Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:1599

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
10 juni 2026
Zaaknummer
23-002375-25
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 378a SvArt. 404 SvArt. 55d lid 1 SvArt. 285 SrArt. 9 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling wederspannigheid, bedreiging en belediging ambtenaren met taakstraf en korte gevangenisstraf

De verdachte werd in hoger beroep veroordeeld voor wederspannigheid, bedreiging, meermalen gepleegde belediging van ambtenaren in functie en het niet voldoen aan een ambtelijk bevel door weigering van een bloedproef. Het hof vernietigde het eerdere vonnis en verklaarde de verdachte niet-ontvankelijk voor het hoger beroep tegen de vrijspraak van een ander feit.

De bewezenverklaring omvatte dat de verdachte zich op 20 december 2024 te Utrecht met geweld verzette tegen een brigadier door haar te trappen, meerdere beledigende woorden gebruikte richting politieambtenaren, hen bedreigde met misdrijven tegen het leven en weigerde medewerking aan een bloedonderzoek. Het hof achtte deze feiten wettig en overtuigend bewezen op basis van verklaringen, bodycambeelden en een foto van het letsel.

De strafoplegging hield rekening met de ernst en veelheid van de feiten, maar ook met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder psychiatrische kwetsbaarheid en positieve ontwikkelingen in zijn woon- en werksituatie. Daarom legde het hof een gevangenisstraf van 2 dagen met aftrek van voorarrest en een taakstraf van 60 uur op, met subsidiaire hechtenis van 30 dagen.

De vordering van de benadeelde partij tot immateriële schadevergoeding van €300 werd integraal toegewezen. Tevens werd de tenuitvoerlegging van een eerdere voorwaardelijke gevangenisstraf omgezet in een taakstraf van 120 uur met subsidiaire hechtenis. Het arrest werd gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden te Amsterdam op 9 juni 2026.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 2 dagen gevangenisstraf met aftrek voorarrest en 60 uur taakstraf voor wederspannigheid, bedreiging, belediging ambtenaren en weigering bloedproef, met toewijzing schadevergoeding.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002375-25
datum uitspraak: 9 juni 2026
TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsvrouw)
Verkort arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zitting houdende te Amsterdam, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland van 5 februari 2025 in de strafzaak onder de parketnummers 16-404159-24 en 16-199097-24 (TUL) tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] ) op [geboortedag] 1975,
adres: [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 26 mei 2026.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsvrouw naar voren heeft gebracht.

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De verdachte is door politierechter in de rechtbank Midden-Nederland vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak.
Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte daarom
niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is, voor zover in hoger beroep nog aan de orde, tenlastegelegd dat:
2.
hij op of omstreeks 20 december 2024 te Utrecht, zich met geweld en/of bedreiging met geweld, heeft verzet tegen een ambtenaar, [benadeelde partij] , brigadier bij de Eenheid Midden-Nederland, werkzaam in de rechtmatige uitoefening van haar bediening, te weten ter aanhouding van verdachte, door meermalen, althans eenmaal, te trappen tegen het been en/of de bil van die [benadeelde partij] ;
3.
hij op of omstreeks 20 december 2024 te Utrecht opzettelijk een ambtenaar, te weten [slachtoffer 1] , brigadier bij de Eenheid Midden-Nederland, [benadeelde partij] , brigadier bij de Eenheid Midden-Nederland, en/of [slachtoffer 2] , agent bij de Eenheid Midden-Nederland, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van hun bediening, in hun tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hen de woorden toe te voegen: "tering tyfus kankerhond", "kankerwijf", "kankerlijer", "kankerwouten" en/of "kanker mongool", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking;
4.
hij op of omstreeks 20 december 2024 te Utrecht [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer 1] dreigend de woorden toe te voegen "jouw kankerkinderen gaan binnenkort dood" en/of "je kinderen zullen niet meer lang leven", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, en/of door die [slachtoffer 2] dreigend de woorden toe te voegen "ik ga jou vermoorden", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
5.
hij op of omstreeks 20 december 2024 te Houten opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel of een vordering, krachtens enig wettelijk voorschrift, te weten artikel 55d lid 1 Wetboek van Strafvordering,
gedaan door een ambtenaar, te weten, [persoon] , belast met de uitoefening van enig toezicht en/of belast met en/of bevoegd verklaard tot het opsporen en/of onderzoeken van strafbare feiten, door, nadat deze ambtenaar hem had bevolen of van hem had gevorderd medewerking te verlenen aan een bloedonderzoek, hieraan geen gevolg te geven.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.

Bewijsoverweging feit 2

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van hetgeen hem onder feit 2 tenlastegelegd is. Zij heeft hiertoe – kort gezegd – het volgende aangevoerd:
De verklaring van de verbalisant [benadeelde partij] – inhoudende dat de verdachte haar tegen haar been en bil heeft getrapt – is niet betrouwbaar en wordt ook niet ondersteund door de beschrijving van de camerabeelden van de bodycam of de verklaringen van haar collega verbalisanten. Het valt bovendien niet in te zien hoe de verdachte de verbalisant vanuit liggende positie tijdens de aanhouding meermaals heeft kunnen trappen, zonder dat verbalisanten [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] dit zouden hebben waargenomen. Ook het proces-verbaal van bevindingen waarin de uitgekeken bodycambeelden staan beschreven, maakt geen melding van deze geweldshandelingen. Deze discrepanties zouden tot een vrijspraak moeten leiden, aldus de raadsvrouw.
Het hof overweegt als volgt.
Verbalisant [benadeelde partij] heeft verklaard dat zij tijdens de aanhouding van de verdachte meermalen door hem tegen haar been en bil is getrapt. Deze verklaring wordt ondersteund door het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [slachtoffer 2] , waarin staat vermeld dat hij tijdens het boeien van de verdachte hoorde dat zijn collega [benadeelde partij] hard getrapt werd en haar meerdere keren “au!” heeft horen roepen (procesdossier, doorgenummerde pagina 29). Daarnaast volgt uit het proces-verbaal van bevindingen met daarin de beschrijving van de bodycambeelden van verbalisant [slachtoffer 1] dat verbalisant [benadeelde partij] gedurende het incident
“stop, je doet me zeer”heeft geroepen. Tot slot bevat het procesdossier een foto van het been van de aangeefster, gemaakt een dag na het incident, waarop een blauwe verkleuring op haar been waarneembaar is.
Anders dan de raadsvrouw is het hof op grond van het voorgaande van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte zich met geweld tegen zijn aanhouding heeft verzet door verbalisant [benadeelde partij] te trappen. De omstandigheid dat deze geweldshandelingen niet waarneembaar zijn op de bodycambeelden van verbalisant [slachtoffer 1] , maakt niet dat het hof aan de voornoemde bevindingen en aangifte van de verbalisanten doet twijfelen. Hierbij neemt het hof bovendien in aanmerking dat uit het proces-verbaal van bevindingen waarin deze beelden worden beschreven (procesdossier, doorgenummerde pagina 32 ev.) volgt dat – kort gezegd – niet alles goed in beeld is
“omdat de camera dicht op het lichaam van de verdachte gericht staat en beweegt”en op enig moment alleen het hoofd van de verdachte, die op de grond ligt, in beeld is.
Het tot vrijspraak strekkende verweer wordt verworpen.

Bewijsoverweging feit 4

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van hetgeen hem onder feit 4 tenlastegelegd is. Zij heeft hiertoe – kort gezegd – het volgende aangevoerd.
Uit de bodycambeelden blijkt dat de zinnen “
Jouw kankerkinderen gaan binnenkort dood” en “
Ik ga jou vermoorden” niet naar de verbalisanten zijn toegeschreeuwd. De verdachte heeft wel gezegd “
Hé, je kinderen zullen niet lang meer leven”. Deze zin levert geen strafbare bedreiging op in de zin van artikel 285 van Pro het Wetboek van Strafrecht omdat de verdachte niet heeft gedreigd de kinderen van [slachtoffer 1] van het leven te beroven.
Het hof overweegt als volgt.
Ten aanzien van verbalisant [slachtoffer 1]
Uit de aangifte van verbalisant [slachtoffer 1] volgt dat de verdachte ten tijde van de aanhouding, het vervoer naar het politiebureau en de insluiting richting hem onder meer de bewoordingen heeft geuit
“jou kankerkinderen gaan binnenkort dood”. In zijn proces-verbaal van bevindingen (procesdossier, doorgenummerde pagina 21) relateert verbalisant [slachtoffer 1] dat de verdachte hem aankeek en zei
“je kinderen zullen niet lang meer leven”. Uit het proces-verbaal van de bodycambeelden volgt dat de verdachte tegen verbalisant [slachtoffer 1] heeft gezegd
“he, je kinderen zullen niet meer lang leven”(procesdossier, doorgenummerde pagina 34). Ook verbalisant [slachtoffer 2] bevestigt dat de verdachte dit laatste heeft gezegd (procesdossier, doorgenummerde pagina 30).
Gelet op het voorgaande komt het hof tot de conclusie dat de verdachte heeft gezegd tegen [slachtoffer 1]
“je kinderen zullen niet lang meer leven”. Het hof heeft verder, gelet op het voorgaande in onderling verband en samenhang bezien, geen enkele reden om te twijfelen aan de verklaring van [slachtoffer 1] dat de verdachte ook heeft gezegd
“jou kankerkinderen gaan binnenkort dood”, en gaat er dan ook van uit dat de verdachte ook die woorden heeft gebruikt.
De omstandigheid dat niet alle tenlastegelegde bewoordingen op de bodycambeelden terug te horen zijn, maakt niet dat het hof aan de voornoemde bevindingen en aangiftes van de verbalisanten twijfelt. Beide bewoordingen leveren naar het oordeel van het hof een bedreiging op als bedoeld in art. 285 Sr Pro. De enkele omstandigheid dat – kort gezegd – het misdrijf waarmee wordt gedreigd, is gericht tegen anderen (kinderen) dan degene jegens wie de bedreiging is geuit (verbalisant [slachtoffer 1] ), maakt dat niet anders (vgl. HR:2011:BO3400, rov 3.2-3.3).
Ten aanzien van verbalisant [slachtoffer 2]
heeft in zijn aangifte verklaard dat de verdachte de bewoordingen “
Ik ga jou vermoorden” richting hem heeft geuit. Ook in zijn proces-verbaal van bevindingen (procesdossier, doorgenummerde pagina 29) heeft hij gerelateerd dat de verdachte naar hem die bewoordingen heeft gebruikt. Op grond van het bepaalde in artikel 344, tweede lid, Sv komt aan de processen-verbaal van bevindingen bijzondere bewijskracht toe, in die zin dat een bewezenverklaring van een tenlastegelegd feit op alleen een dergelijk proces-verbaal kan worden gebaseerd. Het hof ziet geen enkele reden om te twijfelen aan vorenbedoeld proces-verbaal (en aangifte) en neemt daarbij mede in aanmerking hetgeen hiervoor is overwogen en hetgeen uit de bewijsmiddelen volgt over de context waarin een en ander zich heeft afgespeeld en de wijze waarop de verdachte zich richting de verbalisanten verbaal en non-verbaal gedroeg. In reactie op het verweer van de raadsvrouw merkt het hof nog op dat de enkele omstandigheid dat niet alle tenlastegelegde bewoordingen op de bodycambeelden terug te horen zijn, het hof niet doet twijfelen aan de voornoemde bevindingen en aangifte van de verbalisanten.
Het hof is van oordeel dat de door de verdachte geuite bewoordingen, bezien tegen de hiervoor geschetste achtergrond, van dien aard zijn en onder zodanige omstandigheden zijn gedaan dat daardoor bij de verbalisanten de redelijke vrees kon ontstaan dat de verdachte zijn bedreigingen zou uitvoeren. Het hof is dan ook van oordeel dat de tenlastegelegde bedreiging wettig en overtuigend is bewezen.
Het tot vrijspraak strekkende verweer wordt verworpen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2, 3, 4 en 5 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
2.
hij op 20 december 2024 te Utrecht zich met geweld heeft verzet tegen een ambtenaar, [benadeelde partij] , brigadier bij de Eenheid Midden-Nederland, werkzaam in de rechtmatige uitoefening van haar bediening, te weten ter aanhouding van verdachte, door meermalen te trappen tegen het been en de bil van die [benadeelde partij] ;
3.
hij op 20 december 2024 te Utrecht opzettelijk een ambtenaar, te weten [slachtoffer 1] , brigadier bij de Eenheid Midden-Nederland, [benadeelde partij] , brigadier bij de Eenheid Midden-Nederland, en [slachtoffer 2] , agent bij de Eenheid Midden-Nederland, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van hun bediening, in hun tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hen de woorden toe te voegen: "tering tyfus kankerhond”, "kankerwijf”, "kankerlijer", "kankerwouten" en "kanker mongool”;
4.
hij op 20 december 2024 te Utrecht [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [slachtoffer 1] dreigend de woorden toe te voegen "jouw kankerkinderen gaan binnenkort dood" en "je kinderen zullen niet meer lang leven" en door die [slachtoffer 2] dreigend de woorden toe te voegen "ik ga jou vermoorden”;
5.
hij op 20 december 2024 te Houten opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel of een vordering, krachtens enig wettelijk voorschrift, te weten artikel 55d lid 1 Wetboek van Strafvordering, gedaan door een ambtenaar, te weten [persoon] , belast met de uitoefening van enig toezicht en belast met en bevoegd verklaard tot het opsporen en onderzoeken van strafbare feiten, door, nadat deze ambtenaar hem had bevolen of van hem had gevorderd medewerking te verlenen aan een bloedonderzoek, hieraan geen gevolg te geven.
Hetgeen onder 2, 3, 4 en 5 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 2, 3, 4 en 5 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
wederspannigheid.
Het onder 3 bewezenverklaarde levert op:
eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd.
Het onder 4 bewezenverklaarde levert op:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht,
meermalen gepleegd.
Het onder 5 bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk niet voldoen aan een bevel of een vordering, krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 2, 3, 4 en 5 bewezenverklaarde uitsluit.

Oplegging van straffen

De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van één maand met aftrek van voorarrest.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder feit 2 tot en met 5 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis.
De raadsvrouw heeft het hof ter terechtzitting in hoger beroep verzocht rekening te houden met de omstandigheid dat de verdachte een kwetsbare psychiatrisch patiënt is met verslavingsproblematiek. Voorts heeft de raadsvrouw het hof verzocht mee te wegen dat de tenlastegelegde uitlatingen grotendeels door de verdachte zijn gedaan nadat door de politie geweld tegen hem was toegepast.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan wederspannigheid door tijdens zijn aanhouding een ambtenaar tegen haar been en bil te trappen. De ambtenaar heeft tijdens het incident pijn en letsel in de vorm van een blauwe plek opgelopen. Met zijn handelen heeft de verdachte het werk van de politie
bemoeilijkt en inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de politieambtenaar. De verdachte heeft zich daarnaast schuldig gemaakt aan bedreiging en belediging van meerdere politieambtenaren in functie en heeft niet voldaan aan een ambtelijk bevel door een bloedonderzoek te weigeren. De verdachte heeft de politieambtenaren hiermee in hun eer en goede naam aangetast en hen vrees aangejaagd.
Met de politierechter is het hof, gelet op de aard, ernst en veelheid van de strafbare feiten, van oordeel dat in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden is. In de persoonlijke omstandigheden van de verdachte ziet het hof echter aanleiding om anders te beslissen.
Uit het reclasseringsadvies van 13 november 2025, opgemaakt in een andere zaak, volgt dat de verdachte in november 2025 is verhuisd naar een éénpersoonswoning op het terrein van de wooninstelling waar bij verblijft. De rust die deze verandering met zich heeft gebracht lijkt de verdachte goed te doen en sinds de verhuizing hebben zich geen incidenten meer voorgedaan. De verdachte is vrijwilliger op een manege en voert op deze manege eveneens een taakstraf uit.
Het hof acht het onwenselijk deze prille positieve ontwikkelingen te doorkruisen door een straf op te leggen die hernieuwde vrijheidsbeneming met zich brengt. Het hof acht het wenselijker dat de verdachte zijn plek in de wooninstelling behoudt en op zijn manier een bijdrage kan leveren aan de samenleving door zich in te zetten op een manege. Het hof zal daarom volstaan met het opleggen van een gevangenisstraf die gelijk is aan de duur van het voorarrest en aan de verdachte daarnaast een taakstraf opleggen.
Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf voor de duur van 2 dagen met aftrek van voorarrest en een taakstraf voor de duur van 60 uren passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 300,00 aan immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep integraal toegewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot integrale toewijzing van de vordering.
De raadsvrouw heeft de vordering van de benadeelde partij niet gemotiveerd betwist.
Het hof overweegt als volgt.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 2 en 3 bewezenverklaarde handelen van de verdachte, die de vordering inhoudelijk niet heeft betwist, rechtstreeks schade heeft geleden. De grondslagen voor de immateriële schade zijn gelegen in de aantasting van de eer en goede naam van de benadeelde partij en het letsel dat zij gedurende het incident heeft opgelopen. De verdachte heeft de benadeelde partij immers in het openbaar meermalen beledigende termen toegevoegd en haar tegen haar been en bil getrapt, waardoor zij een blauwe plek heeft opgelopen.
De omvang van de immateriële schade zal op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 BW Pro naar maatstaven van billijkheid worden geschat op € 300,00. Het hof heeft daarbij aansluiting gezocht bij de bedragen die in vergelijkbare zaken worden toegewezen. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering integraal zal worden toegewezen.
Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat het toegewezen schadebedrag door de verdachte wordt vergoed.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d, 36f, 57, 63, 180, 184, 266, 267 en 285 van het Wetboek van Strafrecht.

Vordering tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland van 24 september 2024 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand (parketnummer 16-199097-24). Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot tenuitvoerlegging moet worden toegewezen, maar dat deze moet worden omgezet in een taakstraf voor de duur van 120 uren.
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden afgewezen, nu de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte niet langer opportuun is.
Het hof overweegt als volgt.
Gebleken is dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Voor de effectiviteit en de geloofwaardigheid van de regeling omtrent voorwaardelijke straffen en de daarbij behorende algemene (en bijzondere) voorwaarden, is essentieel dat overtreding van deze voorwaarden niet vrijblijvend is en dat daaraan in beginsel gevolgen worden verbonden. Dat dient ook in deze zaak te geschieden. Het afwijzen van de vordering, zoals verzocht door de raadsvrouw, is naar het oordeel van het hof dan ook een brug te ver.
Het hof ziet in de persoonlijke situatie van de verdachte, zoals ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken en is beschreven onder het kopje “oplegging van straffen”, wel aanleiding om, in plaats van de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf, een taakstraf te gelasten van 120 uren, te vervangen door
30dagen hechtenis in geval deze taakstraf niet naar behoren wordt verricht.

BESLISSING

Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 2, 3, 4 en 5 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 2, 3, 4 en 5 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
2 (twee) dagen.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
30 (dertig) dagen hechtenis.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het onder 2 en 3 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 300,00 (driehonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij] , ter zake van het onder 2 en 3 bewezenverklaarde een bedrag te betalen
van € 300,00 (driehonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 3 (drie) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade
op 20 december 2024.
Gelast in plaats van de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank
Midden-Nederland van 24 september 2024 met parketnummer 16-199097-24, voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van één maand met een proeftijd van 2 jaren, een
taakstrafvoor de duur van
120 (honderdtwintig) uren, bij gebreke van het naar behoren verrichten te vervangen door
30 (dertig)dagen hechtenis.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zitting houdende te Amsterdam, waarin zitting hadden mr. H.A. Stalenhoef, mr. T. de Bont en
mr. A. Dantuma-Hieronymus, in tegenwoordigheid van mr. L.C. de Groot, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 9 juni 2026.
Mrs. De Bont en Dantuma-Hieronymus zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
=========================================================================
[…]
[…]