Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:1375

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
21 mei 2026
Publicatiedatum
22 mei 2026
Zaaknummer
23-000230-24
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 10 OpiumwetArt. 2 OpiumwetArt. 94a SvArt. 359a Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel uit cocaïnehandel na overschrijding redelijke termijn

Het gerechtshof Amsterdam heeft op 21 mei 2026 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 17 januari 2024 betreffende de ontnemingsvordering tegen de betrokkene, die onherroepelijk veroordeeld is voor deelname aan een criminele organisatie en medeplegen van handel in cocaïne.

De rechtbank had een ontnemingsbedrag van €23.601,86 opgelegd, maar het hof vernietigt dit vonnis en stelt het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €25.207,11. Na aftrek van kosten en een matiging van 10% wegens overschrijding van de redelijke termijn legt het hof een betalingsverplichting van €22.686,00 op aan de Staat.

De berekening van het wederrechtelijk voordeel is gebaseerd op afgeluisterde telefoongesprekken, getuigenverklaringen en een rapport van een opsporingsambtenaar. Het hof acht aannemelijk dat de betrokkene de aansturende persoon was in de handel en dat hij de grootste opbrengsten ontving. Kosten voor inkoop, telefoons, verpakking en vervoer zijn in mindering gebracht.

De verdediging had betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moest worden verklaard wegens overschrijding van de redelijke termijn en schending van het gelijkheidsbeginsel, maar het hof verwierp deze stellingen. Het hof oordeelt dat de overschrijding niet leidt tot niet-ontvankelijkheid en dat de ontnemingsvordering niet strijdig is met de goede procesorde.

Het arrest bevat tevens een bepaling over de maximale duur van gijzeling die kan worden gevorderd, gesteld op 222 dagen.

Uitkomst: Betrokkene wordt verplicht tot betaling van €22.686,00 aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel na matiging wegens overschrijding redelijke termijn.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 23-000230-24 (ontneming)
Datum uitspraak: 21 mei 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 17 januari 2024 op de vordering van het openbaar ministerie ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de ontnemingszaak met nummer 13-650540-16 tegen de betrokkene
[betrokkene],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1971,
adres: [adres] .

Procesgang

Het openbaar ministerie heeft in eerste aanleg gevorderd dat aan de betrokkene de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat tot een bedrag van € 46.904,65.
De betrokkene is bij arrest van het hof Amsterdam van 17 maart 2022 onherroepelijk veroordeeld voor, kort gezegd: feit 1: deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, derde en vierde lid, van de Opiumwet en feit 2: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.
Voorts heeft de rechtbank Amsterdam bij vonnis van 17 januari 2024 de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 23.601,86 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen laatstgenoemd vonnis.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
9 april 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de betrokkene en zijn raadsvrouw naar voren hebben gebracht.

Vonnis waartegen beroep

Het vonnis zal worden vernietigd, omdat het hof tot iets andere beslissingen komt dan de rechtbank.

Standpunt van partijen

De vordering
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep, aan de hand van zijn conclusie van
24 maart 2026, gevorderd dat het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt vastgesteld op een bedrag van € 22.204,29 en dat aan de betrokkene de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de staat van
€ 18.873,65 ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Met betrekking tot de door de verdediging gestelde kosten heeft de advocaat-generaal het volgende aangevoerd. Hij acht de gestelde kosten voor de rode fiets (€ 100,00) en de telefoonkosten (€ 3.920,00) aannemelijk en neemt deze in de berekening mee. Inzake de inkoopkosten ziet hij geen reden af te wijken van de berekening in het ontnemingsrapport en voor de kosten van verpakkingsmateriaal acht hij een bedrag van € 1.000,00 aannemelijk.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw van de betrokkene heeft ter terechtzitting het hof verzocht het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering tot ontneming. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de redelijke termijn excessief is overschreden waardoor een voldoende zorgvuldige beoordeling door de rechter onmogelijk is gemaakt, met als gevolg een ernstige inbreuk op het recht op een eerlijk proces. Verder is volgens haar het gelijkheidsbeginsel geschonden omdat het openbaar ministerie, in vergelijkbare zaken, zijn niet-ontvankelijkheid had bepleit.
De raadsvrouw heeft aan de hand van haar schriftelijke conclusie van 7 maart 2026 en haar pleitnota te kennen gegeven dat de verdediging zich grotendeels kan vinden in de berekening door de rechtbank van het wederrechtelijk verkregen voordeel. De betrokkene stelt echter dat hij meer kosten heeft gemaakt dan de kosten die de rechtbank in aftrek heeft genomen. Deze kosten betreffen de inkoop (€ 220.890.00, aangezien de betrokkene de cocaïne per 100 gram inkocht voor € 37,00 per gram), de rode huurfiets (€ 100,00), telefoonkosten (€ 3.920,00) en het verpakkingsmateriaal (€ 1.500,00).

Overwegingen met betrekking tot de ontvankelijkheid

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie
Het hof stelt voorop dat, gezien bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad, overschrijding van de redelijke termijn om die enkele reden niet leidt tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de ontnemingsvordering, ook niet in uitzonderlijke gevallen. [1]
Het hof begrijpt het betoog van de raadsvrouw aldus dat als gevolg van het tijdsverloop tijdens de ontnemingsprocedure een zodanig ernstige inbreuk is gemaakt op het recht op een eerlijk proces dat het openbaar ministerie om die reden niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
Bij een inbreuk op de verdedigingsrechten van de verdachte die niet onder het bereik van artikel 359a Sv valt, zoals in dit geval, komt de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging niet in aanmerking, behoudens in het uitzonderlijke geval dat die inbreuk van dien aard is en zodanig ernstig dat geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Daarbij verdient opmerking dat het in de eerste plaats moet gaan om een inbreuk die onherstelbaar is en die niet op een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende wijze is gecompenseerd. Bovendien moet die inbreuk het verstrekkende oordeel kunnen dragen – in de bewoordingen van het Europees Hof voor de rechten van de mens – dat ‘the proceedings
as a wholewere not fair’. Uit een en ander volgt dat de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging slechts in uitzonderlijke gevallen in beeld kan komen. [2]
De hiervoor bedoelde jurisprudentie voor de vervolging voor een strafbaar feit vindt toepassing bij een ontnemingsvordering. Hetgeen de raadsvrouw aan haar verweer ten grondslag heeft gelegd – door het tijdsverloop is een voldoende zorgvuldige beoordeling door de rechter onmogelijk gemaakt – kan echter zonder nadere onderbouwing niet leiden tot het oordeel dat een ernstige inbreuk is gemaakt op de verdedigingsrechten die van dien aard is en zodanig ernstig dat geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM Pro. De verdediging heeft immers volstaan met de enkele stelling dat een zorgvuldige beoordeling door de rechter niet (meer) mogelijk is en heeft nagelaten dit standpunt nader in te vullen en te onderbouwen.
Ten aanzien van de gestelde schending van het gelijkheidsbeginsel geldt dat de beslissing tot het instellen van een vordering tot ontneming van wederrechtelijk voordeel exclusief bij het openbaar ministerie ligt. Deze beslissing leent zich slechts in zeer beperkte mate voor inhoudelijke rechterlijke toetsing. Niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie komst slechts dan in beeld indien het instellen of handhaven van de vordering tot ontneming onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde.
In de onderhavige ontnemingszaak is sprake van relatief fors tijdsverloop, met name in eerste aanleg. De enkele omstandigheid dat er in 2022 bij de rechtbank in Den Haag in 50 zaken door het openbaar ministerie de niet-ontvankelijkheid is gevorderd (het hof begrijpt: naar aanleiding van tijdsverloop), maakt niet dat in dit geval sprake is van gelijke zaken die gelijk zouden moeten worden behandeld. Het hof acht het voortzetten van de ontnemingsvordering daarom niet strijdig met beginselen van een goede procesorde.
Het hof concludeert dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in de vordering tot ontneming.

De grondslag van de ontnemingsvordering

De betrokkene is onherroepelijk veroordeeld voor deelname aan een criminele organisatie en het medeplegen van de handel in cocaïne, in de periode van 1 januari 2015 tot en met 15 november 2016. Aannemelijk is dat deze strafbare feiten ertoe hebben geleid dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen zoals bedoeld in artikel 36e, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr).

Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel

De schatting van het wederrechtelijk voordeel wordt ontleend aan de inhoud van het Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel (hierna: het rapport) [3] en de verklaring van de betrokkene dat hij samen met anderen in de periode van 1 januari 2015 tot en met 15 november 2016 in cocaïne heeft gehandeld. De betrokkene heeft erkend dat hij in cocaïne heeft gehandeld. Hij ‘had de dealertelefoons’. De klanten die belden om cocaïne te bestellen, betaalden hem € 50,00 voor een gram en € 25,00 voor een halve gram. [4]
Uit het onderzoek is gebleken dat de betrokkene samen met anderen gebruik maakte van twee werktelefoons, hierna genoemd dealertelefoon 1 ( [telefoonnummer 1] ) en dealertelefoon 2 ( [telefoonnummer 2] ). [5] Deze telefoons rouleerden dagelijks binnen de leden van de groep. Uit het vonnis in de strafzaak, [6] de verklaring van onder meer de medebetrokkene [medebetrokkene] [7] en de eigen verklaring van de betrokkene kan worden afgeleid dat hij binnen de groep de aansturende persoon is geweest.
Uit de inhoud van het dossier (met name afgeluisterde telefoongesprekken, observaties en getuigenverklaringen) en de eigen verklaring van betrokkene(n), kan worden afgeleid dat de volgende werkwijze door de groepering is gevolgd: de afnemers belden naar één van de dealertelefoons, gaven hun bestelling door en vervolgens werd afgesproken waar de cocaïne zou worden afgeleverd. Een halve gram cocaïne kostte € 25,00 en een hele gram € 50,00. Voor het afleveren van bestellingen in de binnenstad van Amsterdam werd veelal gebruik gemaakt van een rode huurfiets of een scooter. Buiten het centrum werd de cocaïne met de auto afgeleverd. [8]
Berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Het hof verenigt zich met de wijze van berekening van het wederrechtelijk voordeel zoals door de rechtbank is gehanteerd, met dien verstande dat het hof de periode:
‘2 oktober 2016 - 11 oktober 2016’ wijzigt in ‘1 oktober 2016 - 11 oktober 2016’. Deze periode telt 11 dagen in plaats van 10 dagen.
Aantal deals
De twee dealertelefoons die zijn gebruikt voor de cocaïnehandel, zijn gedurende een periode afgetapt. Deze periode wordt hierna de gemeten periode genoemd. De gemeten periode beslaat voor dealertelefoon 1 de periode van 12 oktober 2016 tot en met 4 november 2016, oftewel 24 dagen. Voor dealertelefoon 2 is dit de periode van 19 oktober 2016 tot en met 14 november 2016, oftewel 27 dagen. In het rapport is een aantal deals binnen de gemeten periode vastgesteld. De raadsvrouw van de betrokkene heeft in eerste aanleg een daarvan afwijkend aantal deals geteld. Met de rechtbank en de advocaat-generaal neemt het hof, in het voordeel van de betrokkene, de berekening van de raadsvrouw als uitgangspunt.
Dit betekent dat in de gemeten periode voor dealertelefoon 1 181 deals tot stand zijn gekomen en voor dealertelefoon 2 174 deals. Met de rechtbank ziet het hof geen aanleiding om 15% van dit aantal deals af te trekken. De omstandigheid dat sommige deals niet slagen, is immers al meegenomen in de berekening van de raadsvrouw.
Het gemiddeld aantal deals
per dagis voor dealertelefoon 1 (181: 24 =) 7,54.
Voor dealertelefoon 2 is dit (174 : 27 =) 6,44.
Het gemiddeld aantal deals
per maandvoor dealertelefoon 1 is (7,54 x 365 : 12 =) 229,39.
Voor dealertelefoon 2 (6,44 x 365 : 12 =) 196,02.
De periode waarin met de twee telefoons is gedeald, is de periode van 1 januari 2015 tot en met
15 november 2016. Op basis van extrapolatie kan het totaal aantal deals in deze periode als volgt worden berekend:
Dealertelefoon 1
1 januari 2015 - 1 oktober 2016: 21 maanden
229,39 x 21 = 4.817,24 deals
1 oktober 2016 - 11 oktober 2016: 11 dagen
7,54 x 11 = 82,96 deals
12 oktober 2016 - 4 november 2016 (gemeten periode): 181 deals
5 november 2016 - 15 november 2016: 11 dagen
7,54 x 11= 82,96 deals
Totaal aantal deals telefoon 1: 4.817,24 + 82,96 + 181 + 82,96 = 5.164,16 deals.
Dealertelefoon 2
1 januari 2015 - 1 oktober 2016: 21 maanden
196,02 x 21 = 4.116,39 deals
1 oktober 2016 - 18 oktober 2016: 18 dagen
6,44 x 18 = 115,92 deals
19 oktober 2016 - 14 november 2016 (gemeten periode): 174 deals
Totaal aantal deals telefoon 2: 4.116,39 + 115,92 + 174 = 4.406,31 deals.
Totaal aantal deals beide telefoons: 5.164,16 + 4.406,31 = 9.570,47 deals.
Opbrengst dealers
Uit de inhoud van het dossier blijkt dat de betrokkene de aansturende persoon is geweest in de cocaïnehandel. Hij was degene die alle kosten maakte, maar hij ontving ook het grootste deel van de opbrengsten.
Met betrekking tot de opbrengst en de verdeling neemt het hof het rapport als uitgangspunt. [9] Dit betekent dat er aan elke verkochte hele gram cocaïne € 50,00 werd verdiend, waarvan € 10,00 voor de dealers was. Aan de verkoop van elke halve gram werd € 25,00 verdiend, waarvan € 5,00 naar de dealers ging. Voor de betrokkene was de opbrengst dus € 40,00 per gram en € 20,00 per halve gram.
Op basis van de getuigenverklaringen gaat het hof ervan uit dat 75% van de deals halve grammen betroffen en 25% van de deals hele grammen. Dit is anders dan in het rapport, waarin tot 50% halve grammen en 50% halve grammen werd gekomen.
Het aantal verkochte halve grammen is 9.570,47 x 0,75 = 7.177,85.
De opbrengst voor de betrokkene aan halve grammen is dan 7.177,85 x € 20,00 = € 143.557,00.
Het aantal verkochte hele grammen is 9.570,47 x 0,25 = 2.392,62. De opbrengst voor de betrokkene ten aanzien van de hele grammen is dan 2.392,62 x 40 = € 95.704,80.
De totale bruto opbrengst voor de betrokkene is dan € 143.557,00 + € 95.704,80 = € 239.261,80.
Het totaal aantal verkochte grammen is 3.588,93 (7.177,85 : 2) + 2.392,62 = 5.981,54.
Kosten
Zoals hiervoor overwogen, kwamen de kosten voor rekening van de betrokkene. Het gaat dan om de kosten voor de inkoop van de cocaïne, de kosten voor de gebruikte vervoermiddelen zoals de auto, de scooter en de rode huurfiets, de verpakkingskosten en de telefoonkosten.
Inkoopkosten van de cocaïne
Het hof stelt de inkoopprijs van de cocaïne op € 35.000 per kilogram. Dat de betrokkene niet per kilo, maar per 100 gram inkocht en daarom een bedrag van € 37.000 per kilogram heeft betaald, is niet aannemelijk gemaakt. Daarom wordt niet afgeweken van de gemotiveerde berekening in het rapport, die is gebaseerd op gegevens van het Nationaal Netwerk Drugsexpertise over de periode 2012-2015. [10] De totale inkoopkosten bedragen 5,98154 kilogram x € 35.000 = € 209.353,90.
Telefoonkosten
Het hof acht aannemelijk dat kosten zijn gemaakt voor het opladen van de twee prepaid telefoons. De raadsvrouw heeft deze kosten ingeschat op een bedrag van € 40,00 per week. Bij gebrek aan voldoende onderbouwing van dat bedrag neemt het hof voor de telefoonkosten het rapport als uitgangspunt. [11] Het hof acht aannemelijk dat in de bewezenverklaarde periode, met enkel het beantwoorden van de telefoontjes van de klanten en het onderling contact, een bedrag van € 1.000,00 voor twee dealertelefoons aan kosten is besteed.
Verpakkingsmateriaal
Gezien de inhoud van het dossier werd de cocaïne verpakt in envelopjes. De enkele stelling van de betrokkene – eerst in hoger beroep ingenomen – dat hij, naar zijn herinnering, in totaal € 1.500,00 heeft besteed aan dit verpakkingsmateriaal, acht het hof onvoldoende om van dit bedrag uit te gaan. Het hof acht aannemelijk dat kosten zijn gemaakt en schat deze, op basis van digitaal onderzoek van de advocaat-generaal waaruit blijkt dat de huidige prijs € 11,00 voor 100 stuks is, op € 10,00 voor 100 stuks. De kosten verpakking komen dan op (9.570,47 deals; 95,70 x 10) = € 957,00.
Kosten van vervoer
scooter
In het ontnemingsrapport is verondersteld dat leveringen met dealertelefoon 2 betrekking hebben op het buitengebied. Het aantal deals, geregeld via deze telefoon, bedraagt 4.406,31. In het rapport is ervan uitgegaan dat de helft van de leveringen is gedaan met de scooter en de andere helft met de auto. Voor 2.203,16 leveringen worden de kosten geschat op in totaal € 550,79 (2.203,16 : 7 afnemers per liter x € 1,75 per liter). [12]
auto
Voor de auto is in het ontnemingsrapport uitgegaan van € 0,19 per kilometer. Uitgaande van 2.203,16 (4.406,31:2) en 5 kilometer per levering, worden de kosten voor de auto geschat op 2.203,16 x 5 x € 0,19 = € 2.093,00.
fiets
De kosten voor de huurfiets worden geschat op € 100,00.
Voor de kosten van vervoer wordt in totaal € 2.743,79 in aanmerking genomen.
Opbrengst betrokkene
Opbrengst verkoop cocaïne € 239.261,80
Kosten
Inkoop cocaïne € 209.353,90
Telefoon € 1.000,00
Verpakking € 957,00
Vervoer
€ 2.743,79
Totale kosten € 214.054,69
Totaal € 239.261,80
€ 214.054,69 -/-
€ 25.207,11
Het hof concludeert uit het voorgaande dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft genoten, geschat op een bedrag van in totaal € 25.207,11, afgerond op
€ 25.207,00.

Verplichting tot betaling aan de Staat

De raadsvrouw heeft het hof verzocht ter compensatie van de overschrijding van de redelijke termijn
€ 5.000,00 in mindering te brengen op het totaal aan wederrechtelijk verkregen voordeel.
Redelijke termijn
Het hof heeft acht geslagen op de omstandigheid dat in dit geval de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro is overschreden. Uit het dossier blijkt dat de machtiging tot het leggen van beslag ex artikel 94a Sv op 23 december 2016 aan de betrokkene is betekend. Het ontnemingsvonnis dateert van
17 januari 2024. In eerste aanleg is daarmee de redelijke termijn overschreden met ongeveer 5 jaren en 3 weken. Op 29 januari 2024 is hoger beroep ingesteld en het hof doet uitspraak op 21 mei 2026. Dat betekent dat in hoger beroep de redelijke termijn is overschreden met ongeveer 4 maanden. Het hof ziet in deze forse overschrijding aanleiding om de verplichting tot betaling aan de Staat te matigen met 10 procent. Het hof ziet geen aanleiding voor een verdere matiging.
Aan de betrokkene dient, ter ontneming van het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel, de verplichting te worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van (€ 25.207,11 minus
10 procent is) € 22.686,40, afgerond op
€ 22.686,00.

Toepasselijk wettelijk voorschrift

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis en doet opnieuw recht:
Stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van
€ 25.207,00(vijfentwintigduizend tweehonderdzeven euro).
Legt de betrokkene de verplichting op tot
betaling aan de Staatter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van
€ 22.686,00 (tweeëntwintigduizend zeshonderdzesentachtig euro.
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 222 dagen.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. K.J. Veenstra, mr. A.P.M. van Rijn en mr. A.M. Koolen - Zwijnenburg, in tegenwoordigheid van mr. A. Scheffens, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 21 mei 2026.
Mr. A.P.M. van Rijn en mr. A.M. Koolen - Zwijnenburg zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.Vgl. HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578.
2.Vgl. HR 13 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2059, ro 2.3.4.
3.Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel per delict ex artikel 36 e lid 2 Sr van 28 januari 2019, opgesteld door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, pagina’s 1 tot en met 11.
4.De verklaringen van de betrokkene, zoals afgelegd ter terechtzitting van 7 november 2017 en 16 februari 2022, bewijsmiddel 3 en 4 van de bijlage bij het arrest in de strafzaak van 17 maart 2022, pagina 8 en 9.
5.Proces-verbaal van bevindingen van 1 november 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, algemeen dossier deel 2, dossierpagina’s 463 tot en met 470.
6.Vonnis van 4 december 2017, pagina 8 en het rapport, pagina 8.
7.Een proces-verbaal van verhoor [medebetrokkene] van 22 november 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, algemeen dossier eerste aanvulling, dossierpagina ‘s 739 tot en met 743, bewijsmiddel 12 aanvulling bij het arrest in de strafzaak.
8.Het rapport, pagina 4 en 5.
9.Het rapport, pagina 8 en 9.
10.Het rapport, pagina 9.
11.Het rapport, pagina 10.
12.Het rapport, pagina 10.