Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:1454

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
26 mei 2026
Publicatiedatum
28 mei 2026
Zaaknummer
200.331.812/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:88 BWArt. 1:89 BWArt. 3:52 BWArt. 7:907 BWArt. 2 WCAM-overeenkomst
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toelating bewijslevering over kennis echtgenote effectenleaseovereenkomst vóór 13 maart 2000

In deze civiele zaak in hoger beroep tussen Dexia Nederland B.V. en de afnemer staat het geschil centraal over de vernietigbaarheid van een effectenleaseovereenkomst die de afnemer met een rechtsvoorgangster van Dexia sloot. De echtgenote van de afnemer heeft de overeenkomst vernietigd wegens het ontbreken van haar schriftelijke toestemming, zoals vereist volgens artikel 1:89 BW Pro in samenhang met artikel 1:88 BW Pro.

De kantonrechter had de effectenleaseovereenkomst vernietigd en Dexia veroordeeld tot betaling aan de afnemer. Dexia betwistte dit en voerde onder meer aan dat de vernietigingsvordering door de echtgenote was verjaard. Het hof overweegt dat de verjaringstermijn van drie jaar begint te lopen vanaf het moment dat de echtgenote daadwerkelijk bekend werd met de overeenkomst.

Dexia stelde dat de echtgenote vóór 13 maart 2000 bekend was met de effectenleaseovereenkomst, onderbouwd met diverse feiten zoals betalingen, ontvangst van poststukken en vermoedelijke kennis via belastingaangiften. Het hof laat Dexia toe bewijs te leveren van deze stelling, onder meer door getuigenverhoor, en houdt verdere beslissing aan totdat dit bewijs is geleverd.

Uitkomst: Dexia wordt toegelaten bewijs te leveren dat de echtgenote vóór 13 maart 2000 bekend was met de effectenleaseovereenkomst, waarna verdere beslissing wordt aangehouden.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.331.812/01
zaak- en rolnummer rechtbank Amsterdam : 9444105 EL 21-227
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 26 mei 2026
inzake
DEXIA NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
appellante,
advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam,
tegen
[geïntimeerde] ,
wonend te [plaats] , gemeente Stadskanaal,
geïntimeerde,
advocaat: mr. J.B. Maliepaard te Rotterdam.
Partijen worden hierna Dexia en de afnemer genoemd.

1.Het geding in hoger beroep

Dexia is bij dagvaarding van 21 juli 2023 in hoger beroep gekomen van een tussenvonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter) van 17 maart 2022 en een eindvonnis van 15 juni 2023, onder bovengenoemd zaak- en rolnummer gewezen tussen de afnemer als eiser in conventie en verweerder in reconventie en Dexia als gedaagde in conventie en eiseres in reconventie.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven;
- memorie van antwoord, met producties;
- akte uitlaten producties van Dexia.
Ten slotte is arrest gevraagd.
Partijen hebben geconcludeerd zoals verwoord in de processtukken.

2.Feiten

Het hof gaat uit van de volgende feiten, die tussen partijen niet in geschil zijn.
2.1.
De afnemer heeft met een rechtsvoorgangster van Dexia onderstaande effectenleaseovereenkomst gesloten (hierna: de effectenleaseovereenkomst). De effectenleaseovereenkomst is op enig moment geëindigd, waarna Dexia de eindafrekening heeft opgesteld. De relevante gegevens van de effectenleaseovereenkomst zijn als volgt:
Nr.
Contractnummer
Datum
Naam
Looptijd
Eindafrekening
Resultaat
1.
[nummer]
23-05-1998
[naam 1]
180 mnd.
06-01-2006
€ 8.238,90
2.2.
[naam 2] (hierna: de echtgenote), met wie de afnemer ten tijde van het aangaan van de effectenleaseovereenkomst was gehuwd, heeft de afnemer geen (schriftelijke) toestemming verleend voor het aangaan van de effectenleaseovereenkomst.
2.3.
Bij brief van 19 augustus 2005 aan Dexia (hierna: de vernietigingsbrief) heeft de echtgenote met een beroep op artikel 1:89 BW Pro in samenhang met artikel 1:88 BW Pro meegedeeld de effectenleaseovereenkomst te vernietigen.

3.Beoordeling

3.1.
Bij beschikking van 25 januari 2007 (ECLI:NL:GHAMS:2007:AZ7033) heeft dit hof op de voet van artikel 7:907, eerste lid, BW een overeenkomst tussen Dexia en anderen verbindend verklaard voor de kring van gerechtigden als bedoeld in artikel 2 van Pro de WCAM-overeenkomst. De afnemer en de echtgenote hebben tijdig een opt out-verklaring uitgebracht, zodat deze WCAM-overeenkomst hen niet bindt.
3.2.
Deze procedure ziet op door de afnemer met Dexia gesloten effectenleaseovereenkomst waarvan de echtgenote de vernietigbaarheid heeft ingeroepen met de vernietigingsbrief. Dexia beroept zich onder meer op verjaring van deze rechtsvordering tot vernietiging.
3.3.
De kantonrechter heeft voor zover hier van belang, voor recht verklaard dat de effectenleaseovereenkomst is vernietigd, heeft Dexia veroordeeld om aan de afnemer ter zake de effectenleaseovereenkomst te betalen hetgeen Dexia op grond van de in het vonnis genoemde berekening verschuldigd is, en heeft Dexia veroordeeld om aan de afnemer de wettelijke rente en de kosten van de procedure te betalen.
3.4.
Tegen deze beslissing van de kantonrechter en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt Dexia op. In de grieven van Dexia ligt onder meer besloten dat zij opkomt tegen het oordeel van de kantonrechter dat de rechtsvordering tot vernietiging van de effectenleaseovereenkomst door de echtgenote niet is verjaard.
3.5.
Het hof overweegt als volgt. De effectenleaseovereenkomst moet worden aangemerkt als een overeenkomst van koop op afbetaling (huurkoop) in de zin van artikel 1:88 lid 1 aanhef Pro en onder d BW. De echtgenote heeft op grond van artikel 1:89 lid 1 BW Pro het recht de effectenleaseovereenkomst, die de afnemer is aangegaan, te vernietigen, omdat voor het aangaan daarvan aan de afnemer geen schriftelijke toestemming is gegeven.
3.6.
Uit artikel 3:52 lid Pro 1, aanhef en onder d, BW in samenhang met artikel 1:89 lid 1 BW Pro volgt dat de rechtsvordering tot vernietiging van een overeenkomst wegens het ontbreken van de krachtens artikel 1:88 BW Pro vereiste toestemming verjaart na drie jaren gerekend vanaf het moment waarop deze bevoegdheid tot vernietiging aan de echtgenote van wie de toestemming was vereist, ten dienste is komen te staan. Ingevolge artikel 3:52 lid 2 BW Pro kan, na verjaring van de rechtsvordering tot vernietiging, een overeenkomst niet meer op dezelfde vernietigingsgrond buitengerechtelijk worden vernietigd.
3.7.
De verjaringstermijn gaat lopen op het tijdstip waarop de echtgenote daadwerkelijk bekend is geworden met het bestaan van de overeenkomst. Beslissend zijn de feiten en omstandigheden die bij de echtgenote bekend zijn, en niet de bekendheid van de echtgenote met de juridische beoordeling daarvan. Het gaat erom wanneer de echtgenote wist van de effectenleaseovereenkomst en niet om de vraag op welk moment zij wist of begreep dat zij bevoegd was de effectenleaseovereenkomst te vernietigen. Op degene die zich op verjaring beroept, in dit geval Dexia, rusten de stelplicht en bewijslast van de feiten en omstandigheden waaruit die bekendheid van de echtgenote kan worden afgeleid.
3.8.
Het hof neemt in aanmerking dat de Hoge Raad heeft geoordeeld dat in gevallen als deze, de bevoegdheid van de echtgenote tot het uitbrengen van een buitengerechtelijke verklaring tot vernietiging, op 13 maart 2003 is gestuit als gevolg van de op die datum ingestelde collectieve actie van onder meer Stichting Eegalease. Aangezien voor deze rechtsvordering tot vernietiging een verjaringstermijn van drie jaar geldt, betekent dit dat de verjaring van de bevoegdheid tot vernietiging van de effectenleaseovereenkomsten tijdig is gestuit bij alle overeenkomsten die zijn gesloten vanaf 13 maart 2000. Hetzelfde geldt in gevallen waarin de overeenkomst weliswaar vóór die datum is gesloten, maar de echtgenote pas ná 13 maart 2000 bekend werd met de overeenkomst. De verjaringstermijn vangt immers pas aan op het moment dat de echtgenote daadwerkelijk bekend wordt met de overeenkomst (HR 9 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3018).
3.9.
Dexia heeft in eerste aanleg ten aanzien de wetenschap van de echtgenote van de effectenleaseovereenkomst vóór 13 maart 2000 het volgende aangevoerd:
- volgens de afnemer is de effectenleaseovereenkomst tot stand gekomen via een persoon die bij hem thuis is geweest. Het is aannemelijk dat de echtgenote direct bij de totstandkoming van de effectenleaseovereenkomst ervan op de hoogte is geraakt;
- de afnemer heeft op de effectenleaseovereenkomst met Dexia in totaal € 20.920,80 aan incasso’s betaald. Een deel hiervan is vóór 13 maart 2000 betaald. Dergelijke grote uitgaven kunnen binnen het huishouden van de afnemer en de echtgenote niet zijn gedaan zonder dat dit (van tevoren) is besproken;
- de afnemer heeft vanaf februari 1998 stukken met betrekking tot de leaseovereenkomst op zijn huisadres in een enveloppe met daarop de groene balk met het logo van Dexia ontvangen. Dexia acht het onaannemelijk dat de veelheid aan enveloppen de echtgenote onopgemerkt is gebleven;
- Dexia gaat ervan uit dat de echtgenote de gezamenlijk belastingaangiften over de jaren 1998 tot en met 2000, met daarin de betaalde rente als aftrekpost, heeft ondertekend.
De afnemer heeft dit betwist.
Naar het oordeel van het hof heeft Dexia hiermee voldoende gemotiveerd gesteld dat de echtgenote vóór 13 maart 2000 daadwerkelijk bekend was met het bestaan van de effectenleaseovereenkomst. Het hof zal Dexia overeenkomstig haar aanbod toelaten bewijs te leveren van de feiten of omstandigheden waaruit volgt dat de echtgenote vóór 13 maart 2000 bekend is geworden met het bestaan van de effectenleaseovereenkomsten, zoals hierna onder 4.1 is vermeld.
3.10.
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

4.Beslissing

Het hof:
4.1.
laat Dexia toe tot het leveren van bewijs van haar stelling dat de echtgenote vóór
13 maart 2000 met het bestaan van de effectenleaseovereenkomst bekend is geworden;
4.2.
bepaalt dat als Dexia dit bewijs wenst te leveren door het laten horen van getuigen, een getuigenverhoor zal plaatshebben ten overstaan van mr. J.W.M. Tromp, die hierbij tot raadsheer-commissaris wordt benoemd. Dit verhoor zal plaatshebben in een van de zalen van het Paleis van Justitie aan het IJdok 20 te Amsterdam op 17 juni 2026 om 15:00 uur;
4.3.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.W.M. Tromp, L. Alwin en M.M. Kruithof en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2026.