ECLI:NL:GHAMS:2026:16

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
6 januari 2026
Publicatiedatum
6 januari 2026
Zaaknummer
200.339.897
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging van de beschikking tot verkoop van een beslagen aandeel en ontheffing van statutaire bepalingen

In deze zaak heeft het Gerechtshof Amsterdam op 6 januari 2026 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een beschikking van de rechtbank Amsterdam van 28 maart 2024. De zaak betreft een verzoek van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] om te bepalen dat een beslagen aandeel in [appellant 1] kan worden verkocht en dat ontheffing wordt verleend van de statutaire bepalingen die de overdracht en vervreemding van het aandeel reguleren. De rechtbank had dit verzoek toegewezen, wat leidde tot het hoger beroep van [appellant 1] en [appellant 2]. Het hof heeft de grieven van appellanten verworpen en de beschikking van de rechtbank bekrachtigd. Het hof oordeelde dat de belangen van de executanten, [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2], zwaarder wegen dan die van de appellanten, en dat de statutaire blokkeringsregeling niet in de weg staat aan de executoriale verkoop van het aandeel. De rechtbank had eerder bepaald dat het aandeel onderhands of openbaar mag worden verkocht, en dat de deurwaarder nadere regels kan vaststellen voor een ordentelijk verloop van de executie. De kosten van het hoger beroep zijn voor rekening van de appellanten, die als in het ongelijk gestelde partij zijn aangemerkt.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer: 200.339.897/01
zaaknummer rechtbank C/13/739116/HA RK 23-284, en C/13/746444/HA RK 23-58
beschikking van de meervoudige burgerlijke kamer van 6 januari 2026
inzake

1.[appellant 1] ,

gevestigd te [plaats 1] ,
2. [appellant 2] ,
wonende te [plaats 1] ,
verzoekers in hoger beroep,
advocaten: mrs. P.L. Tjiam en E.R van der Velde te Amsterdam,
partijen worden hierna [appellant 1] en [appellant 2] genoemd,
tegen

1.[geïntimeerde 1] ,

wonende te [plaats 2] , Zwitserland,
2. [geïntimeerde 2] ,
gevestigd te [plaats 3] ,
verweerders in hoger beroep,
advocaten: mrs. E.E.U. Vroom en I. Koudstaal te [plaats 1] ,
partijen worden hierna [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] genoemd,
met belanghebbenden

1.[gerechtsdeurwaarder 1] ,

wonende te [plaats 4] , Qatar,
advocaat: mr. D.C. Roessingh te Amsterdam ,
2. [gerechtsdeurwaarder 2] ,
gerechtsdeurwaarder te Amsterdam ,
belanghebbenden worden hierna [naam 1] en de deurwaarder genoemd.

1.Het geding in hoger beroep

[appellant 1] en [appellant 2] zijn bij beroepschrift met bijlagen onder aanvoering van zes grieven in hoger beroep gekomen van de beschikking die de rechtbank Amsterdam op 28 maart 2024 onder bovenvermeld zaaknummer heeft gegeven. Tevens hebben zij een incident tot schorsing van de tenuitvoerlegging ex art. 360 lid 2 Rv opgeworpen. Het beroepschrift strekt ertoe, zakelijk weergegeven, dat het hof, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,
In de hoofdzaak:
I. de genoemde beschikking van de rechtbank zal vernietigen en, opnieuw recht doende:
II.
primairde verzoeken van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] alsnog integraal zal afwijzen, en
subsidiairde verzoeken van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] slechts zal toewijzen met inachtneming van de in hoofdstukken 9 - 12 van het beroepschrift genoemde beperkingen en waarborgen.
III. [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] hoofdelijk zal veroordelen in de kosten van beide instanties.
In het incident:
I. de tenuitvoerlegging van de beschikking van de rechtbank zal schorsen tot het eindarrest in de hoofdzaak.
II. [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] hoofdelijk zal veroordelen in de kosten van het incident.
Op 30 april 2024 is een verweerschrift in het incident met producties van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] ingekomen, met als conclusie afwijzing van het verzoek tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beschikking van 28 maart 2024.
De mondelinge behandeling van het schorsingsincident heeft plaatsgevonden op
24 juni 2024. Bij die gelegenheid hebben mrs. Tjiam en Van der Velde namens [appellant 1] en [appellant 2] het woord gevoerd aan de hand van een pleitnotitie die is overgelegd. Ook mrs. Vroom, Koudstaal en J.M. Schepel hebben, namens [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] , aan de hand van een pleitnota het woord gevoerd. Ook die pleitnotities zijn overgelegd. Beide partijen hebben voorafgaand aan de mondelinge behandeling nog producties in het geding gebracht.
Dit hof heeft vervolgens bij beschikking in het incident van 16 juli 2024 de tenuitvoerlegging van de bestreden beschikking geschorst tot het hof in de hoofdzaak een eindbeschikking heeft gegeven, en de beslissing over de proceskosten aangehouden tot de eindbeschikking in de hoofdzaak.
Vervolgens is een verweerschrift in de hoofdzaak met producties van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] ingekomen.
De mondelinge behandeling van de hoofdzaak heeft plaatsgevonden op 12 maart 2025. Bij die gelegenheid hebben mrs. Tjiam en Van der Velde namens [appellant 1] en [appellant 2] het woord gevoerd aan de hand van een pleitnotitie die is overgelegd. Ook mrs. Vroom, Koudstaal en J.M. Schepel hebben, namens [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] , aan de hand van een pleitnotitie het woord gevoerd. Ook die pleitnotitie is overgelegd. Beide partijen hebben voorafgaand aan de mondelinge behandeling nog producties in het geding gebracht, van de zijde van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] producties 59-69 en van de zijde van [appellant 1] en [appellant 2] producties 45-50.

2.Feiten

Het hof gaat uit van de volgende feiten:
a. Bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis van 26 juli 2023 van de rechtbank [plaats 1] is [naam 1] veroordeeld tot betaling van € 46.549.430 aan [geïntimeerde 1] en € 28.800.000 aan [geïntimeerde 2] , te vermeerderen met rente en kosten. [naam 1] is daarvan op 25 oktober 2023 in hoger beroep gekomen. Deze hoger beroepszaak is geregistreerd onder nummer 200.334.293/01.
b. [naam 1] heeft niet vrijwillig aan dit vonnis voldaan.
c. Bij exploit van 27 juli 2023 is dit vonnis door de deurwaarder aan [naam 1] betekend met het bevel om binnen twee dagen na betekening tot betaling over te gaan. Van deze gelegenheid om vrijwillig aan de veroordeling uit het vonnis te voldoen, heeft [naam 1] geen gebruik gemaakt.
d. [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] hebben acht beslagexploiten uitgebracht aan diverse vennootschappen waarvan zij vermoeden dat [naam 1] aandelen houdt in deze vennootschappen. Op 11 augustus 2023 hebben [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] executoriaal beslag gelegd op alle aandelen die [naam 1] houdt in [appellant 1] .
e. Bij exploot van 18 augustus 2023 is aan [naam 1] mededeling gedaan van de gelegde executoriale aandelenbeslagen onder [appellant 1] .
f. In een notariële verklaring van 29 augustus 2023 staat dat de naam [naam 1] voorkomt in het aandeelhoudersregister van [appellant 1] , als houder van één gewoon aandeel in het kapitaal van [appellant 1] .
g. De statuten van [appellant 1] bevatten in art. 9 een blokkeringsregeling, bestaande uit een aanbiedingsregeling, die niet geldt indien alle aandeelhouders schriftelijk hun goedkeuring aan de vervreemding hebben gegeven.
h. [naam 1] en [appellant 2] zijn broers.

3.Beoordeling

3.1
[geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] hebben de rechtbank verzocht te bepalen dat tot verkoop en overdracht van het door hen in beslag genomen aandeel in [appellant 1] kan worden overgegaan en op welke wijze en onder welke voorwaarden deze verkoop dient plaats te vinden. Tevens hebben zij verzocht om de statutaire blokkeringsregeling van [appellant 1] buiten toepassing te verklaren. Daaraan hebben zij ten grondslag gelegd dat zij bij exploot van 11 augustus 2023 executoriaal beslag hebben laten leggen op het aandeel dat door [naam 1] wordt gehouden in [appellant 1] . [naam 1] heeft niet voldaan aan de tegen hem uitgesproken veroordeling in het vonnis van 26 juli 2023, zodat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] er belang bij hebben zich op de opbrengst van het aandeel [appellant 1] te kunnen verhalen.
3.2
De rechtbank heeft het verzoek van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] bij beschikking van 28 maart 2024 toegewezen, als volgt:
5.1.
bepaalt dat het ten laste van [naam 1] in beslag genomen aandeel [appellant 1]
Industries ter executie kan worden verkocht en dat ontheffing wordt verleend van de voor
overdracht en vervreemding van het aandeel voorgeschreven statutaire bepalingen, met
inachtneming van hetgeen hierna is bepaald,
5.2.
wijst [naam 2] , gerechtsdeurwaarder bij het gerechtsdeurwaarderskantoor
[bedrijf 1] te [plaats 1] , dan wel een door hem aan te wijzen vervangende
deurwaarder verbonden aan dit kantoor (hierna: de deurwaarder), aan als deurwaarder met
de executie belast,
5.3.
bepaalt dat het aandeel onderhands dan wel openbaar mag worden verkocht,
5.4.
bepaalt dat de deurwaarder nadere regels kan vaststellen in het kader van een
ordentelijk verloop van het executietraject en de executie,
5.5.
bepaalt de termijn waarbinnen de verkoop en overdracht van het aandeel dient plaats te vinden op één jaar nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden,
5.6.
bepaalt dat deze termijn, indien nodig, op verzoek, door de rechtbank kan worden verlengd, en dat een verzoek hiertoe de rechtbank uiterlijk op 27 maart 2025 dient te bereiken,
5.7.
bepaalt dat [naam 1] en [appellant 1] Industries hun medewerking aan het executietraject, de verkoop en de overdracht van het aandeel dienen te verlenen, door onder meer het steeds op eerste verzoek van de deurwaarder onverwijld nakomen van de regels onder 5.4,
5.8.
bepaalt dat [naam 1] en [appellant 1] Industries steeds op het eerste verzoek van de deurwaarder binnen vijf (5) kalenderdagen aan hem ter beschikking stellen alle naar het oordeel van de deurwaarder voor de waardering, verkoop en overdracht van het aandeel relevante financiële en overige gegevens en bescheiden,
5.9.
wijst af hetgeen meer of anders is verzocht,
5.10.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
3.3
Het hof bespreekt hierna de zes tegen de beschikking van de rechtbank door [appellant 2] en [appellant 1] aangevoerde grieven.
Misbruik van recht?
3.4
Met
grief 1betogen [appellant 2] en [appellant 1] dat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] met het executoriaal beslag op het aandeel [appellant 1] misbruik van recht maken als bedoeld in art. 3:13 lid 2 BW. Zij voeren daarvoor kort samengevat het volgende aan.
- [naam 1] is veroordeeld tot terugbetaling van geleende bedragen aan [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] ter grootte van € 46.549.430 respectievelijk € 28.800.000 exclusief rente. Volgens de
fairness opinievan BDO van 21 maart 2024 nadert de waarde van het totale aandelenkapitaal in [appellant 1]
nihilen in elk geval
minder dan € 1.000.Nu het aandelenkapitaal in [appellant 1] is verdeeld in 100.000 aandelen, is de waarde van één aandeel minder dan één eurocent. Bovendien kunnen de executiekosten niet worden voldaan uit de executieopbrengst. Kortom, uit de waarde van het beslagobject in verhouding tot de vordering en de executiekosten volgt dat het beslag niet bedoeld kan zijn voor het nemen van verhaal.
- Omdat [appellant 2] , die 99,999% van het aandelenkapitaal in [appellant 1] in handen heeft, over het aandeel wil kunnen beschikken heeft hij [geïntimeerde 1] bovendien een bedrag van € 10.000 voor het aandeel geboden, welk aanbod werd afgeslagen hoewel dat bedrag een veelvoud is van de werkelijke waarde van het aandeel. Ook daarmee maakt [geïntimeerde 1] misbruik van recht.
- Ten slotte voeren [appellant 2] en [appellant 1] aan dat [geïntimeerde 1] geen zuivere intenties heeft met het beslag, gelet op de achtergrond van de persoon [geïntimeerde 1] , de lastercampagne jegens de Solid Nature-groep (hierna: [appellant 1] -groep), [appellant 2] en [naam 1] en zijn weigering om het aanbod van € 10.000 te accepteren. Alles wijst er op dat [geïntimeerde 1] geen beslag legt om verhaal voor zijn vorderingen te nemen, maar om, al dan niet via een stroman, een aandeelhouderspositie te krijgen, zodat hij in beginsel gerechtigd zou zijn tot het verkrijgen van informatie.
3.5
Het hof oordeelt als volgt. [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] hebben bij wijze van verhaal voor hun vorderingen op [naam 1] ten laste van hem executoriaal beslag gelegd op een aan hem toebehorend aandeel [appellant 1] op grond van het uitvoerbaar bij voorraad verklaarde vonnis van de rechtbank Amsterdam van 26 juli 2023, en zij hebben op de voet van art. 474g Rv de rechtbank verzocht verlof te verlenen tot verkoop van dit in beslag genomen aandeel.
3.6
Op grond van art. 3:13 lid 2 BW geldt dat een bevoegdheid kan worden misbruikt door haar uit te oefenen met geen ander doel dan een ander te schaden of met een ander doel dan waarvoor zij is verleend of in geval men, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening en het belang dat daardoor wordt geschaad, naar redelijkheid niet tot die uitoefening had kunnen komen. Het betoog van [appellant 2] en [appellant 1] dat de waarde van het beslagen aandeel [appellant 1] minder dan één eurocent bedraagt - en dat daarom [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] misbruik maken van hun executiebevoegdheid- steunt op een viertal (partij)opinies van BDO, te weten de
fairness opinievan 21 maart 2024, een toelichting van 6 mei 2024, een nadere toelichting van 21 februari 2025 en ten slotte de aanvullende toelichting van 6 maart 2025.
3.7
De fairness opinion van 21 maart 2024 bevat onder meer het volgende:
‘In het kader van deze opdracht hebben wij de waarde van de aandelen in de Vennootschap geanalyseerd. Daarvoor hebben wij onder meer de jaarrekening 2022 voor het boekjaar dat is geëindigd op 31/12/2022 en de concept interne cijfers 2023 voor het boekjaar dat is geëindigd op 21/12/2023 (de “Jaarrekeningen”) beoordeeld. Deze opinie is gebaseerd op de aanname dat de informatie in de Jaarrekeningen en de overige informatie die het bestuur ons heeft verstrekt een waarheidsgetrouw en volledig beeld geeft van de financiële positie van de Vennootschap.
Op basis van onze evaluatie is de waarde van alle 100.000 aandelen in het kapitaal van de Vennootschap per 32/12/2021, 31/12/2022 en 31/12/2023 zeer beperkt en nadert nihil (minder dan € 1.000). De directie van de Vennootschap heeft bevestigd dat de waarde van de Vennootschap sinds het einde van het boekjaar 2023 niet noemenswaardig is gewijzigd. Tegen deze achtergrond overtreft de geboden koopprijs voor het Aandeel van € 10.000 naar ons oordeel ruimschoots de marktwaarde van het Aandeel. (…)’
De toelichting van 6 mei 2024 vermeldt onder meer het volgende:
1. De rol van BDO als accountant van de vennootschap:BDO is sinds 2023 accountant van de vennootschappen in de SolidNature-groep. In die hoedanigheid is BDO bekend met de administratie, de belastingaangiften en de jaarrekeningen van de vennootschap.
2. De vastgestelde jaarcijfers van de vennootschap over boekjaar 2023:(…) Inmiddels is de jaarrekening over 2023 door het bestuur vastgesteld. Op basis van de finale jaarcijfers over 2023 blijft onze opinie gelijk. (…).
3. De waarde van de deelneming in SolidNature SSC B.V.:De waarde van de deelneming van de vennootschap in SolidNature SSC B.V. bedroeg per 31 december 2022 en per 31 december 2023 één euro. (…)’
Vervolgens uit de nadere toelichting van 21 februari 2025:
‘(…)
1.
Rechtstreekse toegang tot administratie
(…) Wij hadden ten tijde van het afgeven van de fairness opinie, door middel van een eigen login rechtstreeks toegang (zowel ter plaatse als op afstand) tot de administratie van de vennootschap en van de groep waar SolidNature Luxury Groep B.V. onderdeel van uitmaakt. En dus ook tot de brongegevens waar de belastingaangiften en de jaarrekeningen van de vennootschap op zijn gebaseerd. Het is dus niet zo dat de directie documenten uit de administratie haalt en die vervolgens aan ons verstrekt. Wel is het zo dat de financiële administratie van de onderneming de informatie en documenten zelf uploadt in de digitale administratie. Dat is ook gebruikelijk. Wij gaan uit van de getrouwheid van deze informatie en documenten en hebben geen signalen gezien om daaraan te twijfelen.
(…)’
Tenslotte uit de aanvullende toelichting van 6 maart 2025:
‘Voor alle duidelijkheid: onze verklaringen van 6 mei 2024 en 21 februari 2025 dat de waarde van de deelnemingen van [appellant 1] per 31 december 2022 en per 31 december 2023 één euro per deelneming bedroeg, zijn niet gebaseerd op het geplaatste kapitaal van de deelnemingen, maar op het feit dat de netto-vermogenswaarde van de deelnemingen negatief is. Aangezien de moeder ( [appellant 1] ) geen garanties voor de deelnemingen heeft gegeven, zijn op de balans geen voorzieningen opgenomen voor deze deelnemingen. Dit neemt niet weg dat op basis van de vooruitzichten en de brongegevens, die beschikbaar waren destijds en waar we via een eigen login rechtstreeks toegang toe hadden, een winstgevende exploitatie niet kon worden voorzien. Dat betekent dat de waardering van € 1,- per deelneming (wat gebruikelijk is bij waarden van nihil) naar alle waarschijnlijk hoger ligt dan de marktwaarde).’
3.8
Deze opinies vormen geen deugdelijke grondslag voor de conclusie dat de waarde van het beslagen aandeel minder dan één eurocent bedraagt. BDO komt tot haar conclusie op basis van de
aannamedat de informatie in de Jaarrekeningen en de overige informatie die haar is verstrekt een
waarheidsgetrouw en volledigbeeld geeft van de financiële positie van [appellant 1] . Waarop die aanname berust en op grond waarvan uitgegaan zou moeten worden van een waarheidsgetrouw en volledig beeld wordt niet duidelijk. Hetzelfde geldt voor de wel erg karig gemotiveerde conclusie dat op basis van de
vooruitzichteneen
winstgevende exploitatieniet kan
worden voorzien.Het hof merkt in dit verband op dat uit de opinies van BDO niet blijkt dat een accountantscontrole heeft plaatsgevonden op basis waarvan wordt nagegaan of de jaarrekening 2023 van [appellant 1] daadwerkelijk een ‘getrouw beeld’ geeft. Dat alles klemt temeer nu als productie 47 door [appellant 2] en [appellant 1] een grotendeels zwartgelakte jaarrekening 2023 van [appellant 1] is overgelegd. Of de zwartgelakte gedeelten daaruit niet relevant zijn voor deze procedure kan het hof zonder kennisneming daarvan niet beoordelen. Kortom, dat de waarde van het aandeel nagenoeg
nihilof hooguit één eurocent bedraagt kan niet worden aangenomen enkel op basis van deze opinies en een grotendeels zwartgelakte jaarrekening [appellant 1] over 2023. Uiteindelijk zal, zoals ook de rechtbank heeft aangenomen, de marktwaarde van het aandeel via een openbare executie moeten blijken en dan zal ook kunnen blijken of de kosten van de executie hoger zijn dan de marktwaarde. Het feit dat [appellant 2] [geïntimeerde 1] al heeft aangeboden het aandeel over te nemen voor € 10.000 roept bovendien ook gerede twijfel op over de juistheid van de stelling dat de waarde van het aandeel nagenoeg
nihilzou zijn en dat dit bedrag
ruimschoots de marktwaarde van het aandeelovertreft.
3.9
Het hof verwerpt als speculatief de stelling dat [geïntimeerde 1] geen zuivere intenties heeft met het beslag, gelet op de achtergrond van de persoon [geïntimeerde 1] , de lastercampagne en zijn weigering om het aanbod van € 10.000 te accepteren. De vermeende lastercampagne is (mede) inzet van de hoger beroepen van [naam 1] in de zaak met rolnummer 200.346.181/01 (het kort geding) en de zaak met rolnummer 200.334.293/01 (de bodemzaak) waarin dit hof heden eveneens arrest wijst. In beide zaken faalt het hoger beroep van [naam 1] , zodat ook in de onderhavige zaak het beroep op de lastercampagne vergeefs is gedaan. De omstandigheid dat [geïntimeerde 1] weigert het aanbod van € 10.000 te accepteren levert evenmin een aanwijzing voor een ‘onzuivere’ intentie op, want dat staat hem alleszins vrij gelet op wat hiervoor onder 3.8 is overwogen.
3.1
Grief 1 faalt.
Belangenafweging
3.11
Met
grief 2wordt betoogd dat [geïntimeerde 1] geen verhaalsbelang heeft en dat bovendien een belangenafweging in het voordeel van [appellant 2] en [appellant 1] moet uitvallen. Door het beslag worden immers ook de belangen van derden getroffen, in het bijzonder de belangen van [appellant 1] , [naam 1] en de [appellant 1] -groep. [appellant 2] heeft al sinds maart 2019 een recht op levering van het aandeel. Daarnaast hebben [appellant 1] en de [appellant 1] -groep een zwaarwegend belang om te voorkomen dat [geïntimeerde 1] of een aan hem gelieerde entiteit aandeelhouder wordt van [appellant 1] , en een belang om de kosten van een uitkoopprocedure te voorkomen.
3.12
Het hof overweegt als volgt. Uit wat hiervoor onder grief 1 is overwogen en beslist volgt reeds dat niet kan worden gezegd dat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] geen belang (art. 3:303 BW) bij verhaal op het aandeel hebben. Wat betreft de belangenafweging geldt het volgende. [appellant 2] heeft in dat verband aangevoerd dat hij een persoonlijk recht op levering van het aandeel heeft, in verband waarmee hij, na daartoe verkregen verlof, op 27 maart 2024 conservatoir leveringsbeslag op het aandeel heeft gelegd. Op vordering van [geïntimeerde 1] heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank [plaats 1] bij vonnis van 22 mei 2024 dat beslag opgeheven en daarvan is geen hoger beroep ingesteld. Bij die stand van zaken weegt het belang van [appellant 2] om over dat ene aandeel te kunnen beschikken geenszins op tegen de belangen van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] om ter verhaal van hun vorderingen dat aandeel ter fine van executie onderhands of openbaar te kunnen verkopen. Daarbij weegt mee, dat het vonnis van de rechtbank [plaats 1] van 26 juli 2023 waarbij [naam 1] is veroordeeld tot betaling van € 46.549.430 aan [geïntimeerde 1] en € 28.800.000 aan [geïntimeerde 2] te vermeerderen met rente en kosten, in hoger beroep (in de zaak met nummer 200.334.293/01) in stand is gebleven nu het hof bij arrest van heden dit vonnis in zoverre heeft bekrachtigd. Ook de belangen van [appellant 1] en de [appellant 1] -groep wegen niet op tegen de belangen van de executanten [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] , omdat de mogelijke omstandigheid dat ‘ [geïntimeerde 1] of een andere aan hem gelieerde entiteit’ aandeelhouder wordt van [appellant 1] nu eenmaal inherent is aan het feit dat [naam 1] een substantiële vordering van de executant zonder goede redenen volledig onbetaald laat. [geïntimeerde 1] betwist overigens dat hij er op uit is zelf aandeelhouder van [appellant 1] te worden. Concrete feiten die erop duiden dat [geïntimeerde 1] met executie geen verhaal nastreeft, maar het toebrengen van schade, waaronder frustratie van de bedrijfsvoering van [appellant 1] zijn niet gesteld. Volgens [geïntimeerde 1] zelf streeft hij slechts een zo hoog mogelijke executieopbrengst na.
3.13
Grief 2 faalt eveneens.
De aanbiedingsregeling
3.14
Met
grief 3wordt de vraag aan de orde gesteld of de aanbiedingsregeling als bedoeld in art. 2:195 lid 1 BW en art. 9 lid 1 van de statuten van [appellant 1] buiten toepassing mag worden gelaten, zoals de rechtbank heeft gedaan. Op grond van de aanbiedingsregeling geldt dat een aandeelhouder die een aandeel wenst te vervreemden dit aandeel eerst te koop moet aanbieden aan de medeaandeelhouders. De rechtbank heeft geoordeeld dat de statutaire blokkeringsregeling moeilijk te rijmen is met de uitgangspunten van executoriale verkoop, dat het belang van [appellant 1] niet opweegt tegen het belang van [geïntimeerde 1] , dat de belangen van [appellant 1] en [bedrijf 2] (hierna: [bedrijf 2] ) en/of anderen niet onevenredig worden geschaad en dat de wettelijke en statutaire blokkeringsregelingen bij verkoop en levering van het beslagen aandeel buiten toepassing mogen worden gelaten. Volgens [appellant 2] en [appellant 1] is het oordeel van de rechtbank onjuist, (1) gelet op het uitgangspunt van art. 474g lid 4 Rv, (2) omdat het belang van [geïntimeerde 1] niet
bepaaldelijkvordert dat de aanbiedingsregeling wordt terzijde gesteld in de zin van art. 2:195 lid 7 BW en (3) omdat de belangen van [appellant 2] , [appellant 1] en de [appellant 1] -groep onevenredig worden geschaad door terzijdestelling van de aanbiedingsregeling. Het hof overweegt als volgt.
3.15
Op grond van art. 474g lid 4 Rv geldt als hoofdregel dat wettelijke en statutaire bepalingen ter zake van vervreemding van aandelen in acht moeten worden genomen, behoudens voor zover inachtneming van deze bepalingen de executoriale verkoop onmogelijk zou maken. Voor aandelen in een besloten vennootschap geldt op grond van art. 2:195 lid 1 BW bovendien de hoofdregel dat voor een geldige overdracht van aandelen is vereist dat de aandeelhouder die een of meer aandelen wil vervreemden, deze eerst aanbiedt aan zijn mede-aandeelhouders, tenzij de statuten anders bepalen. Art. 2:195 lid 7 BW formuleert daarop een uitzondering. Op grond van die bepaling kan de rechter, desverzocht, wettelijke en statutaire bepalingen inzake de overdracht buiten toepassing verklaren waar de belangen van de executant dit bepaaldelijk vorderen en de belangen van anderen daardoor niet onevenredig worden geschaad. [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] hebben verzocht om buitentoepassingverklaring van de statutaire (art. 9 lid 1) aanbiedingsregeling.
3.16
De kernvraag is dan of de belangen van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] als executant een buitentoepassingverklaring van de wettelijke en statutaire blokkeringsregeling ‘bepaaldelijk vorderen’ en de belangen van derden (dat zijn in dit geval in ieder geval [appellant 2] en [appellant 1] ) daardoor ‘niet onevenredig worden geschaad.’ Naar het oordeel van het hof vorderen de belangen van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] bepaaldelijk de buitentoepassingsverklaring van wettelijke en statutaire blokkeringsregeling. Dat is daarom het geval, omdat de gezamenlijke vordering uit hoofde van verstrekte geldleningen een substantieel bedrag betreft van ruim € 75 mio exclusief rente, andere verhaalsobjecten vooralsnog ontbreken en [naam 1] van meet af aan de deurwaarder iedere inzage in zijn financiële en vermogenspositie heeft geweigerd. Op grond van art. 475g lid 1 Rv heeft [naam 1] een informatieplicht tegenover de beslagleggende deurwaarder omtrent zijn bronnen van inkomsten. Daarnaar gevraagd heeft hij de deurwaarder in een e-mail van 4 september 2023 slechts geschreven ‘geen bronnen van inkomsten als bedoeld in art. 475g Rv te hebben’ en voor het overige zich op het standpunt gesteld dat er ‘geen plicht’ is ‘u te informeren over de vijf categorieën en breed omschreven (en dus niet gespecificeerde) vermogensbestanddelen genoemd in uw aanzegging, temeer nu ik niet woon in Nederland maar in Qatar’. Om te kunnen beoordelen of [naam 1] geen bronnen van inkomsten heeft, dient hij openheid van zaken te geven over de financiële omstandigheden waaronder hij leeft in Qatar. Ook overigens is het onjuist dat op hem geen plicht ligt om openheid van zaken te geven over zijn vermogensbestanddelen. De geldleningen is [naam 1] destijds aangegaan om te besteden aan de koop van steengroeven in Iran en de exploitatie daarvan, derhalve in het kader van zijn bedrijfsmatige activiteiten. Dat betekent dat [naam 1] op grond van art. 3:15i BW verplicht is van zijn vermogenstoestand en alles betreffende zijn bedrijf of beroep, naar de eisen van dat bedrijf of beroep, op zodanige wijze een administratie te voeren en de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers op zodanige wijze te bewaren, dat te allen tijde zijn rechten en verplichtingen kunnen worden gekend. Voor zover [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] niet behoren tot een van de categorieën van vorderingsgerechtigden tot openlegging van de administatie als bedoeld in art. 3:15j BW, kan een mogelijke grondslag daarvoor gevonden worden in art. 843a (oud) Rv.
3.17
Dan de vraag of de belangen van [appellant 2] en [appellant 1] niet onevenredig worden geschaad. Reeds gegeven het voorgaande zal daarvan niet snel sprake kunnen zijn. Volgens [appellant 2] en [appellant 1] streeft [geïntimeerde 1] geen verhaal na, maar het toebrengen van schade. [geïntimeerde 1] heeft dat betwist en het hof kan dat eenvoudigweg niet vaststellen bij gebreke van concrete feiten en omstandigheden. Hiervoor kwam in dat verband al aan de orde dat bij arrest van heden het hoger beroep van [naam 1] in de ‘lastercampagne’zaak met rolnummer 200.346.181/01 (het kort geding) geen doel treft. Voor zover moet worden aangenomen dat [appellant 2] een ouder persoonlijk recht op levering van het aandeel heeft (wat door [geïntimeerde 1] overigens wordt betwist) kan dat aan [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] als executanten niet worden tegengeworpen. De stelling dat de waarde van het aandeel minder dan één eurocent zou zijn is hiervoor (bij grief 1) al besproken en verworpen. De vrees dat [geïntimeerde 1] het aandeel in persoon wil overnemen dan wel een stroman naar voren schuift om informatie over [appellant 1] , [naam 1] Mahayri en de [appellant 1] -groep in handen te krijgen, om hun bedrijfsvoering te frustreren en op kosten te jagen is bij de grieven 1 en 2 besproken en verworpen en legt evenmin voldoende gewicht in de schaal. De conclusie is dat niet kan worden gezegd dat de belangen van [appellant 2] en [appellant 1] onevenredig worden geschaad als gevolg van de buitentoepassingverklaring van de wettelijke en statutaire blokkeringsregeling.
3.18
Grief 3 faalt.
Onderhandse verkoop?
3.19
Met
grief 4wordt betoogd dat bij toewijzing van het verzoek van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] en terzijdestelling van de blokkeringsregeling, de verkoop niet onderhands, maar enkel openbaar, mag plaatsvinden. [appellant 2] en [appellant 1] voeren daartoe aan:
- Andere potentiële kopers zullen nooit meer bieden dan het door [appellant 2] al aangeboden bedrag van € 10.000;
- Er is geen reden om de deurwaarder toe te staan nadere regels vast te stellen. Voor zover onderhandse of openbare verkoop wordt toegestaan en het hof ‘nadere regels’ nodig acht, wordt verzocht die regels zo mogelijk in het arrest op te nemen. Zo niet, dan dient (1) de deurwaarder zijn conceptvoorwaarden na de beschikking van het hof eerst kenbaar te maken aan [appellant 1] en [appellant 2] zodat zij daartegen zo mogelijk bezwaar kunnen maken dan wel een executiegeschil kunnen voeren, en (2) dient in de verkoop- en veilingvoorwaarden te worden vermeld dat [appellant 2] als grootaandeelhouder een
matching rightheeft, dat wil zeggen dat hij het recht heeft om het aandeel af te nemen tegen het hoogste door een derde uitgebrachte bod.
3.2
Dit betoog ziet allereerst eraan voorbij dat het bezwaar tegen executie van het aandeel door middel van onderhandse verkoop op grond van art. 438a Rv dient te worden voorgelegd aan de relatief bevoegde voorzieningenrechter. Het miskent bovendien dat het doel van een onderhandse of openbare verkoop is het verkrijgen van een maximale opbrengst voor verhaal van de vordering van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] . Dat andere potentiële kopers nooit meer zullen bieden dan de door [appellant 2] geboden € 10.000 is speculatief en onder grief 1 reeds afdoende besproken en weerlegd. [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] sluiten zich overigens aan bij de wens van [appellant 2] om een openbare verkoop, omdat de kans op de hoogst mogelijke veilingopbrengst dan het grootst is. Het hof kan niet inzien dat de deurwaarder geen nadere regels mag vaststellen ‘in het kader van een ordentelijk verloop’ van de executie en die (orde)regels zal het hof niet in zijn arrest opnemen en evenmin zal het hof de deurwaarder opdragen zijn ‘conceptvoorwaarden’ (die betrekking hebben op een ‘ordentelijk verloop van de executie’) eerst aan [appellant 2] en [appellant 1] kenbaar te maken. Ten slotte komt [appellant 2] geen
matching righttoe omdat dit evenmin strookt met het doel van een executie door middels van onderhandse of openbare verkoop, te weten het verkrijgen van een zo hoog mogelijke executieopbrengst.
3.21
Grief 4 faalt.
Overlegging relevante gegevens en bescheiden
3.22
Met
grief 5wordt opgekomen tegen de beslissing van de rechtbank dat [naam 1] en [appellant 1] steeds op eerste verzoek van de deurwaarder binnen vijf (5) kalenderdagen aan hem ter beschikking dienen te stellen alle naar zijn oordeel voor de waardering, verkoop en overdracht van het aandeel relevante financiële en overige gegevens en bescheiden.
3.23
Ook dit standpunt miskent dat het doel van de executie is het streven naar een zo hoog mogelijke opbrengst voor verhaal van de niet geringe vorderingen van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] van ruim € 75 mio exclusief rente, en daaruit volgt dat de deurwaarder belast met de executie dient te kunnen beschikken over de relevante gegevens en bescheiden voor zover die dienstbaar zijn aan dat doel. Ter zitting van het hof heeft de deurwaarder opgemerkt dat hij de verstrekte informatie, waaronder de opinie van BDO, door een financieel deskundige heeft laten bekijken, dat daaraan volgens de financieel deskundige geen waarde kan worden gehecht en dat de deurwaarder zelf onderzoek moet doen. Wat betreft [appellant 1] is art. 2:195 lid 7 BW richtinggevend, waarin is bepaald dat de rechter kan bepalen dat de vennootschap aan de executant inzage moet geven in het aandeelhoudersregister als bedoeld in art. 2:194 BW. Een regeling van gelijke strekking bevatten de artikelen 474c leden 4 en 5 Rv. De overige argumenten – BDO heeft het aandeel gewaardeerd op minder dan één eurocent en [geïntimeerde 1] streeft geen verhaal na maar het toe-eigenen van informatie – zijn hiervoor al besproken en ontoereikend bevonden.
3.24
Het subsidiaire verzoek om in het arrest waarborgen op te nemen die recht doen aan de bedrijfsvertrouwelijke aard van de informatie zal het hof, bij gebreke van een deugdelijke en overtuigende feitelijke en juridische grondslag, niet toewijzen. Daarbij weegt mee dat deze zaak laat zien dat zowel [naam 1] – de schuldenaar – als zijn broer [naam 1] en [appellant 1] op geen enkele manier hebben laten zien loyaal te willen meewerken aan de executie en, integendeel, geen openheid van zaken hebben willen geven over de financiële- en vermogenstoestand van [naam 1] . Het in het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij de rechtbank opgenomen relaas van de deurwaarder duidt daarop. Verder hebben - onbestreden – veel van de vennootschappen die behoren tot de [appellant 1] -groep niet voldaan aan de wettelijke verplichting hun jaarrekening tijdig te deponeren (art. 2:394 lid 2 BW) (bijlage 1 bij productie 69 van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] ). De jaarrekening 2023 van [appellant 1] is weliswaar in hoger beroep als productie 47 van [appellant 2] en [appellant 1] overgelegd, maar grote delen daaruit zijn weggelakt. Datzelfde geldt voor het uiteindelijk pas in hoger beroep overgelegde, maar grotendeels weggelakte, aandeelhoudersregister van [appellant 1] , terwijl art. 474c lid 5 Rv duidelijk is over de plicht de deurwaarder behulpzaam te zijn bij de hem krachtens art. 474c lid 4 Rv opgedragen taak het beslag aan te tekenen in het aandeelhoudersregister.
3.25
Grief 5 faalt eveneens.
Geen uitvoerbaarheid bij voorraad?
3.26
Grief 6is gericht tegen de beslissing van de rechtbank om de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Ook die grief kan niet slagen, gelet op het feit dat de belangen van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] om op korte termijn tot executie van het aandeel tot verhaal van hun vordering over te kunnen gaan, gelet op al het voorgaande, zwaarder wegen dan de belangen van [appellant 2] en [appellant 1] om dat met het oog op een eventueel cassatieberoep te kunnen voorkomen. Daarbij betrekt het hof de omstandigheid dat zowel het hoger beroep van [naam 1] van het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 26 juli 2023 als het hoger beroep van het vonnis van de voorzieningenrechter in de ‘lastercampagne’zaak faalt.
3.27
Grief 6 faalt.
Slotsom
3.28
De grieven kunnen niet slagen, en de bestreden beschikking zal worden bekrachtigd, met dien verstande dat een verzoek als bedoeld in r.ov 5.6 van de beschikking van de rechtbank gedaan kan worden voordat de termijn van r.ov 5.5 van die beschikking is verstreken, zoals verzocht door [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] . Het verzoek om te bepalen dat de medewerkingsplicht van r.ov 5.7 van de beschikking zich mede richt tot [appellant 2] en om deze te versterken met dwangsommen merkt het hof aan als een verborgen incidentele grief die evenwel niet kan slagen. De schuldenaar ten laste van wie executoriaal beslag op het aandeel is gelegd is niet [appellant 2] maar zijn broer [naam 1] , en de medewerkingsplicht van art. 474c leden 4 en 5 Rv en die bedoeld in r.ov 5.7 van de bestreden beschikking rust daarom op [naam 1] en niet op [appellant 2] .
3.29
[appellant 1] en [appellant 2] zullen als de in het ongelijk gestelde partij ambtshalve in de kosten van het hoger beroep worden veroordeeld op de voet van art. 289 Rv, nu het geding als contradictoir van aard te duiden valt. Het hof stelt deze kosten aan de zijde van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] vast op € 349,00 griffierecht, € 2.428,00 salaris advocaat (2 punten x tarief II) en € 178,00 nakosten (plus de verhoging zoals in het dictum vermeld), totaal: € 2.955,00. Het hof ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling in eerste aanleg, temeer nu [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] geen grief in dat verband hebben ingesteld.
De beslissing over de kosten in het incident tot schorsing van de tenuitvoerlegging is aangehouden tot de eindbeschikking in de hoofdzaak. Gelet op de uitkomst van dit hoger beroep vindt het hof onvoldoende grond om [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] als de in het ongelijk gestelde partij in het incident tot schorsing van de tenuitvoerlegging te veroordelen in de kosten van die procedure. Het verzoek daartoe van [appellant 1] en [appellant 2] zal dan ook worden afgewezen. De proceskosten in het incident worden op nihil bepaald.
Het hof zal voorts de proceskostenveroordeling (op de voet van art. 288 Rv ambtshalve) uitvoerbaar bij voorraad verklaren.

4.Beslissing

Het hof:
bekrachtigt de bestreden beschikking van de rechtbank Amsterdam van 28 maart 2024, met dien verstande dat r.ov 5.5 en 5.6 van beschikking van de rechtbank als volgt komen te luiden:
“5.5 bepaalt de termijn waarbinnen de verkoop en overdracht van het aandeel dient plaats te vinden op één jaar nadat deze beschikking onherroepelijk is geworden;
5.6
bepaalt dat deze termijn, indien nodig, op verzoek, door de rechtbank kan worden verlengd, en dat een verzoek hiertoe de rechtbank uiterlijk op 1 oktober 2026 dient te bereiken;”
veroordeelt [appellant 1] en [appellant 2] in de kosten van deze procedure, aan de zijde van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] vastgesteld op € 2.955,00, te betalen binnen veertien dagen na de datum van deze beschikking en, als [appellant 1] en [appellant 2] niet tijdig aan de veroordeling voldoen en de beschikking daarna wordt betekend, te vermeerderen met € 92,00 en de kosten van betekening;
verklaart bovenstaande proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. R.A. van der Pol, H.K.N. Vos en C.B.M. Scholten van Aschat en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 6 januari 2026.