De zaak betreft een klacht van klager tegen een gerechtsdeurwaarder over vermeende onrechtmatige beslaglegging op een horloge en een telefoon. Klager was op het moment van de beslaglegging in staat van faillissement en betoogde dat er geen titel bestond voor het beslag, waardoor het onrechtmatig zou zijn.
De kamer voor gerechtsdeurwaarders verklaarde de klacht ongegrond, en klager ging in hoger beroep. Het hof beperkte de bespreking tot het beslag op het horloge, aangezien het andere onderdeel reeds door de kamer was beoordeeld.
Het hof stelde vast dat de gerechtsdeurwaarder het horloge niet zelf in beslag had genomen, maar dat het horloge door de politie aan hem was overgedragen na de gijzeling van klager. Het horloge was vervolgens aan de curator verstrekt. Klager had onvoldoende bewijs geleverd om het tegendeel aannemelijk te maken.
Het hof concludeerde dat de klacht ongegrond was en bevestigde de beslissing van de kamer. De gerechtsdeurwaarder had geen onrechtmatig beslag gelegd op het horloge.