ECLI:NL:GHAMS:2026:161

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
27 januari 2026
Publicatiedatum
23 januari 2026
Zaaknummer
200.354.749
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 107 lid 1 Wna
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens te late indiening beroepschrift tegen beslissing kamer notariaat

Appellant heeft tegen een beslissing van de kamer voor het notariaat een beroepschrift ingediend, maar dit was niet binnen de wettelijke beroepstermijn van dertig dagen na dagtekening van de beslissing. De kamer had de beslissing op 26 maart 2025 verzonden, waarna de beroepstermijn liep tot 25 april 2025. Het beroepschrift werd echter pas op 15 mei 2025 ontvangen door het hof.

Appellant voerde aan dat de brief met de beslissing op een onjuist adres was gestuurd, waardoor zij de beslissing pas op 23 april 2025 ontving. Zij stelde dat de beroepstermijn daarom pas vanaf dat moment moest lopen. Het hof oordeelde dat de termijn slechts met veertien dagen verlengd kan worden na de juiste ontvangst, conform vaste rechtspraak van de Hoge Raad. Deze verlengde termijn eindigde op 7 mei 2025, waarna het beroepschrift te laat was ingediend.

Het hof stelde vast dat appellant geen actie had ondernomen in de periode tussen ontvangst van de beslissing en het indienen van het beroepschrift. De onjuiste adressering was een apparaatsfout, maar de passiviteit van appellant en haar verkeerde inschatting van de uitspraakdatum waren voor haar eigen risico. Daarom werd het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard en niet inhoudelijk behandeld.

Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening van het beroepschrift.

Uitspraak

beslissing
___________________________________________________________________ _ _
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht
zaaknummer : 200.354.749/01 NOT
nummers eerste aanleg : 24-14, 24-15, 24-16 en 24-17
beslissing van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van 27 januari 2026
inzake
[appellant],
wonend te [plaats 1] ,
appellante,
tegen

1.[geïntimeerde 1] ,

kandidaat-notaris te [plaats 2] ,
2.
[geïntimeerde 2],
destijds notaris te [plaats 2] , thans oud-notaris,
3.
[geïntimeerde 3],
notaris te [plaats 2] ,
4.
[geïntimeerde 4],
toegevoegd notaris te [plaats 2] ,
geïntimeerden,
gemachtigde: mr. S. Schauwaert, advocaat te Amsterdam.
Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerden] genoemd.

1.De zaak in het kort

[appellant] heeft haar beroepschrift niet binnen de beroepstermijn van dertig dagen (artikel 107 lid 1 Wet Pro op het notarisambt) bij het hof ingediend. De vraag die het hof als eerste moet beantwoorden is of het hoger beroep toch ontvankelijk is. Het hof is van oordeel dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is, zodat het hoger beroep van [appellant] niet-ontvankelijk is en dus niet inhoudelijk zal worden behandeld.

2.Het geding in hoger beroep

2.1.
[appellant] heeft een pro forma beroepschrift – met dagtekening 12 mei 2025 – bij het hof ingediend tegen de beslissing van de kamer voor het notariaat in het ressort Den Haag (hierna: de kamer) van 26 maart 2025 tussen partijen gegeven onder bovengenoemd nummer (ECLI:NL:TNORDHA:2025:8), welk beroepschrift op 15 mei 2025 door het hof is ontvangen. Op 6 juni 2025 heeft [appellant] een aanvullend beroepschrift – met bijlagen – bij het hof ingediend. De kamer heeft in de bestreden beslissing de klacht van [appellant] tegen [geïntimeerden] ongegrond verklaard.
2.2.
[appellant] heeft op 11 juni 2025 aanvullende gronden, die uitsluitend betrekking hebben op haar ontvankelijkheid in het hoger beroep, bij het hof ingediend. Bij e-mail van 25 juni 2025, welke is nagezonden bij brief van 28 juni 2025, heeft [appellant] nadere producties bij het hof ingediend.
2.3.
[geïntimeerden] hebben op 28 juli 2025 een verweerschrift, dat uitsluitend betrekking heeft op de ontvankelijkheid van [appellant] in het hoger beroep, bij het hof ingediend.
2.4.
[appellant] heeft op 20 oktober 2025 nadere producties bij het hof ingediend.
2.5.
Het hof heeft van de kamer de stukken van de eerste aanleg ontvangen.
2.6.
De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 20 november 2025. Het hof heeft partijen vooraf laten weten eerst alleen de ontvankelijkheid van [appellant] in haar hoger beroep te zullen behandelen. [appellant] en de gemachtigde van [geïntimeerden] zijn verschenen en hebben het woord gevoerd; [appellant] mede aan de hand van een aan het hof overgelegde pleitnota. [geïntimeerden] zijn, met berichtgeving vooraf, niet verschenen.

3.De ontvankelijkheid van het hoger beroep

3.1.
De bestreden beslissing van de kamer van 26 maart 2025 is aan [appellant] verzonden als bijlage bij een aangetekende brief van de secretaris van de kamer, welke brief is gedagtekend op 26 maart 2025. Op grond van artikel 107 lid 1 van Pro de Wet op het notarisambt dient het hoger beroep van [appellant] binnen dertig dagen na dagtekening van deze brief te zijn ingesteld. De beroepstermijn is dus gaan lopen op donderdag 27 maart 2025 en geëindigd aan het einde van vrijdag 25 april 2025. Het beroepschrift van [appellant] is op donderdag 15 mei 2025 door de griffie van het hof ontvangen. Het beroepschrift is dus na het verstrijken van de beroepstermijn ontvangen door het hof.
3.2.
De rechtszekerheid vergt dat strikt de hand wordt gehouden aan wettelijke beroepstermijnen. Het risico dat een beroepschrift na het verstrijken van de beroepstermijn door de griffie van het hof wordt ontvangen ligt bij de appellant, in dit geval [appellant] . Slechts onder bijzondere omstandigheden kan op dit uitgangspunt een uitzondering worden gemaakt. Het is aan [appellant] om bijzondere omstandigheden aan te voeren op grond waarvan de termijnoverschrijding verschoonbaar is.
3.3.
[appellant] heeft aangevoerd dat in de brief van de kamer van 26 maart 2025 een fout adres van [appellant] stond vermeld (de toevoeging “iii” dan wel “3” ontbrak bij het huisnummer) en dat zij daardoor de beslissing toen niet heeft ontvangen. [appellant] heeft de beslissing pas op woensdag 23 april 2025 ontvangen, toen zij die dag de beslissing per e-mail van de kamer ontving alsook de opnieuw verzonden brief van de kamer bij een afhaalpunt van PostNL ophaalde. Volgens [appellant] is de kamer verantwoordelijk voor de juiste bezorging van de beslissing en begon de beroepstermijn pas te lopen op het moment dat de beslissing op de juiste wijze aan haar was aangeboden. Ten slotte heeft [appellant] aangevoerd dat de kamer tijdens de mondelinge behandeling op 19 februari 2025 heeft gemeld dat op 17 april 2025 uitspraak zou worden gedaan en dus niet al op 26 maart 2025.
3.4.
[geïntimeerden] hebben in hun verweerschrift het volgende naar voren gebracht:
  • tijdens de mondelinge behandeling is door de kamer wel aangegeven dat de uitspraak kon worden verwacht op 26 maart 2025, waardoor [appellant] wist dat zij op of rond die datum de beslissing kon verwachten. [appellant] heeft daar echter niet op geacteerd;
  • [appellant] heeft niet aannemelijk kunnen maken dat ze niet op de hoogte was of had kunnen zijn van het feit dat de aangetekende brief bij het pakketpunt voor haar klaar lag;
  • door de ontvangst van de beslissing per e-mail op 23 april 2025 heeft [appellant] de beslissing binnen de appeltermijn ontvangen. Toen heeft zij in de brief van de kamer kunnen lezen dat de appeltermijn dertig dagen bedroeg na de dag van de eerste verzending van de beslissing;
  • uit niets blijkt dat [appellant] toen contact heeft opgenomen met het hof om aan te geven dat zij (pro forma) hoger beroep wilde instellen. Pas op 12 mei 2025 heeft [appellant] voor het eerst contact opgenomen met zowel de kamer als het hof om aan te geven dat zij hoger beroep wilde instellen.
3.5.
Voor de beoordeling van de ontvankelijkheid van het hoger beroep gaat het hof uit van de volgende feiten:
  • [appellant] is woonachtig op het adres “ [straat] [nummer] iii” te [plaats 1] (iii duidt daarbij op de woning op de derde verdieping);
  • de kamer heeft op 26 maart 2025 de beslissing per aangetekende post aan [appellant] gestuurd op het adres “ [straat] [nummer] ” te [plaats 1] ;
  • volgens de track & trace van PostNL is de bezorging van deze brief op 27 maart 2025 niet gelukt en lag de brief sinds 28 maart 2025 bij een PostNL-punt in [plaats 1] ;
  • omdat de brief niet werd afgehaald is deze op 15 april 2025 door PostNL teruggestuurd naar de kamer, waar de brief op 16 april 2025 is ontvangen;
  • de kamer heeft de brief van 26 maart 2025 op 18 april 2025 opnieuw per aangetekende post aan [appellant] gestuurd op het adres “ [straat] [nummer] ” te [plaats 1] ;
  • volgens de track & trace van PostNL is de bezorging van deze brief op 19 april 2025 niet gelukt en lag de brief sinds 23 april 2025 bij een PostNL-punt in [plaats 1] ;
  • de kamer heeft bij e-mail van 23 april 2025 (11:15 uur) de beslissing aan [appellant] gestuurd;
  • [appellant] heeft op 23 april 2025 om 13:56 uur de brief van de kamer met de beslissing afgehaald bij het PostNL-punt;
  • [appellant] heeft op 12 mei 2025 de volgende e-mail aan de kamer gestuurd:

Ik neem aan dat het Gerechtshof weet dat ik pas ongeveer een maand later de beslissing ontvangen heb. Zo niet, kunt u dan een bericht aan het Gerechtshof sturen aub?
Ik zal zorgen dat er donderdag uiterlijk een brief bij het Gerechtshof wordt afgeleverd, waarin ik stel dat ik in beroep ga.
3.6.
Hetgeen door [appellant] is aangevoerd, acht het hof onvoldoende om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. Onduidelijk is immers gebleven waarom [appellant] , nadat zij de beslissing van de kamer op 23 april 2025 alsnog per e-mail van de kamer had ontvangen, niet ervoor heeft kunnen zorgdragen dat het beroepschrift (al dan niet pro forma) alsnog binnen de beroepstermijn bij het hof werd ingediend. [appellant] had daar nog twee dagen de tijd voor. Nu, ook in Den Haag, van algemene bekendheid verondersteld mag worden dat in [plaats 1] veelal sprake is van etagewoningen met gemeenschappelijke portieken waarin zich verschillende brievenbussen bevinden – hetgeen wordt bevestigd door het feit dat de kamer eerdere correspondentie wel aan het adres [straat] [nummer] III had gericht – acht het hof hier sprake van een zogenaamde apparaatsfout. Echter ook daarvan uitgaande is de termijnoverschrijding naar het oordeel van het hof nog steeds niet verschoonbaar. In een zodanig geval dient namelijk volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad de beroepstermijn verlengd te worden met een termijn van veertien dagen na de dag van (de juiste) verstrekking van de beslissing (vgl. ECLI:NL:HR:2003:AN8489, r.o. 3.2.). Anders dan [appellant] heeft verondersteld gaat er dus geen volledige beroepstermijn lopen op de dag waarop zij de aanvankelijk niet op de juiste wijze aan haar verzonden beslissing heeft ontvangen. De rechtszekerheid brengt volgens vaste rechtspraak met zich mee dat slechts een beperkte verlenging mogelijk is, namelijk van veertien dagen. Deze nieuwe termijn van veertien dagen is op 7 mei 2025 verstreken. Nu het beroepschrift pas op 15 mei 2025 door het hof is ontvangen, is dit niet tijdig geschied.
3.7.
Het hof kan op basis van de overgelegde stukken niet vaststellen dat [appellant] enige actie heeft ondernomen in de periode tussen 23 april 2025 en 12 mei 2025. [appellant] heeft aangenomen dat de kamer het hof zou informeren over de latere ontvangst van de beslissing door [appellant] . Naar het oordeel van het hof moet deze aanname voor rekening en risico van [appellant] komen. De onjuiste adressering van de brief van 26 maart 2025 door de kamer was onzorgvuldig, maar dat neemt de passiviteit van [appellant] in genoemde periode (van ongeveer drie weken) niet weg. Temeer omdat uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij de kamer is gebleken dat 26 maart 2025 (en dus niet 17 april 2025) als uitspraakdatum is genoemd. Dat [appellant] zich in de uitspraakdatum in deze zaak heeft vergist doordat er in haar andere tuchtzaak (bij de kamer voor het notariaat in [plaats 1] ) de datum van 17 april 2025 is genoemd, dient voor haar eigen rekening te komen.
Conclusie
3.8.
Op basis van het vorenstaande is het hof van oordeel dat het beroepschrift te laat is ingediend en dat van feiten of omstandigheden die de overschrijding van de beroepstermijn verschoonbaar doen zijn, niet is gebleken. Het hoger beroep van [appellant] zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.

4.Beslissing

Het hof verklaart het hoger beroep van [appellant] tegen de beslissing van de kamer van 26 maart 2025 niet-ontvankelijk.
Deze beslissing is gegeven door mrs. H.T. van der Meer, O.J. van Leeuwen en J.A.H. Bruggemann en in het openbaar uitgesproken op 27 januari 2026 door de rolraadsheer.