Uitspraak
1.[appellant 1] ,
1.[geïntimeerde 1] ,
1.[gerechtsdeurwaarder 1] ,
1.Het geding in hoger beroep
primairde verzoeken van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] alsnog integraal zal afwijzen, en
subsidiairde verzoeken van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] slechts zal toewijzen met inachtneming van de in hoofdstukken 9 - 12 van het beroepschrift genoemde beperkingen en waarborgen.
2.Feiten
3.Beoordeling
grief 1betogen [appellant 2] en [appellant 1] dat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] met het executoriaal beslag op het aandeel [appellant 1] misbruik van recht maken als bedoeld in art. 3:13 lid 2 BW. Zij voeren daarvoor kort samengevat het volgende aan.
fairness opinievan BDO van 21 maart 2024 nadert de waarde van het totale aandelenkapitaal in [appellant 1]
nihilen in elk geval
minder dan € 1.000.Nu het aandelenkapitaal in [appellant 1] is verdeeld in 100.000 aandelen, is de waarde van één aandeel minder dan één eurocent. Bovendien kunnen de executiekosten niet worden voldaan uit de executieopbrengst. Kortom, uit de waarde van het beslagobject in verhouding tot de vordering en de executiekosten volgt dat het beslag niet bedoeld kan zijn voor het nemen van verhaal.
fairness opinievan 21 maart 2024, een toelichting van 6 mei 2024, een nadere toelichting van 21 februari 2025 en ten slotte de aanvullende toelichting van 6 maart 2025.
Rechtstreekse toegang tot administratie
aannamedat de informatie in de Jaarrekeningen en de overige informatie die haar is verstrekt een
waarheidsgetrouw en volledigbeeld geeft van de financiële positie van [appellant 1] . Waarop die aanname berust en op grond waarvan uitgegaan zou moeten worden van een waarheidsgetrouw en volledig beeld wordt niet duidelijk. Hetzelfde geldt voor de wel erg karig gemotiveerde conclusie dat op basis van de
vooruitzichteneen
winstgevende exploitatieniet kan
worden voorzien.Het hof merkt in dit verband op dat uit de opinies van BDO niet blijkt dat een accountantscontrole heeft plaatsgevonden op basis waarvan wordt nagegaan of de jaarrekening 2023 van [appellant 1] daadwerkelijk een ‘getrouw beeld’ geeft. Dat alles klemt temeer nu als productie 47 door [appellant 2] en [appellant 1] een grotendeels zwartgelakte jaarrekening 2023 van [appellant 1] is overgelegd. Of de zwartgelakte gedeelten daaruit niet relevant zijn voor deze procedure kan het hof zonder kennisneming daarvan niet beoordelen. Kortom, dat de waarde van het aandeel nagenoeg
nihilof hooguit één eurocent bedraagt kan niet worden aangenomen enkel op basis van deze opinies en een grotendeels zwartgelakte jaarrekening [appellant 1] over 2023. Uiteindelijk zal, zoals ook de rechtbank heeft aangenomen, de marktwaarde van het aandeel via een openbare executie moeten blijken en dan zal ook kunnen blijken of de kosten van de executie hoger zijn dan de marktwaarde. Het feit dat [appellant 2] [geïntimeerde 1] al heeft aangeboden het aandeel over te nemen voor € 10.000 roept bovendien ook gerede twijfel op over de juistheid van de stelling dat de waarde van het aandeel nagenoeg
nihilzou zijn en dat dit bedrag
ruimschoots de marktwaarde van het aandeelovertreft.
grief 2wordt betoogd dat [geïntimeerde 1] geen verhaalsbelang heeft en dat bovendien een belangenafweging in het voordeel van [appellant 2] en [appellant 1] moet uitvallen. Door het beslag worden immers ook de belangen van derden getroffen, in het bijzonder de belangen van [appellant 1] , [naam 1] en de [appellant 1] -groep. [appellant 2] heeft al sinds maart 2019 een recht op levering van het aandeel. Daarnaast hebben [appellant 1] en de [appellant 1] -groep een zwaarwegend belang om te voorkomen dat [geïntimeerde 1] of een aan hem gelieerde entiteit aandeelhouder wordt van [appellant 1] , en een belang om de kosten van een uitkoopprocedure te voorkomen.
grief 3wordt de vraag aan de orde gesteld of de aanbiedingsregeling als bedoeld in art. 2:195 lid 1 BW en art. 9 lid 1 van de statuten van [appellant 1] buiten toepassing mag worden gelaten, zoals de rechtbank heeft gedaan. Op grond van de aanbiedingsregeling geldt dat een aandeelhouder die een aandeel wenst te vervreemden dit aandeel eerst te koop moet aanbieden aan de medeaandeelhouders. De rechtbank heeft geoordeeld dat de statutaire blokkeringsregeling moeilijk te rijmen is met de uitgangspunten van executoriale verkoop, dat het belang van [appellant 1] niet opweegt tegen het belang van [geïntimeerde 1] , dat de belangen van [appellant 1] en [bedrijf 2] (hierna: [bedrijf 2] ) en/of anderen niet onevenredig worden geschaad en dat de wettelijke en statutaire blokkeringsregelingen bij verkoop en levering van het beslagen aandeel buiten toepassing mogen worden gelaten. Volgens [appellant 2] en [appellant 1] is het oordeel van de rechtbank onjuist, (1) gelet op het uitgangspunt van art. 474g lid 4 Rv, (2) omdat het belang van [geïntimeerde 1] niet
bepaaldelijkvordert dat de aanbiedingsregeling wordt terzijde gesteld in de zin van art. 2:195 lid 7 BW en (3) omdat de belangen van [appellant 2] , [appellant 1] en de [appellant 1] -groep onevenredig worden geschaad door terzijdestelling van de aanbiedingsregeling. Het hof overweegt als volgt.
grief 4wordt betoogd dat bij toewijzing van het verzoek van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] en terzijdestelling van de blokkeringsregeling, de verkoop niet onderhands, maar enkel openbaar, mag plaatsvinden. [appellant 2] en [appellant 1] voeren daartoe aan:
matching rightheeft, dat wil zeggen dat hij het recht heeft om het aandeel af te nemen tegen het hoogste door een derde uitgebrachte bod.
matching righttoe omdat dit evenmin strookt met het doel van een executie door middels van onderhandse of openbare verkoop, te weten het verkrijgen van een zo hoog mogelijke executieopbrengst.
grief 5wordt opgekomen tegen de beslissing van de rechtbank dat [naam 1] en [appellant 1] steeds op eerste verzoek van de deurwaarder binnen vijf (5) kalenderdagen aan hem ter beschikking dienen te stellen alle naar zijn oordeel voor de waardering, verkoop en overdracht van het aandeel relevante financiële en overige gegevens en bescheiden.