Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.[geïntimeerde] ,
1.De zaak in het kort
2.Het geding in hoger beroep
3.Feiten
4.Procedure bij de rechtbank
5.Vordering in hoger beroep
in voorwaardelijk incidenteel appel:
6.Beoordeling
grief 1over de wijze waarop de deelgeschilrechter de beschikbare bewijsmiddelen heeft gewaardeerd. [appellante] meent dat bij de bewijswaardering tot uitgangspunt had moeten worden genomen dat het (zeer) onaannemelijk is dat [geïntimeerde] met [appellante] een exoneratie is overeengekomen. [geïntimeerde] zou een juridische leek zijn, zou geen financieel belang hebben bij de door haar gestelde afspraak en zou geen soortgelijke afspraak hebben gemaakt met andere personen die het paard verzorgden en bereden. Verder meent [appellante] dat de rechtbank ten onrechte voorbij is gegaan aan verschillende verklaringen die volgens [appellante] beter bij haar lezing passen dan bij die van [geïntimeerde] .
grief 2klaagt [appellante] erover dat de hiervoor als vaststaand beschouwde afspraak niet kan worden gekwalificeerd als een overeengekomen exoneratie. Het feit dat [appellante] ermee zou hebben ingestemd dat zij het paard ‘op eigen risico’ zou berijden, zou dermate vaag zijn, dat daarmee geen overeenkomst tot stand zou zijn gekomen met de door [geïntimeerde] voorgestane strekking. Ook overigens zou niet aan de voorwaarden voor aanbod en aanvaarding zijn voldaan.
grief 3.
“We wisten gewoon van elkaar hoe het zat, van het eigen risico, dat je zelf op het paard gaat zitten.”
75