Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:1532

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
2 juni 2026
Publicatiedatum
2 juni 2026
Zaaknummer
23-001924-25
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling poging zware mishandeling met schoppartij tegen bewusteloos slachtoffer

De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld voor poging tot zware mishandeling nadat hij een bewusteloos slachtoffer met kracht een schop tegen het hoofd gaf tijdens een straatruzie. De verdachte was toen 18 jaar en onder invloed van alcohol. Het hof verklaarde hem niet-ontvankelijk in hoger beroep voor een vrijspraak op een ander feit en bevestigde het vonnis, behalve de strafoplegging die het hof herziet.

Het hof weigerde toepassing van het jeugdstrafrecht ondanks een advies van de reclassering, omdat de persoonlijke omstandigheden en indruk van de verdachte dit niet rechtvaardigden. Wel hield het hof rekening met zijn jonge leeftijd, goede proceshouding, spijtbetuiging en positieve reclasseringsrapporten.

De opgelegde straf bestaat uit 150 dagen gevangenisstraf waarvan 123 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, en een taakstraf van 180 uur. De vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding van €7.953,44, bestaande uit materiële en immateriële schade, werd volledig toegewezen met wettelijke rente vanaf 22 juli 2023.

De verdachte heeft een strafblad zonder eerdere geweldsdelicten en heeft tijdens schorsing aan voorwaarden voldaan. Het hof achtte de ernst van het feit en de maatschappelijke impact groot, mede door het blijvende letsel en mentale gevolgen voor het slachtoffer en omstanders. De straf is lager dan het LOVS-oriëntatiepunt vanwege poging en persoonlijke omstandigheden.

De schadevergoeding is gebaseerd op concrete onderbouwing, inclusief gederfde inkomsten door gemiste oefeningen bij de Koninklijke Marine. De verdachte is verplicht tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer, met een maximale gijzelingstermijn van 64 dagen bij niet-betaling.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 150 dagen gevangenisstraf (123 voorwaardelijk) en 180 uur taakstraf voor poging zware mishandeling; schadevergoeding van €7.953,44 toegewezen.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001924-25
datum uitspraak: 2 juni 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 22 juli 2025 in de strafzaak onder parketnummer 15-183551-23 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2004,
adres: [adres] .

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De verdachte is door rechtbank vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 2 is tenlastegelegd. Door de verdachte is onbeperkt hoger beroep ingesteld. Gelet op artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen een beslissing tot vrijspraak geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis gegeven vrijspraak voor feit 2.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 19 mei 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen, behalve ten aanzien van de strafoplegging – in zoverre zal het vonnis worden vernietigd – en met dien verstande dat het hof een ter terechtzitting ingenomen standpunt van de verdediging ten aanzien van de vordering benadeelde partij zal bespreken.

Oplegging van straffen en maatregel

De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder feit 1 subsidiair bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 150 dagen waarvan 123 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en met aftrek van het voorarrest. Daarnaast heeft de rechtbank een taakstraf voor de duur van 240 uren opgelegd.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straffen en maatregel als door de rechtbank in eerste aanleg is opgelegd.
De raadsman heeft verzocht om het adolescentenstrafrecht toe te passen. Hij heeft daartoe – kort gezegd – aangevoerd dat de reclassering het wegingskader voor het adolescenten strafrecht heeft ingezet en tot de conclusie is gekomen dat het adolescenten strafrecht van toepassing is.
Het hof overweegt als volgt.
Op grond van artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht kan het hof – ten aanzien van een verdachte die ten tijde van het begaan van een strafbaar feit de leeftijd van 18 jaren maar niet die van 23 jaren heeft bereikt – het jeugdstrafrecht toepassen, als het hof daartoe grond vindt in de persoonlijkheid van de verdachte of in de omstandigheden waaronder het feit is begaan. Het hof stelt vast dat de verdachte het bewezenverklaarde feit heeft gepleegd toen hij 18 jaar oud was. Het uitgangspunt is dan dat berechting
plaatsvindt volgens het volwassenenstrafrecht. Met betrekking tot de vraag of er, in afwijking van dit uitgangspunt, aanleiding bestaat om het jeugdstrafrecht toe te passen overweegt het hof het volgende.
De reclassering heeft in het reclasseringsrapport van 6 februari 2025 gesteld dat er “enige indicaties” zijn om toepassing te geven aan het jeugdstrafrecht. De reclassering vindt dit passend, omdat sprake is van een pedagogische beïnvloeding vanuit de vader van de verdachte. Daarnaast ziet de reclassering geen contra-indicaties voor de toepassing van het jeugdstrafrecht. Met de rechtbank is het hof echter van oordeel dat de door de reclassering summier onderbouwde conclusie om jeugdstrafrecht toe te passen onvoldoende grond biedt om dit advies te volgen. De indruk die de verdachte op de zitting heeft gemaakt en wat overigens over hem is gebleken, geven geen aanleiding om ten aanzien van de verdachte het jeugdstrafrecht toe te passen, in afwijking van het uitgangspunt dat 18-jarigen berecht worden volgens het volwassenstrafrecht.
Het hof heeft vervolgens in hoger beroep de op te leggen straffen en maatregel bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van een zeer heftig geweldsfeit. De verdachte heeft zich tijdens het uitgaan gemengd in een ruzie op straat, waar hij zelf geen bemoeienis mee had. Tijdens deze ruzie heeft de verdachte zonder enige aanleiding het slachtoffer [benadeelde partij] , die op dat moment al bewusteloos op de grond lag, met kracht een schop tegen het hoofd gegeven. De verdachte was op dat moment onder invloed van alcohol. De impact van het geweld op het leven van het slachtoffer is groot geweest. [benadeelde partij] heeft verwondingen aan zijn gezicht opgelopen die gehecht moesten worden en hierdoor is een blijvend litteken in zijn gezicht ontstaan. Daarnaast is een hersenschudding geconstateerd waardoor [benadeelde partij] langere tijd beperkt is geweest in zijn werkzaamheden. Naast het fysieke leed kampt [benadeelde partij] ook met de mentale gevolgen die dit geweld met zich heeft gebracht. Niet alleen bij [benadeelde partij] zijn gevoelens van angst en onveiligheid ontstaan, maar ook verschillende omstanders zijn geconfronteerd met het gewelddadig optreden van de verdachte. Dergelijke feiten veroorzaken veel maatschappelijke onrust en leiden tot een toename van gevoelens van angst en onveiligheid bij omstanders.
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft het hof gelet op het strafblad van de verdachte van 11 juni 2025, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een geweldsfeit is veroordeeld. Het hof zal het strafblad van de verdachte dan ook niet in zijn nadeel meewegen.
In het voordeel van de verdachte houdt het hof rekening met zijn persoonlijke omstandigheden. Allereerst betrekt het hof daarbij de jonge leeftijd van de verdachte. Hoewel het hof geen aanleiding ziet om het jeugdstrafrecht toe te passen, zal het hof wel in strafmatigende zin meewegen dat de verdachte ten tijde van dit feit net achttien jaar oud was. Ter terechtzitting heeft de verdachte toegelicht dat het goed met zijn werk gaat, dat hij nauwelijks meer drinkt en dat hij inmiddels een stabiel leven leidt. Daarnaast houdt het hof rekening met de reclasseringsrapporten van 1 augustus 2023, 14 augustus 2023, 25 oktober 2024 en 6 februari 2025. Hieruit blijkt dat de verdachte zich tijdens zijn schorsing aan alle voorwaarden en aanwijzingen heeft gehouden. Hij heeft onder meer inzicht verkregen in zijn alcoholgebruik en heeft zijn leven op dit moment op orde. Ter terechtzitting heeft de verdachte toegelicht dat hij de training Alcohol & Geweld heeft doorlopen. De reclassering schat het risico op recidive in als laag en vindt het niet nodig om aan de verdachte bijzondere voorwaarden op te leggen. De verdachte heeft meermaals zijn spijt betuigd en aangegeven in te zien dat hij verkeerd heeft gehandeld, ook nog eens op de terechtzitting van het hof. Verdachte heeft er daarmee blijk van gegeven verantwoordelijkheid te nemen voor het door hem gepleegde feit
Het hof is van oordeel dat de ernst van het bewezen verklaarde feit en de impact die een dergelijk feit op het slachtoffer heeft, zonder meer een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigt. Verder heeft het hof ook gekeken naar de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd en naar de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Het oriëntatiepunt voor zware mishandeling, waarbij tegen het hoofd wordt geschopt, is een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden. Omdat het hof de verdachte veroordeelt voor een poging tot zware mishandeling zal het hof uitgaan van een lager uitgangspunt. Verder houdt het hof in het voordeel van de verdachte rekening met zijn jonge leeftijd, zijn proceshouding en het gegeven dat het feit van enige tijd geleden is. Dit maakt dat het hof een nieuwe periode van detentie op dit moment niet meer passend vindt en dat het aan de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van de door verdachte reeds ondergane voorlopige hechtenis zal opleggen, gecombineerd met een voorwaardelijk deel van de gevangenisstraf en een forse taakstraf.
Alles afwegende is het hof van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 150 dagen moet worden opgelegd, met aftrek van voorarrest. Het hof bepaalt dat hiervan 123 dagen vooralsnog niet ten uitvoer worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee jaren. Het hof acht een fors voorwaardelijk deel passend en wil hiermee bereiken dat de verdachte gemotiveerd blijft geen nieuwe (gewelds)feiten te plegen. Het hof ziet in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte voorts aanleiding om een taakstraf op te leggen voor de duur van 180 uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 90 dagen hechtenis.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 45 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt in totaal € 7.953,44. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep geheel toegewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de gehele vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen met wettelijke rente en het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel.
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard ten aanzien van de gederfde inkomsten. De benadeelde partij heeft zijn reguliere inkomen vergoed gekregen, hij heeft enkel bonussen gemist. Dit maakt de berekening ingewikkeld, want dan moet bepaald worden hoe reëel het is dat hij zonder dit feit alle bonussen toegekend had gekregen. De bruto-netto berekening gaat niet op, omdat als de benadeelde partij de bonus op zijn salaris had gekregen hij in een hogere belasting schaal zou uitkomen en het bedrag anders zou zijn. Dit is een ingewikkelde en complexe berekening die een onevenredige belasting voor het strafproces zou opleveren. De rest van de vordering is door de raadsman niet betwist.
Het hof overweegt als volgt.
Evenals de rechtbank is het hof van oordeel dat ook de door de raadsman betwiste schade als gevolg van gederfde inkomsten voor vergoeding in aanmerking komt. Uit de stukken blijkt voldoende concreet hoe deze post is opgebouwd. Het hof acht op grond van die stukken, waaronder een brief van de financial officer van de werkgever van de benadeelde partij (bijlage 14 bij het schadevergoedingsverzoek) voldoende onderbouwd dat de benadeelde partij in beginsel zou hebben meegedaan aan drie geplande oefeningen van de Koninklijke Marine als de gevolgen van de mishandeling daar niet aan in de weg hadden gestaan, en dat de benadeelde partij in dat geval aanspraak zou hebben kunnen maken op de gevorderde vergoedingen die aan deelname aan die oefeningen verbonden zijn. In zoverre is naar het oordeel van het hof, anders dan de raadsman van de verdachte meent, geen sprake van dermate onzekere toekomstige factoren, dat de beoordeling van de vordering niet binnen de kaders van het strafproces zou kunnen plaatsvinden. Het gevorderde bedrag ten aanzien van de gederfde inkomsten komt het hof overigens billijk voor. Het hof acht de vordering daarom ook op het onderdeel van de gederfde inkomsten toewijsbaar.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.
De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] zal volledig worden toegewezen tot een bedrag van €7.953,44, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 22 juli 2023 tot aan de dag van algehele voldoening.
Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

BESLISSING

Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2 tenlastegelegde.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
150 (honderdvijftig) dagen.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot
123 (honderddrieëntwintig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
180 (honderdtachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
90 (negentig) dagen hechtenis.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 7.953,44 (zevenduizend negenhonderddrieënvijftig euro en vierenveertig cent) bestaande uit € 5.203,44 (vijfduizend tweehonderddrie euro en vierenveertig cent) materiële schade en € 2.750,00 (tweeduizend zevenhonderdvijftig euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij] , ter zake van het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 7.953,44 (zevenduizend negenhonderddrieënvijftig euro en vierenveertig cent) bestaande uit € 5.203,44 (vijfduizend tweehonderddrie euro en vierenveertig cent) materiële schade en € 2.750,00 (tweeduizend zevenhonderdvijftig euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 64 (vierenzestig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 22 juli 2023.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. E.J Hofstee, mr. A.W.T. Klappe en mr. J.F.C. Schnitzler, in tegenwoordigheid van mr. L.M. Steur, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 2 juni 2026.
=========================================================================
[…]