Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:1552

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
4 juni 2026
Zaaknummer
200.358.350/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:628 BWArt. 7:629 BWArt. 7:629a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen opzegging arbeidsovereenkomst en geen recht op loonbetaling tijdens ziekte na conflict

Het geschil betreft de vraag of Trigion Beveiliging B.V. de arbeidsovereenkomst met [appellant] heeft opgezegd en of Trigion gehouden is tot doorbetaling van loon tijdens ziekte. De kantonrechter oordeelde dat de arbeidsovereenkomst van rechtswege is geëindigd en dat Trigion geen loondoorbetalingsverplichting heeft. Het hof bekrachtigt deze beschikking.

De feiten tonen aan dat [appellant] sinds september 2024 in dienst was bij Trigion en een leer-werkovereenkomst had. Eind oktober 2024 ontstond een conflict met zijn praktijkbegeleider, waarna [appellant] op 9 november 2024 stopte met werken en zich op 18 november ziek meldde. Trigion heeft meerdere pogingen gedaan om het conflict te bespreken, maar [appellant] weigerde mee te werken.

Het hof oordeelt dat uit de brief van 13 december 2024 niet blijkt dat Trigion de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd; de brief bevestigt slechts dat [appellant] zijn dienstverband heeft beëindigd. Omdat [appellant] zich niet bereid en beschikbaar hield voor werk en opleiding, komt het niet-werken voor zijn rekening. De ziekmelding verandert hier niets aan, omdat onvoldoende is gebleken dat [appellant] daadwerkelijk ziek was. Daarom is Trigion niet verplicht loon door te betalen vanaf 11 november 2024.

De grieven van [appellant] falen, en het hof bekrachtigt de bestreden beschikking. [appellant] wordt veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beschikking dat Trigion de arbeidsovereenkomst niet heeft opgezegd en dat er geen recht is op loonbetaling tijdens ziekte.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht
zaaknummer : 200.358.350/01
zaaknummer rechtbank : 11543677/EA VERZ 25-169
beschikking van de meervoudige burgerlijke kamer van 9 juni 2026
inzake
[appellant],
wonende te [plaats] ,
appellant,
advocaat: mr. D. Pieterse te 's-Gravenhage,
tegen
TRIGION BEVEILIGING B.V.,
gevestigd te Schiedam,
geïntimeerde,
advocaat: mr. R.L. van Heusden te Schiedam.
Partijen worden hierna [appellant] en Trigion genoemd.

1.De zaak in het kort

Tussen partijen is een geschil ontstaan over de vraag of Trigion de arbeidsovereenkomst met [appellant] heeft opgezegd en of op Trigion een verplichting rust om loon aan [appellant] door te betalen. De kantonrechter heeft geoordeeld dat de arbeidsovereenkomst van rechtswege is geëindigd en op Trigion geen loondoorbetalingsverplichting rust. Het hof komt tot hetzelfde oordeel en zal de beschikking bekrachtigen.

2.Het geding in hoger beroep

2.1.
[appellant] is bij beroepschrift (met producties), ontvangen op de griffie van het hof op 22 augustus 2025, in hoger beroep gekomen van de beschikking die de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter) op 22 mei 2025 onder bovenvermeld zaaknummer heeft gegeven (hierna: de bestreden beschikking).
2.2.
Op 12 maart 2026 heeft de griffie van het hof een verweerschrift in hoger beroep (met producties) van Trigion ontvangen.
2.3.
Partijen hebben de zaak tijdens de mondelinge behandeling van 24 april 2026 laten toelichten, [appellant] door mr. Pieterse voornoemd die digitaal heeft deelgenomen en Trigion door mr. Van Heusden voornoemd en mr. S. Meulstee-Van den Berg, advocaat te Schiedam. [appellant] zelf was niet aanwezig op de zitting.
2.4.
Partijen hebben na de zitting geprobeerd een regeling te treffen. Dat is niet gelukt, waarna de uitspraak is bepaald op heden.

3.Feiten

3.1.
De kantonrechter heeft in rechtsoverweging 2.1 tot en met 2.9 van de bestreden beschikking de feiten vastgesteld die hij tot uitgangspunt heeft genomen. In grief 1 heeft [appellant] zich gericht tegen het in 2.7 vastgestelde feit. Het hof zal dat hierna in 3.15 opnieuw vaststellen, zodat het afdoen van deze grief daarin besloten ligt. Die grief faalt daarom bij gebrek aan belang. De feiten komen neer op het volgende.
3.2.
Sinds 2 september 2024 was [appellant] (geboren op [datum] ) in dienst bij Trigion als [functie] . Het loon bedroeg € 1.962,24 bruto, exclusief vakantiebijslag, per vier weken. De arbeidsovereenkomst is aangegaan voor bepaalde tijd met een looptijd tot en met 18 augustus 2025.
3.3.
Daarnaast zijn partijen een leer-werkovereenkomst overeengekomen, waarbij [appellant] werd opgeleid tot Beveiliger 2. In het kader van deze opleiding diende [appellant] opdrachten te maken die door een praktijkbegeleider van Trigion werden beoordeeld. De praktijkbegeleider van [appellant] was de heer [naam 1] (hierna: [naam 1] ).
3.4.
Eind oktober 2024 is tussen [appellant] en [naam 1] onenigheid ontstaan. [appellant] leverde de opdrachten handgeschreven op papier in bij [naam 1] , waarop [naam 1] liet weten dat de opdrachten in een word-document moesten worden aangeleverd.
3.5.
Op 1 november 2024 is [appellant] door zijn teamleider uitgenodigd om op
7 november 2024 een gesprek te hebben over de onenigheid tussen [appellant] en [naam 1] en het verzoek van [appellant] om een andere praktijkbegeleider te krijgen. Dit gesprek is geannuleerd vanwege het uitvallen van de teamleider.
3.6.
Om die reden heeft [naam 2] (hierna: [naam 2] ), vervangend teamleider, op 8 november 2024 telefonisch contact opgenomen met [appellant] . [naam 2] heeft diezelfde dag bij
e-mail aan [appellant] bericht:
‘Wij hebben elkaar zojuist telefonisch gesproken naar aanleiding van jouw vele mails en AFAS-berichtgeving. Ik begrijp dat jij in een voor jou vervelende positie gekomen bent maar de houding en het gedrag wat jij hebt aangenomen in de communicatie naar jouw TL, Pol, RAC en het ROC toe is onacceptabel. Op verzoek van HR ga jij hier ook een schriftelijke waarschuwing voor krijgen omdat dit gedrag is wat wij binnen Trigion niet accepteren. Hierbij de bevestiging zoals gevraagd per mail dat [naam 1] jouw praktijk opleider blijft. Als jij het hier niet mee eens bent staat het jouw vrij om jouw opleiding en dienstverband bij Trigion te beëindigen. Ook zal er op korte termijn een gesprek ingepland worden. Gezien de uitval van jouw TL kan ik jou nog geen datum aangeven maar wij vanuit Trigion doen er alles aan om dit zo snel mogelijk te realiseren. (…)'
3.7.
In reactie hierop heeft [appellant] op 8 november 2024 aan [naam 2] het volgende gemaild:
‘Nadat wat u heeft geschreven, zal ik over de weekend nadenken en een beslissing nemen, maar in principe ga ik hiermee de opleiding stoppen. Op maandag als dit mij besluit is, ga ik het officiële de hr laten weten.’
3.8.
Op 9 november 2024 heeft [appellant] een klacht ingediend bij de onderwijsinstelling met als doel een andere praktijkbegeleider toegewezen te krijgen. Daarnaast heeft [appellant] op 9 november 2024 aan de HR afdeling van Trigion een
e-mail, met brief gedateerd op 10 november 2024, verzonden. In die brief staat onder meer:
‘(…) hiermee deel ik met jullie mee, dat ik met onmiddellijke ingang de werkzaamheden tijdens de stage bij Trigion ga stoppen (…).’
3.9.
Vanaf 11 november 2024 is [appellant] niet meer op het werk verschenen. Op 11 november 2024 heeft [naam 3] (HR Business partner) telefonisch contact met [appellant] gehad. Op 14 november 2024 heeft Trigion [appellant] een concept-vaststellingsovereenkomst toegezonden.
3.10.
Op 18 november 2024 heeft [appellant] onder meer het volgende aan Trigion bericht: ‘
Hiermee wil ik jullie ook informeren dat ik ziek ben en ermee ziekmelden.’
3.11.
Op 22 november 2024 heeft Trigion [appellant] uitgenodigd voor een gesprek op 26 november 2024 op kantoor om de klacht van [appellant] tegen Trigion te bespreken. Daarop heeft [appellant] Trigion bericht dat hij nog steeds is ziek en niet stabiel genoeg is om te komen naar het gesprek.
3.12. Bij brief van 4 december 2024 heeft Trigion [appellant] opnieuw uitgenodigd voor een gesprek en is [appellant] erop gewezen dat de organisatie ook een vertrouwenspersoon heeft tot wie hij zich kan wenden.
3.13.
Bij brief van 13 december 2024 heeft Trigion vervolgens aan [appellant] bericht:
‘(…) Wij schrijven deze brief om te bevestigen dat u sinds 11 november 2024 niet meer op uw werk bent verschenen. Ondanks herhaaldelijke pogingen van onze kant om contact met u op te nemen via telefoon, e-mail en post, hebben wij geen enkele reactie van u ontvangen. (…) Gezien uw langdurige afwezigheid en het uitblijven van enige vorm van communicatie, gaan wij ervan uit dat u uw dienstverband bij Trigion Beveiliging B.V. heeft beëindigd. Wij verzoeken u vriendelijk om deze brief te beschouwen als een formele bevestiging van de beëindiging van uw dienstverband per 11 november 2024. (…)’
3.14.
Laatst genoemde brief heeft [appellant] in ieder geval op 2 januari 2025 ontvangen. Op 5 januari 2025 heeft [appellant] Trigion naar aanleiding van die brief per e-mail bericht dat hij het met de inhoud van die brief niet eens is. Ook heeft hij gewezen op de door hem ingediende klacht wegens discriminatie en daarover geschreven:
‘(…) vanwege het gebrek aan actie van jullie kant, ben ik ziek gemeld en ben nog steeds ziek gemeld (…).’
3.15.
Trigion heeft [appellant] opgeroepen om op 5 april 2025 en 29 april 2025 bij de bedrijfsarts te verschijnen. [appellant] heeft hieraan geen gehoor gegeven.

4.Eerste aanleg

4.1.
[appellant] is een procedure bij de kantonrechter gestart. [appellant] heeft gesteld dat Trigion met de brief van 13 december 2024 de arbeidsovereenkomst ten onrechte heeft opgezegd. [appellant] heeft verzocht de opzegging van de arbeidsovereenkomst te vernietigen. Daarnaast heeft [appellant] de kantonrechter verzocht Trigion te veroordelen tot betaling van een billijke vergoeding, een transitievergoeding, achterstallig loon over de periode vanaf 11 november 2024, vakantie-uren, vakantiebijslag, een vergoeding vanwege de onregelmatige opzegging en de proceskosten. Tijdens de mondelinge behandeling bij de kantonrechter heeft [appellant] zijn verzoek aangevuld en verzocht Trigion te veroordelen tot doorbetaling van loon tijdens ziekte. Trigion heeft verweer gevoerd.
4.2.
In de bestreden beschikking heeft de kantonrechter de verzoeken van [appellant] afgewezen en is [appellant] veroordeeld in de proceskosten.

5.Beoordeling

Procedure in hoger beroep5.1. Naast grief 1, die zag op de vaststelling van de feiten, heeft [appellant] twee andere grieven tegen de bestreden beschikking aangevoerd. In grief 2 heeft [appellant] aangevoerd dat de kantonrechter de brief van 13 december 2024 van Trigion had moeten aanmerken als een opzegging door Trigion van de arbeidsovereenkomst. In grief 3 (in het beroepschrift nogmaals genummerd als grief 2) komt [appellant] op tegen het oordeel van de kantonrechter dat hij geen aanspraak heeft op doorbetaling van loon tijdens ziekte. [appellant] heeft – ervan uitgaande dat de arbeidsovereenkomst door Trigion is beëindigd – primair verzocht Trigion alsnog te veroordelen tot betaling van een billijke vergoeding, transitievergoeding, achterstallig loon, vakantie-uren, vakantiebijslag en een vergoeding vanwege de onregelmatige opzegging. Voor het geval het hof tot het oordeel komt dat Trigion de arbeidsovereenkomst niet heeft beëindigd, heeft [appellant] zijn eis vermeerderd door subsidiair doorbetaling van loon tijdens ziekte te verzoeken tot en met
19 augustus 2025. [appellant] heeft het voorgaande verzocht met veroordeling van Trigion in de proceskosten in beide instanties. Trigion heeft verweer gevoerd en heeft verzocht [appellant] in de proceskosten te veroordelen.
Geen opzegging arbeidsovereenkomst door Trigion
5.2.
Het hof zal eerst ingaan op grief 2 waarin [appellant] zich op het standpunt heeft gesteld dat Trigion bij brief van 13 december 2024 de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd. In de brief staat:
‘Gezien uw langdurige afwezigheid en het uitblijven van enige vorm van communicatie, gaan wij ervan uit dat u uw dienstverband bij Trigion Beveiliging B.V. heeft beëindigd. Wij verzoeken u vriendelijk om deze brief te beschouwen als een formele bevestiging van de beëindiging van uw dienstverband per 11 november 2024. (…)’Het hof oordeelt dat uit de brief niet volgt dat Trigion daarbij de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd. In de brief bevestigt Trigion een beëindiging van de arbeidsovereenkomst door [appellant] . Uit de omstandigheden dat [appellant] geen loon heeft ontvangen of Trigion geen re-integratiemaatregelen heeft genomen, kan ook niet worden afgeleid dat Trigion met voornoemde brief de arbeidsovereenkomst heeft beëindigd, omdat het loon al sinds 11 november 2024 niet meer werd voldaan (de dag nadat [appellant] had gemeld niet meer te komen en waarna hij niet meer op het werk is verschenen). Bovendien heeft Trigion ook na 13 december 2024 aan [appellant] loonstroken beschikbaar gesteld, is [appellant] niet aangemeld als uit dienst bij relevante instanties en heeft er geen eindafrekening plaatsgevonden. Deze omstandigheden duiden erop dat Trigion de arbeidsovereenkomst niet heeft opgezegd. Uit de mededeling van 13 december 2024 heeft [appellant] ook niet mogen begrijpen en ook niet daadwerkelijk begrepen dat Trigion de arbeidsovereenkomst met die mededeling beëindigde. Dat blijkt daaruit dat [appellant] op verschillende momenten na die datum zich tot Trigion als zijn werkgever wendde, onder meer met mededelingen over de klacht met betrekking tot zijn bejegening en over zijn bereidheid en mogelijkheden om de arbeid daadwerkelijk te hervatten. Deze grief tegen het oordeel van de kantonrechter dat de arbeidsovereenkomst is blijven voortduren en op 19 augustus 2025 van rechtswege is geëindigd, slaagt daarom niet. De verzoeken van [appellant] gebaseerd op de door hem gestelde opzegging van de arbeidsovereenkomst zijn niet toewijsbaar.
Geen recht op doorbetaling van loon5.3. [appellant] heeft in grief 3 (genummerd als grief 2) betoogd dat hij recht heeft op doorbetaling van loon tijdens ziekte. Daarbij dient volgens [appellant] een onderscheid gemaakt te worden in de periode van voor de ziekmelding en de periode daarna. Trigion heeft weersproken dat [appellant] aanspraak kan maken op doorbetaling van loon nu hij zich vanaf 11 november 2024 niet bereid en beschikbaar heeft gehouden voor het verrichten van arbeid en het volgen van de noodzakelijke opleiding. Trigion heeft betoogd dat dit voor rekening van [appellant] dient te komen en [appellant] daarom geen aanspraak heeft op loon op grond van artikel 7:628 BW Pro. De ziekmelding van [appellant] van 18 november 2024 maakt niet dat [appellant] vanaf dat moment aanspraak had op loon tijdens ziekte, omdat hij niet ziek was en zich enkel vanwege het conflict had ziekgemeld, aldus Trigion.
5.4.
Artikel 7:628 lid 1 BW Pro bepaalt dat de werkgever verplicht is het loon te voldoen indien de werknemer de overeengekomen arbeid geheel of gedeeltelijk niet heeft verricht, tenzij het geheel of gedeeltelijk niet verrichten van de overeengekomen arbeid in redelijkheid voor rekening van de werknemer behoort te komen. De werknemer heeft geen recht op loon tijdens ziekte, indien hij zonder ziek te zijn daarop geen recht zou hebben gehad.
Uitgangspunt is dat de primaire oorzaak van het niet-werken bepaalt of de loondoorbetalingsplicht moet worden getoetst aan artikel 7:628 BW Pro of artikel 7:629 BW Pro.
5.5.
Het hof overweegt dat de primaire oorzaak van het niet-werken is gelegen in de omstandigheid dat [appellant] zich niet bereid en beschikbaar heeft gehouden om de werkzaamheden te verrichten. Na het voorval met [naam 1] eind oktober 2024 heeft [appellant] Trigion op 9 november 2024 bericht dat hij met onmiddellijke ingang stopt met de werkzaamheden voor Trigion. Op 10 november 2024 heeft [appellant] dit ook aan een collega bericht en heeft hij aan de back-up planner laten weten dat hij 11 november 2024 niet op het werk zal verschijnen. Vanaf 11 november 2024 heeft [appellant] niet meer voor Trigion gewerkt. Uit de door Trigion overgelegde correspondentie en verklaringen, die [appellant] onvoldoende gemotiveerd heeft weersproken, volgt dat Trigion in de periode van 1 november 2024 tot 18 november 2024 meerdere malen heeft geprobeerd om met [appellant] in gesprek te komen over het voorval met [naam 1] , het verzoek om een andere praktijkbegeleider toegewezen te krijgen en de klacht die [appellant] had over de wijze waarop hij door [naam 1] is behandeld. [appellant] voelde zich onheus behandeld en gediscrimineerd. Trigion heeft [appellant] meermaals uitgenodigd voor een gesprek en heeft diverse keren zowel telefonisch als per e-mail contact met [appellant] gezocht. Trigion heeft gesteld dat [appellant] zich ook per e-mail en aan de telefoon steeds niet constructief heeft opgesteld en enkel verwijten aan Trigion heeft gemaakt. [appellant] heeft dat onvoldoende weersproken en niet laten blijken dat hij het gesprek met Trigion wilde aangaan, zelfs niet nadat Trigion hem contact met een vertrouwenspersoon had aangeboden (zie bij de feiten onder 3.12). Dat had wel van hem mogen worden verwacht. Door niet in gesprek te willen en de deur dicht te blijven houden richting zijn werkgever totdat zijn klacht zou zijn afgehandeld, kon het conflict niet worden opgelost en duurde de situatie onnodig voort. Uit voornoemde omstandigheden volgt dat de primaire oorzaak voor het niet werken is gelegen in het feit dat [appellant] zich vanaf 11 november 2024 niet langer bereid en beschikbaar heeft gehouden tot het verrichten van de werkzaamheden en dat het niet verrichten van de werkzaamheden in redelijkheid voor zijn rekening komt. Op grond van artikel 7:628 BW Pro is er dan ook geen verplichting voor Trigion om vanaf 11 november 2024 loon aan [appellant] door te betalen.
5.6.
De ziekmelding vanaf 18 november 2024 brengt in het voorgaande geen verandering. De primaire oorzaak van het niet-werken blijft dat [appellant] per 11 november 2024 niet meer op het werk is verschenen vanwege een conflict met zijn praktijkopleider en Trigion. Ook als het hof wel zou zijn toegekomen aan een beoordeling van de loonvordering op grond van artikel 7:629 BW Pro, zou deze vordering zijn afgewezen. Anders dan [appellant] heeft betoogd, rust op hem op grond van artikel 7:629a BW de verplichting om bij een loonvordering als bedoeld in artikel 7:629 BW Pro een verklaring toe te voegen van een deskundige, die is benoemd door het UWV, over de verhindering van hem om de bedongen of andere passende arbeid te verrichten. Een dergelijke verklaring had van [appellant] gevergd kunnen worden, zeker gegeven de omstandigheden waarin hij vanwege een conflict niet meer op het werk is verschenen en aan zijn werkgever heeft gemeld dat dat de reden was van zijn ziekmelding. Daarnaast overweegt het hof dat niet is komen vast te staan dat [appellant] ziek was en dat Trigion daar ook niet van uit hoefde te gaan. [appellant] heeft aangevoerd dat hij door de verhoudingen en de weerslag die dat had op zijn geestelijke en lichamelijke gemoedstoestand niet in staat was om te werken, maar een verdere toelichting geeft [appellant] niet. [appellant] heeft ook geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat hij geheel of gedeeltelijk niet meer in staat was om de werkzaamheden te verrichten. Een voldoende concreet en specifiek bewijsaanbod van [appellant] ontbreekt op dit punt. Ook blijkt nergens uit dat [appellant] situatief arbeidsongeschikt was. Overigens staat vast dat [appellant] vanaf 14 april 2025 in ieder geval weer elders full time aan het werk was. Trigion heeft weliswaar pas na het ontvangen van het ontbindingsverzoek een bedrijfsarts ingeschakeld, maar dat laat onverlet dat het in de gegeven omstandigheden waarin Trigion er in redelijkheid van uit mocht gaan dat [appellant] niet ziek was, het aan [appellant] is om zijn stelling dat hij ziek was toe te lichten en te onderbouwen. In die zin komt het voor zijn risico dat hij aan de twee oproepen om te verschijnen bij de bedrijfsarts geen gehoor heeft gegeven. Verder heeft [appellant] zich ook niet bereid verklaard om weer aan het werk te gaan als hij weer beter zou zijn.
5.7.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de grieven van [appellant] geen doel treffen. De bestreden beschikking zal worden bekrachtigd. [appellant] is in het hoger beroep in het ongelijk gesteld en zal daarom worden veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep.

6.Beslissing

Het hof:
bekrachtigt de bestreden beschikking;
veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van Trigion vastgesteld op € 851,00 voor griffierecht en € 2.580,00 voor salaris advocaat (2 punten x appeltarief II) en op € 189,00 voor nasalaris, te vermeerderen met € 98,00 voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van deze beschikking plaatsvindt;
verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A.L. Bervoets, A.S. Arnold en E. Verhulp en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2026.