem heeft getrapt en daardoor uit is gekomen op een snelheid van
38 kilometer per uur (km/u) op het moment van de impact.
Het hof overweegt als volgt.
Met de rechtbank constateert het hof op basis van de VOA-rapportage in het dossier dat de verdachte op een rechte weg van 120 meter lengte met vrij zicht gedurende ongeveer zeven seconden met zeer hoge snelheid recht op de Mercedes van de slachtoffers is afgereden.
Het hof stelt op basis van het procesdossier vast dat de verdachte vijf seconden voor de crash met een snelheid van 106,21 km/u en op het moment van de crash met een snelheid van 38,07 km/u heeft gereden (dossierpagina 165). Uit dit gegeven blijkt dat de verdachte weliswaar heeft afgeremd voordat hij met zijn voertuig tegen het voertuig van de slachtoffers is aangereden, maar op een veel te laat moment en volstrekt onvoldoende. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de verdachte, door met deze zeer hoge snelheid op de Mercedes af te rijden, minst genomen bewust de situatie heeft doen ontstaan waarin hij niet op tijd meer kon remmen teneinde een aanrijding te voorkomen. Het scenario dat sprake is geweest van een ongeluk acht het hof onaannemelijk mede gezien de eerdere agressieve manier van rijden bij de achtervolging die aan de botsing is voorafgegaan.
Mede in het licht van de grote impact die de botsing heeft gehad op de Mercedes – hetgeen ook duidelijk te zien is op de camerabeelden – concludeert het hof dat de verdachte met een dusdanig forse snelheid (te weten: ongeveer 38 km/u) op de auto van de slachtoffers is ingereden dat daardoor de beide slachtoffers zwaar lichamelijk letsel hadden kunnen oplopen. Het hof verwerpt het verweer.

Kwalificaties

Het in zaak A onder 1 primair en onder 2 bewezenverklaarde levert op:
de eendaadse samenloop van zware mishandeling en opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.
Het in zaak A onder 3 bewezenverklaarde levert op:
overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994.
Het in zaak B bewezenverklaarde levert op:
gebruik maken van een niet op zijn naam gesteld rijbewijs.

Oplegging van straffen en maatregel

De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg in zaak A onder feit 1 primair, feit 2 en feit 3 en het in zaak B bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 96 dagen met aftrek van voorarrest in combinatie met een taakstraf voor de duur van tachtig uren subsidiair veertig dagen hechtenis. Daarnaast heeft de rechtbank de verdachte voor het in zaak A onder feit 1 primair en feit 3 bewezenverklaarde veroordeeld tot een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van twee jaren waarvan één jaar voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Ten aanzien van het in zaak A onder feit 1 primair bewezenverklaarde heeft de rechtbank aan de verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel voor de duur van twee jaren opgelegd, inhoudende dat de verdachte op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of onderhouden met [benadeelde partij] en deze maatregel dadelijk uitvoerbaar verklaard.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het in zaak A onder feit 1 primair (impliciet subsidiair), feit 2 en feit 3 en het in zaak B tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden waarvan twee maanden voorwaardelijk met aftrek van voorarrest en een proeftijd van twee jaren in combinatie met een taakstraf voor de duur van tachtig uren subsidiair veertig dagen hechtenis en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 24 maanden waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Ook heeft de advocaat-generaal gevorderd dat als bijzondere voorwaarde een contactverbod met mevrouw [benadeelde partij] zal worden opgelegd.
De raadsvrouw heeft het hof verzocht om bij een bewezenverklaring de straf van de rechtbank over te nemen, maar met een geheel voorwaardelijke rijontzegging en zonder vrijheidsbeperkende maatregel.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling door opzettelijk met zijn auto – na een achtervolging waarbij ook een gevaarlijke situatie voor andere weggebruikers ontstond – met een forse snelheid in te rijden op de auto waarin zijn ex-partner en haar nicht als inzittenden zaten. Door zijn handelen heeft de verdachte angst en letsel teweeggebracht en een inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers. De ervaring leert dat slachtoffers van dergelijk geweld naast fysieke gevolgen vaak ook nog lange tijd psychische nadelige gevolgen ervaren. Uit de (medische) stukken in het dossier blijkt dat dit ook bij [benadeelde partij] het geval is. Naast een groot gevoel van onveiligheid voor de slachtoffers moet het ook voor omstanders heftig zijn geweest om dit te zien. Dat het niet erger is afgelopen is niet aan verdachte te danken. Het hof rekent dit de verdachte zwaar aan. Met dit inrijden heeft de verdachte zich tevens schuldig gemaakt aan opzettelijke vernieling van de Mercedes waarin de slachtoffers zaten. Daarnaast heeft hij gereden met een ongeldig verklaard rijbewijs. Op 1 september 2021 heeft de verdachte zich tot slot ook schuldig gemaakt aan het tonen van een niet op zijn naam gesteld rijbewijs.
De verdachte is eerder onherroepelijk veroordeeld voor soortgelijke feiten. Het hof weegt dit mee in het nadeel van de verdachte. In beginsel acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden passend.
Het hof heeft gelet op de omstandigheid dat de redelijke termijn voor berechting als bedoeld in artikel 6 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) is overschreden. Namens de verdachte is op 4 december 2023 hoger beroep ingesteld, waardoor de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn op die datum is aangevangen. Het hof doet op 10 juni 2026 uitspraak, waardoor de redelijke termijn in hoger beroep met ongeveer zes maanden is overschreden. Vanwege de geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep ziet het hof aanleiding om de duur van de gevangenisstraf te matigen en een deel van de gevangenisstraf in voorwaardelijke vorm op te leggen.
Het hof verbindt aan de gevangenisstraf een contactverbod met [benadeelde partij] als bijzondere voorwaarde. Daartoe heeft het hof acht geslagen op de aard en ernst van feit 1 in zaak A, de aard van de contacten tussen de verdachte en [benadeelde partij] zoals die uit het dossier zijn gebleken (ook nog na deze feiten), en hetgeen over (de huidige stand van zaken in) die contacten naar voren is gebracht tijdens de zitting in hoger beroep door de advocaat van [benadeelde partij] en de verdachte.
Met de rechtbank en de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat naast een gevangenisstraf een taakstraf en een ontzegging van de rijbevoegdheid van na te noemen duur moeten worden opgelegd. Een deel van deze ontzegging zal voorwaardelijk worden opgelegd met een proeftijd van twee jaren. Het hof beoogt hiermee de verdachte ervan te doordringen niet opnieuw de fout in te gaan.
Het hof acht, alles afwegende, de navolgende straffen en maatregel passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 55, 57, 63, 231, 302 en 350 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 9, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 18.850,55 bestaande uit € 8.850,55 aan materiële schade en
€ 10.000,00 aan immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 11.350,55 bestaande uit € 8.850,55 aan materiële schade en € 2.500,00 aan immateriële schade. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de vordering ter zake van de materiële schade volledig dient te worden toegewezen. Ten aanzien van de vordering ter zake van de immateriële schade heeft zij opgemerkt dat de Rotterdamse Schaal van toepassing is. Volgens de advocaat-generaal is categorie (d) onder PTSS van toepassing, waaruit een vergoeding volgt van €2.675,00 tot € 5.500,00 aan immateriële schade.
De raadsvrouw heeft het hof verzocht de vordering toe te wijzen conform de beslissing van de rechtbank.
Het hof overweegt als volgt.
Materiële schade
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks materiële schade heeft geleden tot een bedrag van € 8.850,55, nu de Mercedes van de benadeelde partij door het incident total loss is verklaard. De vordering tot materiële schade is door de verdediging niet betwist. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.
Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.
Immateriële schade
Uit het dossier, waaronder de door de benadeelde partij aangeleverde medische stukken, blijkt dat zij door het handelen van de verdachte lichamelijk letsel als bedoeld in art. 106 onder Pro b van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft opgelopen in de vorm van pijn aan haar nek, hoofd en hand. Daarnaast heeft de benadeelde partij door het handelen van de verdachte psychische gevolgen ondervonden in de zin van ‘op andere wijze in haar persoon aangetast’ als bedoeld in art. 106 onder Pro b BW: uit de toelichting op de immateriële schade blijkt genoegzaam dat de benadeelde partij na het incident niet goed kon slapen en angstig, snel in paniek en depressief was. Ook is er blijkens de aangeleverde stukken PTSS bij haar geconstateerd en moest zij zich onder behandeling laten stellen van een psycholoog. De situatie heeft een grote invloed gehad op haar dagelijkse leven. Hiermee is voldoende onderbouwd dat de benadeelde partij immateriële schade heeft opgelopen.
Op grond van artikel 6:106 onder Pro b BW (oplopen lichamelijk letsel en op andere wijze in haar persoon aangetast) heeft de benadeelde partij dan ook recht op een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding. Naast de hiervoor genoemde omstandigheden heeft het hof bij deze begroting ook gelet op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend en op de zogeheten Rotterdamse schaal. Al met al acht het hof een bedrag van € 5.500,00 billijk en zal de vordering tot dit bedrag worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen datum.
Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de straf en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
5 (vijf) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot
2 (twee) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.
Stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met
[benadeelde partij], geboren op [geboortedag 2] 2000.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
80 (tachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
40 (veertig) dagen hechtenis.
Ontzegt de verdachte ter zake van het in de zaak met parketnummer 13-194977-22 onder 1 primair en 3 bewezenverklaarde de
bevoegdheid motorrijtuigen te besturenvoor de duur van
2 (twee) jaren.
Bepaalt dat een gedeelte van de bijkomende straf van ontzegging, groot
1 (één) jaar, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het in de zaak met parketnummer 13-194977-22 onder 1 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 14.350,55 (veertienduizend driehonderdvijftig euro en vijfenvijftig cent) bestaande uit € 8.850,55 (achtduizend achthonderdvijftig euro en vijfenvijftig cent) materiële schade en € 5.500,00 (vijfduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet ontvankelijk in de vordering is.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 13-194977-22 onder 1 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 14.350,55 (veertienduizend driehonderdvijftig euro en vijfenvijftig cent) bestaande uit € 8.850,55 (achtduizend achthonderdvijftig euro en vijfenvijftig cent) materiële schade en € 5.500,00 (vijfduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 96 (zesennegentig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op
26 augustus 2022.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. C.P.E.M. Fonteijn-van der Meulen, mr. E.J Hofstee en mr. W.N. Ferdinandusse, in tegenwoordigheid van mr. S.B. Zoet, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 10 juni 2026.
mrs. C.P.E.M. Fonteijn-van der Meulen en W.N. Ferdinandusse zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.