ECLI:NL:GHAMS:2026:137

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
20 januari 2026
Publicatiedatum
22 januari 2026
Zaaknummer
200.334.192
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aankoop van mondmaskers door de Staat tijdens de Covid-19 pandemie en de gevolgen van non-conformiteit

In deze zaak gaat het om de aankoop van 18 miljoen mondmaskers door de Staat van een leverancier tijdens het begin van de Covid-19 pandemie. De maskers bleken non-conform te zijn, met gebrekkige pasvorm en het ontbreken van een CE-certificering. De verkoper, [appellant], had een koopprijs van 56,3 miljoen euro afgesproken, waarvan 45 miljoen euro was aanbetaald. Na discussie over de kwaliteit van de geleverde maskers, heeft de Staat de overeenkomst grotendeels buitengerechtelijk ontbonden en vorderde terugbetaling van 43 miljoen euro. De rechtbank heeft de ontbinding rechtsgeldig bevonden en de vordering van de Staat toegewezen, terwijl de vordering van de leverancier werd afgewezen, met uitzondering van een klein bedrag voor nog niet betaalde clips. In hoger beroep bevestigde het hof de uitspraak van de rechtbank, waarbij het hof oordeelde dat de tekortkomingen in de levering de ontbinding van de overeenkomst rechtvaardigden. Het hof concludeerde dat de geleverde mondmaskers niet voldeden aan de overeengekomen normen en dat de Staat niet in schuldeisersverzuim was geraakt. De vordering tot terugbetaling van de voorgefinancierde koopsom werd bevestigd, evenals de veroordeling van de leverancier in de proceskosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team handel
zaaknummer: 200.334.192/01
zaak-/rolnummer rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Alkmaar: C/15/318039/ HA ZA 21-374
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 20 januari 2026
inzake
[appellant],
gevestigd te [plaats 1] ,
appellante,
advocaten: mr. E.J.H. Gielen en mr. A.M.A. Canta te Amsterdam,
tegen
[geïntimeerde],
gevestigd te ‘ [plaats 2] ,
geïntimeerde,
advocaten: mr. P.P.M. van Kippersluis, mr. C.D.E. Scholte en mr. F. van der Lecq te ’s-Gravenhage.
Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.

1.De zaak in het kort

1.1
Kort na het uitbreken van de Covid 19 pandemie heeft [geïntimeerde] bij [appellant] bestellingen tot een totaal van achttien miljoen mondmaskers en zes miljoen clips gedaan. De koopprijs van de maskers bedroeg 56,3 miljoen euro, waarvan [geïntimeerde] 45 miljoen euro heeft aanbetaald. Nadat er tussen hen discussie was ontstaan over de kwaliteit van de door [appellant] geleverde maskers, hebben partijen nader afgesproken dat [appellant] deze zou terugnemen en 17,5 miljoen nieuwe maskers zou leveren voorzien van een CE-certificering. [appellant] heeft vervolgens vier miljoen maskers geleverd die [geïntimeerde] heeft afgekeurd. [geïntimeerde] heeft de overeenkomst in mei 2021 grotendeels – een geaccepteerde partij van 500.000 maskers en de clips uitgezonderd – buitengerechtelijk ontbonden.
1.2
In deze procedure vordert [geïntimeerde] een bedrag van ruim 43 miljoen euro terug van [appellant] ter ongedaanmaking van de ontbonden koopovereenkomst. [appellant] eist nakoming van die overeenkomst en betaling van het restant van de koopsom. De rechtbank heeft de ontbinding rechtsgeldig bevonden. Zij heeft vordering van [geïntimeerde] toegewezen en die van [appellant] afgewezen, met uitzondering van een bedrag van € 79.800,00 ter zake van nog niet betaalde clips. Alleen [appellant] is in hoger beroep gegaan. Het hof komt tot dezelfde oordelen als de rechtbank en bekrachtigt het door haar gewezen vonnis.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
[appellant] is bij dagvaarding van 17 maart 2023 in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 21 december 2022, onder bovenvermeld zaak-/rolnummer gewezen tussen [geïntimeerde] als eiser en [appellant] als gedaagde.
2.2
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven, met producties;
- memorie van antwoord, met producties;
- een akte wijziging van eis tevens houdende producties van [appellant] ;
- een akte houdende overlegging producties van [geïntimeerde] ;
- een akte houdende bezwaar tegen eiswijziging tevens houdende overlegging nadere productie van [geïntimeerde] .
2.3
Op 12 februari 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten van partijen hebben de zaak toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen die zij hebben overgelegd.
2.4
Ten slotte is arrest gevraagd.
2.5
[appellant] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, de vorderingen van [geïntimeerde] zal afwijzen met veroordeling van [geïntimeerde] in de, bij niet tijdige betaling met wettelijke rente te vermeerderen, proceskosten waaronder de nakosten.
2.6
[geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis met veroordeling van [appellant] , uitvoerbaar bij voorraad, in de met wettelijke rente te vermeerderen proceskosten.
2.7
Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

3.Feiten

De rechtbank heeft onder 2.1 tot en met 2.30 van het bestreden vonnis feiten vastgesteld. Die feiten zijn, met inachtneming wat [appellant] daartegen met haar
grief 2heeft ingebracht, hieronder met enige aanvullingen weergegeven en dienen ook het hof tot uitgangspunt.
3.1
[appellant] levert producten voor luchtbehandeling en luchtverkoeling, en daarnaast ook persoonlijke beschermingsmiddelen, zoals mondmaskers.
3.2
[geïntimeerde] had vanwege de uitbraak van de coronacrisis begin 2020 op korte termijn dringend behoefte aan grote aantallen mondmaskers voor zorgmedewerkers. In maart 2020 is [geïntimeerde] daarover in contact gekomen met [appellant] .
3.3
De Europese Verordening (EU) 2016/425 van 9 maart 2016 betreffende persoonlijke beschermingsmiddelen stelt gezondheids- en veiligheidseisen aan persoonlijke beschermingsmiddelen die op de Europese markt worden gebracht (hierna: de PBM-Verordening). Als is aangetoond dat persoonlijke beschermingsmiddelen aan deze eisen voldoen, kunnen deze in de handel worden gebracht en wordt daarop een zogenoemde CE-markering aangebracht. De Europese Commissie heeft op 13 maart 2020 Aanbeveling 2020/403 gedaan, op basis waarvan het tijdelijk was toegestaan om persoonlijke beschermingsmiddelen toe te laten zonder CE-markering.
3.4
[appellant] heeft op 20 maart 2020, 21 maart 2020, 23 maart 2020 en 28 maart 2020 vijf offertes uitgebracht voor de levering van in totaal achttien miljoen mondmaskers van het type FFP2/KN95/N95. De kosten daarvan bedroegen in totaal
€ 56.375.000,00. Het ging daarbij om mondmaskers zonder CE-markering.
3.5
[geïntimeerde] heeft de offertes aanvaard en met brieven van 21 maart 2020, 25 maart 2020 en 29 maart 2020 een opdracht verleend aan [appellant] . In de brieven van 21 maart 2020 en 25 maart 2020 is, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:
“Opdrachtgever heeft rechtstreeks met u afspraken gemaakt zonder het volgen van de wettelijke inkoopprocedures wegens dwingende spoed en de druk vanuit de Tweede Kamer voor het nemen van passende maatregelen inzake het bestellen van grote aantallen adembeschermingsmaskers en andere medische producten en/of voorzieningen. De wettelijke inkooptermijnen worden dan ook niet in acht genomen met een beroep op artikel 2.32, lid 1, letter c AW 2012.”
3.6
In overeenstemming met de gemaakte afspraken heeft [geïntimeerde] in maart 2020 een aanbetaling gedaan aan [appellant] van 80% van het totaalbedrag van € 56.375.000,00 van de opdrachten, te weten ruim 45 miljoen euro.
3.7
Op 29 maart 2020 heeft [geïntimeerde] ook zes miljoen clipjes voor de mondmaskers bij [appellant] besteld, voor een bedrag van € 380.000,00 (exclusief btw). Op deze bestelling heeft [geïntimeerde] geen aanbetaling gedaan. De clipjes zijn op 25 april 2020 door [appellant] geleverd en door [geïntimeerde] in ontvangst genomen. [appellant] heeft een factuur van 1 mei 2020 opgesteld en [geïntimeerde] verzocht uiterlijk 6 mei 2020 een bedrag van € 459.800,00 (inclusief btw) te voldoen.
3.8
In een e-mail van 30 maart 2020 heeft [appellant] aan [geïntimeerde] meegedeeld dat vier miljoen mondmaskers vóór 2 april 2020 worden afgeleverd. Verder wordt in die e-mail gesteld dat daarna ‘shipments’ van zes miljoen mondmaskers volgen op 9 april 2020, twee miljoen mondmaskers op 10 april 2020 en zes miljoen mondmaskers op 13 april 2020, en dat de laatste levering dus op 13 april 2020 zal zijn afgerond.
3.9
Op 29 maart 2020 en 31 maart 2020 heeft [appellant] respectievelijk 103.000 en 96.000 mondmaskers geleverd van het merk [plaats 3] . Deze zijn in orde bevonden door het kwaliteitscentrum van [geïntimeerde] (hierna: het kwaliteitscentrum), dat onder leiding van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) is opgericht voor de beoordeling van mondmaskers die niet zijn voorzien van een CE-markering.
3.1
Na 31 maart 2020 heeft [appellant] volgende leveringen van mondmaskers gedaan. Begin april 2020 heeft [geïntimeerde] aan [appellant] kenbaar gemaakt dat deze mondmaskers zijn afgekeurd. Daarbij is door [geïntimeerde] meegedeeld dat het bij deze levering ging om diverse ongelijksoortige partijen mondmaskers van soms onbekende herkomst en dat deze mondmaskers niet voldeden aan de vereiste filterkwaliteit (deze levering zal hierna worden aangeduid als ‘de eerste tranche’).
3.11
Op 17 april 2020 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [geïntimeerde] en [appellant] over de afgekeurde mondmaskers van ‘de eerste tranche’.
3.12
Op of rond 28 april 2020 hebben weer leveringen van mondmaskers plaatsgevonden. In een e-mail van 29 april 2020 heeft [geïntimeerde] aan [appellant] laten weten dat een aantal van deze mondmaskers na het testen daarvan niet bleek te voldoen aan de zogenoemde kwaliteitseis FFP2 (klasse twee filterefficiëntie van de
Filtering Face Piece), en overigens ook niet aan de kwaliteitseis FFP1.
3.13
[appellant] heeft [geïntimeerde] in een brief van 18 mei 2020 voorgehouden dat beide partijen vanwege de gevoerde discussies over de kwaliteit van de mondmaskers gebaat zijn bij het spoedig bereiken van een oplossing. [appellant] heeft om die reden aangeboden om onder bepaalde voorwaarden 17.250.000 nieuwe mondmaskers te leveren die
“CE-gecertificeerd zullen zijn volgens Richtlijn 2016/425 (inzake Personal Protection Equipment)”.
3.14
[geïntimeerde] heeft met een brief van 22 mei 2020 het voorstel van [appellant] afgewezen en [appellant] in gebreke gesteld. Daarbij heeft [geïntimeerde] gesteld dat de eerdere leveringen van de mondmaskers zowel in aantal als in kwaliteit achterbleven bij wat was overeengekomen. [geïntimeerde] heeft ook meegedeeld 574.300 mondmaskers te behouden, ter waarde van een bedrag van € 2.010.050,00, en heeft [appellant] gesommeerd om uiterlijk
5 juni 2020 het resterende aantal van 17.425.700 mondmaskers van het type FFP2/KN95/N95 te leveren.
3.15
[appellant] heeft [geïntimeerde] in een brief van 3 juni 2020 laten weten dat zij 17.500.000 geheel nieuwe mondmaskers had besteld bij haar leverancier in China. Daarbij heeft [appellant] vermeld dat deze mondmaskers van het merk [naam 1] zijn, die vooraf door onderzoeksorganisatie TNO zijn gecontroleerd en die zijn voorzien van een CE-certificering door een zogeheten
notified body, Universal Certification. [appellant] heeft voor de levering van die nieuwe mondmaskers een schema opgesteld, met als laatste leverdatum 16 juli 2020, waarbij is opgemerkt dat dit schema bedoeld is
“als richtlijn”. [appellant] heeft [geïntimeerde] verzocht zijn medewerking te verlenen aan deze oplossing.
3.16
[geïntimeerde] heeft in een e-mail van 4 juni 2020 geantwoord bereid te zijn om af te zien van het inroepen van de rechtsgevolgen van de ingebrekestelling in eerdergenoemde brief van 22 mei 2020, zolang [appellant] zich houdt aan het door [appellant] als indicatief bestempelde leveringsschema genoemd in de brief van 3 juni 2020 van [appellant] , met als laatste leverdatum 16 juli 2020.
3.17
Verder heeft [geïntimeerde] in de e-mail van 4 juni 2020 als volgt gereageerd:
“Uiteraard dient ook het product kwalitatief te voldoen. U heeft ten aanzien daarvan opgemerkt dat het door u bestelde product “vooraf door TNO [is] gecontroleerd en bovendien voorzien van een CE certificering door een Nando traceerbare notified body”. En volgens u zou er geen enkele ruimte zijn voor discussie over de kwaliteit. Ik begrijp uw opmerking aldus dat volgens u er geen aanleiding zal zijn voor een kwaliteitsdiscussie. Dat hoop ik van ganser harte want dat betekent namelijk dat de producten de kwaliteitscheck met goed gevolg zullen doorstaan. Zoals u bekend zullen de mondmaskers na levering (steeksproefgewijs) getest worden of deze inderdaad de eigenschappen hebben die deze volgens de EN 149 zou moeten hebben.”
3.18
Op 4 juni 2020, 5 juni 2020, 6 juni 2020, 10 juni 2020, 11 juni 2020 en 18 juni 2020 heeft [appellant] mondmaskers van het merk [naam 1] geleverd (deze levering zal hierna ook wel worden aangeduid als ‘de tweede tranche’).
3.19
Op 14 juni 2020 en 20 juni 2020 heeft [appellant] de eerste levering van de mondmaskers van het merk [naam 1] (‘de tweede tranche’), in totaal ongeveer vier miljoen mondmaskers, gefactureerd. [appellant] heeft [geïntimeerde] daarbij verzocht om 20% van het resterende totaalbedrag te betalen, te weten € 875.000,00 binnen twee werkdagen (factuur 100506) en € 1.760.000,00 binnen vijf dagen (factuur 100508).
3.2
[geïntimeerde] heeft [appellant] met een brief van 17 juni 2020 laten weten dat het kwaliteitscentrum de filterkwaliteit van de door [appellant] op 5 juni 2020 geleverde maskers akkoord had bevonden, maar de pasvorm (
“fit”) niet. [geïntimeerde] heeft aangekondigd dat een tweede toetsing door een
notified bodyzal worden uitgevoerd, aan de hand van de Europese norm voor de kwaliteit van persoonlijke beschermingsmiddelen, te weten de productnorm EN 149, op basis waarvan de door [appellant] gestelde CE-certificering heeft plaatsgevonden. Over de door [appellant] ingediende facturen heeft [geïntimeerde] in de brief opgemerkt dat deze voor betaling in aanmerking komen, nadat het volledige door [geïntimeerde] betaalde voorschot van ruim 45 miljoen euro is ‘uitgeput’ en de levering waarop de factuur betrekking heeft, is goedgekeurd.
3.21
In een e-mail van 17 juni 2020 heeft [appellant] [geïntimeerde] laten weten dat haar vervoerder DHL op 15 juni 2020 een groot aantal mondmaskers niet heeft kunnen afleveren aan [geïntimeerde] , vanwege een gebrek aan opslagcapaciteit bij het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (hierna: VWS). [appellant] heeft [geïntimeerde] verzocht de zending snel in ontvangst te nemen, vanwege de gevolgen voor het leveringsschema. [appellant] heeft [geïntimeerde] er verder op gewezen dat de op 5 juni 2020 geleverde mondmaskers in het kader van het verkrijgen van de CE-certificering al specifiek zijn getest op de pasvorm door een
notified body, te weten Universal Certification, en dat de uitkomsten daarvan volgens een technisch rapport van 8 mei 2020 positief zijn bevonden.
3.22
Met een brief van 24 juni 2020 heeft [geïntimeerde] [appellant] bericht dat het daarvoor beoogde distributiecentrum is verzocht de leveringen van [appellant] in ontvangst te nemen. Daarbij heeft [geïntimeerde] [appellant] ook in de gelegenheid gesteld om ervoor te zorgen dat alle achttien miljoen mondmaskers worden geleverd conform het leveringsschema van [appellant] , zodat uiterlijk op 17 juli 2020 alle mondmaskers zijn geleverd. [geïntimeerde] heeft in de brief verder herhaald dat vanwege de eerdere betaling van het voorschot van ruim 45 miljoen euro geen verdere betalingen worden gedaan en dat een eventuele verdere betalingsplicht wordt opgeschort.
3.23
Op 22 juni 2020 en begin juli 2020 zijn door [appellant] opnieuw mondmaskers van het merk [naam 1] geleverd. Op 4 juli 2020 heeft [appellant] een levering van ongeveer vier miljoen mondmaskers gefactureerd, met het verzoek aan [geïntimeerde] om binnen vijf dagen 20% van het resterende totaalbedrag te betalen, te weten een bedrag van
€ 2.640.000,00 (factuur 100531).
3.24
Met een brief van 6 juli 2020 heeft [appellant] aan [geïntimeerde] meegedeeld dat zij inmiddels 7.729.300 mondmaskers heeft geleverd, maar dat zij voor de nog uitstaande leveringen een beroep doet op opschorting van haar leveringsverplichting, zolang [geïntimeerde] de hiervoor genoemde en nog openstaande facturen niet betaalt.
3.25
[geïntimeerde] heeft [appellant] in een brief van 20 juli 2020 meegedeeld dat haar beroep op opschorting ongegrond is, omdat [appellant] zelf niet aan haar verbintenis voldoet. Dat standpunt is door [appellant] van de hand gewezen.
3.26
Medio september 2020 heeft een
notified body, de [bedrijf] (hierna: [bedrijf] ), gerapporteerd over testen die in opdracht van [geïntimeerde] zijn uitgevoerd. De testrapporten gaven op het onderdeel
total inward leakageeen resultaat
‘Fail’aan.
3.27
[appellant] heeft van haar kant verschillende testrapporten laten opstellen en ter kennis gebracht van [geïntimeerde] .
3.28
In december 2020 hebben partijen met elkaar gesproken over een eventuele minnelijke oplossing van het ontstane geschil. Na dit gesprek heeft [appellant] op verzoek van [geïntimeerde] een uiteenzetting gegeven van de wijze waarop het door [geïntimeerde] betaalde voorschot is besteed.
3.29
Met een brief van 7 mei 2021 heeft [geïntimeerde] aan [appellant] meegedeeld dat [geïntimeerde] heeft besloten tot (gedeeltelijke) ontbinding van de overeenkomsten tussen partijen, waarbij door [geïntimeerde] is gesteld dat [appellant] al geruime tijd in verzuim is. De overeenkomst ten aanzien van de levering van de hiervoor vermelde 574.300 mondmaskers is niet ontbonden en [geïntimeerde] heeft laten weten dat zij die mondmaskers wil behouden. [geïntimeerde] heeft [appellant] gesommeerd een groot deel van het betaalde voorschot terug te betalen, te weten een bedrag van € 43.444.950,00. [appellant] heeft aan de sommatie van [geïntimeerde] geen gehoor gegeven en het door [geïntimeerde] genoemde bedrag niet terugbetaald.
3.3
[geïntimeerde] heeft op 7 juni 2021 beslag gelegd op rekeningen van [appellant] bij vier banken. [appellant] heeft in kort geding vergeefs gevorderd dat deze beslagen werden opgeheven.
3.31
[geïntimeerde] heeft in een andere procedure de (indirecte) bestuurders van [appellant] aangesproken tot schadevergoeding op grond van bestuurdersaansprakelijkheid. De rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Alkmaar, heeft bij vonnis van 28 februari 2024 de vorderingen van [geïntimeerde] afgewezen. [geïntimeerde] heeft bij dit hof hoger beroep ingesteld. Die zaak staat, in afwachting van de uitkomst van de onderhavige procedure, voor memorie van grieven.
3.32
Partijen hebben over en weer inzage in stukken gevraagd op basis van het toenmalige artikel 843a Rv. De voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Holland heeft bij vonnis in kort geding van 19 november 2024 de vorderingen van [geïntimeerde] vrijwel geheel toegewezen en die van [appellant] afgewezen. In hoger beroep heeft dit hof, bij deelarrest van 13 januari 2025, dat vonnis bekrachtigd voor zover het zag op de door [geïntimeerde] gevorderde stukken waaruit, kort samengevat, kon worden afgeleid wat [appellant] heeft gedaan met de 1,2 miljoen door [geïntimeerde] teruggestuurde maskers uit de eerste tranche en met de tien miljoen, nog niet geleverde maskers uit de tweede tranche. Iedere andere beslissing werd aangehouden.

4.Eerste aanleg

4.1
[geïntimeerde] heeft in conventie gevorderd dat de rechtbank [appellant] veroordeelt om aan [geïntimeerde] een bedrag van € 43.444.950,00 te betalen, met rente en kosten.
[appellant] heeft in reconventie een tegenvordering ingesteld die erop neerkomt dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld de resterende hoeveelheid mondmaskers af te nemen, en dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld tot betaling van de resterende koopsom voor de mondmaskers van € 11.275.000,00 en van de koopsom voor clipjes van in totaal
€ 459.800,00, met rente en kosten.
4.2
De rechtbank heeft in conventie de gevorderde hoofdsom van € 43.444.950,00 toegewezen en voorts [appellant] veroordeeld tot betaling aan [geïntimeerde] van de beslagkosten
(€ 5.976,07), de buitengerechtelijke incassokosten (€ 6.775,00) en de met wettelijke rente te vermeerderen proceskosten in conventie (€ 11.639,65).
In reconventie heeft de rechtbank [geïntimeerde] veroordeeld tot betaling aan [appellant] van een bedrag van € 79.800,00 aan koopsom voor clipjes, de buitengerechtelijke incassokosten (€ 1.573,00) en de met wettelijke rente te vermeerderen proceskosten, een en ander desgewenst te verrekenen met de veroordeling in conventie. De rechtbank heeft het vonnis uitvoerbaar verklaard en voor het overige de vorderingen afgewezen.

5.Beoordeling

5.1
Ook in hoger beroep is de kernvraag of de door [appellant] geleverde maskers beantwoordden aan de overeenkomst met, bij een ontkennend antwoord, de vervolgvragen of 1) [appellant] in verzuim is geraakt en 2) de tekortkoming de gedeeltelijke ontbinding, zoals [geïntimeerde] die op 7 mei 2021 heeft ingeroepen, rechtvaardigt. Bij de beantwoording van deze vragen aan de hand van de daarop betrekking hebbende
grieven 3 tot en met 10zal, waar relevant, rekening worden gehouden met bijzondere tijd waarin de handelingen deels moeten worden geplaatst. Daarbij gaat het om de (nood)situatie tijdens het begin van de Covid 19-pandemie toen er een nijpend tekort was aan mondmaskers en [geïntimeerde] op korte termijn zoveel mogelijk mondmaskers probeerde in te kopen tegen (als gevolg van de schaarste) sterk gekregen prijzen en met gedeeltelijke versoepeling van de (inkoop)procedures. Wat [appellant] in dat verband onder
grief 2aanvoert (
grief 1is een veeggrief) is daarmee afdoende behandeld.
Eiswijziging en eerste tranche
5.2
Op de mondelinge behandeling heeft het hof al uitgesproken dat de eiswijziging, zoals [appellant] die bij akte van 12 februari 2025 heeft gedaan, moet worden geweigerd. Aan dat oordeel houdt het hof vast. Het gaat om vorderingen en grieven die weliswaar uitgaan van wat [appellant] steeds heeft gesteld – dat de eerste tranche wel beantwoordde aan de overeenkomst – maar aan dat uitgangspunt nieuwe gevolgen verbinden die het partijdebat niet onaanzienlijk zouden uitbreiden. Deze nieuwe vorderingen en grieven had [appellant] volgens de zogenaamde twee-conclusieregel bij haar eerste gedingstuk in hoger beroep moeten aanvoeren. De omstandigheid dat [geïntimeerde] lang heeft geweigerd het rapport van [naam 2] van 6 april 2020 af te geven, en [appellant] over dat rapport pas recent de beschikking heeft gekregen, rechtvaardigt geen uitzondering op deze procesrechtelijke regel, reeds omdat [geïntimeerde] wel meteen in april 2020 mondeling aan [appellant] had medegedeeld wat de uitslag van de [naam 2] uitgevoerde testen was. Dat [appellant] pas nu ook de meetresultaten kent is onvoldoende om de eiswijziging toe te staan en dat geldt ook wat [appellant] in dit verband verder nog naar voren brengt.
Het hof zal daarom recht doen op de door [appellant] in eerste aanleg ingestelde eis, waarbij, indien relevant, rekening zal worden gehouden met wat [appellant] in deze akte en elders naar voren heeft gebracht over de kwaliteit van de eerste tranche maskers en de reactie daarop van [geïntimeerde] .
5.3
Het hof merkt over de gewijzigde eis nog op dat, zeker gelet op de wetenschap van de uitkomst die [appellant] had, [appellant] hoe dan ook te weinig heeft gesteld voor de conclusie dat zij heeft gedwaald en dat zij, als gevolg van een mededeling en/of het verzwijgen van [geïntimeerde] , in juni 2020 een overeenkomst is aangegaan die zij anders niet zo zou hebben gesloten (artikel 6:228 lid 1, aanhef en onder a en b, BW). Het door [appellant] gestelde is evenmin toereikend om te oordelen dat [geïntimeerde] onrechtmatig heeft gehandeld door het rapport van [naam 2] en de inzet van de maskers door het LUMC achter te houden of dat de redelijkheid en billijkheid meebrengt dat [appellant] moet worden gecompenseerd voor het nadeel dat de nadere afspraken, het toezeggen van de tweede tranche, haar zou hebben berokkend. Het geeft ook geen aanleiding om de vorderingen van de Straat wegens schending van de waarheidsplicht (artikel 21 Rv) af te wijzen.
5.4
Met de nadere afspraken over de tweede tranche hebben partijen een nadere invulling gegeven aan hun overeenkomst en zij deden dat mede om de discussie over de kwaliteit van de eerste tranche af te kappen. Omdat [appellant] verder niet bestrijdt dat deze nadere afspraken die partijen over de door [appellant] te leveren mondmaskers hebben gemaakt rechtsgeldig zijn, zal de gestelde wanprestatie worden beoordeeld op basis van alleen die afspraken. Het zijn die afspraken waarop [geïntimeerde] haar vordering baseert en waarvan zij dient te stellen, en zo nodig te bewijzen, dat [appellant] ze niet is nagekomen.
De inhoud van de nadere afspraken
5.5
De nadere afspraken hielden in dat [appellant] 17,5 miljoen nieuwe mondmaskers zou leveren van het merk Giliana, voorzien van een CE-certificering die voldeed aan de PBM-verordening. Op grond daarvan, zo heeft de rechtbank (in hoger beroep onbestreden) vastgesteld, mocht [geïntimeerde] verwachten dat de door [appellant] te leveren mondmaskers van de tweede tranche zouden voldoen aan de essentiële veiligheids- en gezondheidseisen die de PBM-Verordening stelt, en daarmee aan de productienorm EN 149 voor FFP2-maskers voor filterkwaliteit en pasvorm (
fit) en ook dat deze zouden zijn voorzien van een CE-markering conform de PBM-verordening. Partijen zijn het erover eens dat als de mondmaskers overeenstemmen met de productnorm EN 149, een ‘vermoeden van conformiteit’ geldt dat de mondmaskers voldoen aan de eisen van de PBM-Verordening voor FFP2-maskers voor filterkwaliteit en pasvorm (fit). Nu het gaat om een vermoeden stond het [geïntimeerde] vrij om de mondmaskers na ontvangst op hun deugdelijkheid en conformiteit aan deze voorschriften te (laten) testen. Uit niets blijkt dat [geïntimeerde] van dit recht afstand heeft gedaan of heeft toegezegd niet te zullen keuren, zoals [appellant] lijkt te betogen. In het e-mailbericht van [geïntimeerde] van 4 juni 2020 (zie hierboven onder 4.17) staat expliciet dat [geïntimeerde] de mondmaskers, naar [appellant] bekend is, zal keuren aan de hand van steekproeven.
5.6
De nadere afspraken zagen ook op de leveringstermijn. Het hof is het met de rechtbank eens dat [appellant] uiteindelijk heeft aanvaard dat het door [appellant] als richtlijn gepresenteerde afleveringsschema bindend de leveringsdata zou vastleggen, zodat de maskers uiterlijk 16 juli 2020 bij [geïntimeerde] zouden moeten zijn. [geïntimeerde] heeft in de communicatie naar aanleiding van de discussie over de eerste tranche meer dan eens benadrukt dat (zeker na de opgelopen vertraging) snelle levering essentieel was en duidelijk kenbaar gemaakt dat zij het voorstel van [appellant] alleen zou aanvaarden op voorwaarde dat [appellant] zich aan dat schema zou houden, waarbij hij de afhaaldata, zonder tegenbericht, opvatte als de datum waarop de maskers door [appellant] zouden worden geleverd. Hierop heeft [appellant] niet meer gereageerd en zij is de maskers gaan uitleveren. Daarmee heeft [appellant] , naar [geïntimeerde] heeft mogen aannemen, de voorwaarden van [geïntimeerde] – wellicht noodgedwongen – aanvaard. [geïntimeerde] wijst er, onweersproken, op dat de bestuurders van [appellant] dat in de parallelle procedure over hun aansprakelijkheid ook hebben erkend.
Grief 3wordt daarom verworpen.
Conformiteit wat betreft filtratie en fit: de testen waarop partijen zich beroepen
5.7
[geïntimeerde] is de partij die in deze procedure moet stellen en bewijzen dat de mondmaskers die [appellant] ter uitvoering van de nadere afspraken heeft geleverd – de tweede tranche – niet voldeden aan de overeengekomen normen. [geïntimeerde] heeft daartoe naar voren gebracht dat zijn kwaliteitscentrum maskers uit veertien
lotsheeft getest waarbij van acht
lots(met de nummers 1458, 1460, 1679, 1793, 1803, 1807, 1836 en 1984) de
fitonvoldoende werd bevonden en van een
lot(1808) de filtratie (‘
particle penetration’). Bij alle veertien
lotswas de conclusie dat de documentatie niet voldeed. Uit drie van die
lots(1836, 1679 en 1458) heeft [geïntimeerde] vervolgens steeds negentien maskers voor een ‘second opinion’ gestuurd naar [bedrijf] , een ‘
notified body’ in de zin van de PBM-Verordening. Ten aanzien van die drie
lotsconcludeerde [bedrijf] , net als het kwaliteitscentrum, dat de
fitonvoldoende was, aldus [geïntimeerde] .
5.8
[appellant] heeft in reactie hierop onder meer de betrouwbaarheid van de door het kwaliteitscentrum gehanteerde procedure bekritiseerd, ook nadat [geïntimeerde] met onder meer een rapport van Kalibra had onderbouwd dat die procedure aan de maat was. Volgens [appellant] is Kalibra niet onafhankelijk en heeft zij ook niet de feitelijke meetopstelling en testsituatie beoordeeld zoals [appellant] die zelf bij haar bezoek aan het kwaliteitscentrum heeft aangetroffen. Juist aan die testomstandigheden, waarbij steeds mensen in- en uitliepen, de temperatuur niet juist was gereguleerd en waxinelichtjes werden gebruikt, schortte het volgens [appellant] . Ook de verslaglegging schoot tekort en de testformulieren werden slordig ingevuld. Daarbij was het aantal onderzochte maskers te gering om representatief te zijn voor de geleverde partij, aldus, kort samengevat, [appellant] .
5.9
Uit deze bezwaren leidt het hof, anders dan [appellant] wil, niet af dat de testen van het kwaliteitscentrum onbetrouwbaar en zonder waarde zijn. Naar aanleiding van de door [appellant] geuite bezwaren en twijfel, heeft [geïntimeerde] [bedrijf] aangezocht voor een
second opinion. [bedrijf] is, daarover zijn partijen het eens, een onafhankelijke instantie die de deskundigheid en de faciliteiten bezit om de maskers op hun conformiteit te testen. De overgelegde rapporten en wat [appellant] daarover heeft opgemerkt, geven het hof geen reden om te betwijfelen dat testresultaten van [bedrijf] betrouwbaar zijn en op deskundige wijze en met juiste toepassing van de relevante NEN-norm tot stand zijn gekomen. Anders dan [appellant] suggereert, heeft [geïntimeerde] zelf ook geen blijk gegeven van bedenkingen over de kwaliteit van de testen van [bedrijf] . De klachten van [geïntimeerde] over het testproces hadden slechts betrekking op het tempo en zijn hier verder niet relevant. Het hof kan [appellant] evenmin volgen waar zij aanvoert dat de intervallen tussen aanleveringen en onderzoek te denken geven over de zorgvuldigheid waarmee [bedrijf] bij het testen en bewaren van de maskers te werk is gegaan. Wat betreft de
sample sizeis niet gebleken dat [bedrijf] deze te beperkt achtte om verantwoorde uitspraken te kunnen doen noch dat [bedrijf] (of [geïntimeerde] zelf) van mening was dat per lot minimaal veertig maskers nodig waren. [appellant] stelt dat er slechts twaalf maskers zijn afgekeurd (op een partij van achttien miljoen), maar miskent met die stelling dat [bedrijf] in haar
second opiniontwaalf van de vijftien geteste maskers op het punt van
inward leakageeen
failheeft gegeven, een hoog percentage dat voldoende steun geeft aan de steekproeven die het kwaliteitscentrum uit de op dat moment geleverde makers had genomen. Met [geïntimeerde] is het hof van oordeel dat het aantal geconstateerde vergelijkbare afwijkingen zodanig was, dat [geïntimeerde] op basis van deze relatief beperkte steekproef de op dat moment ontvangen levering (nog niet de helft van achttien miljoen maskers) heeft mogen afkeuren als non-conform.
5.1
Deze stellingen van [geïntimeerde] over de non-conformiteit zijn niet ontkracht en onvoldoende weersproken met de tests waarop [appellant] zich heeft beroepen voor haar standpunt dat de tweede tranche wel voldoende pasvorm (
fit) had. Van vier van die tests (van Universal, SNAS, TÜV en SGS), alle verricht in opdracht van de leverancier, staat vast dat deze niet zijn uitgevoerd op de partij maskers die [geïntimeerde] heeft ontvangen en die door hem zijn opgeslagen. Dat, zoals [appellant] stelt, het om identieke op dezelfde manier geproduceerde maskers gaat, valt uit de overgelegde foto’s niet op te maken en die stelling steunt verder uitsluitend op een verklaring van de leverancier. Dat is te weinig, zeker omdat uit die verklaring en de toelichting erop van [appellant] ook blijkt dat er verschillende productielijnen waren zodat de maskers (uiterlijk) van elkaar konden verschillen. De test die [bedrijf] in opdracht van [appellant] heeft verricht zou volgens [appellant] wel zijn uitgevoerd op de aan [geïntimeerde] geleverde partij, waarvan [appellant] enkele beschadigde doosjes zegt te hebben achtergehouden; uit die doosjes zouden de door [bedrijf] geteste exemplaren afkomstig zijn. Aangenomen dat dit juist is, wil dat nog niet zeggen dat het ook gaat om maskers uit de
lotsdie het kwaliteitscentrum en [bedrijf] als onvoldoende hebben beoordeeld. Het kwaliteitscentrum heeft immers ook een aantal
lotsop zowel filterkwaliteit als
fitgoedgekeurd. [appellant] maakt niet concreet dat de achtergehouden maskers afkomstig waren uit de drie afgekeurde
lotsdie [geïntimeerde] door [bedrijf] heeft laten testen. De resultaten van de tests die [bedrijf] op de door [appellant] aangeboden maskers heeft verricht doen daarom aan de bevindingen van [bedrijf] in de door [geïntimeerde] overgelegde rapporten niet af.
De maskers die [geïntimeerde] heeft laten testen zijn die van [appellant]
5.11
Evenmin bieden deze resultaten steun aan de twijfel die [appellant] uitspreekt of de door [bedrijf] in opdracht [geïntimeerde] geteste maskers wel door [appellant] geleverd waren. Het verschil met de aan [geïntimeerde] gerapporteerde bevindingen is geen aanwijzing, laat staan een dwingende, dat het niet om maskers van [appellant] kan gaan. Ook in de foto’s in de [bedrijf] -rapporten – die in het geval van [geïntimeerde] niet heel duidelijk zijn – is geen aanwijzing voor (of tegen) die twijfel te vinden. Het gaat erom of voldoende gewaarborgd is dat [geïntimeerde] de door [appellant] geleverde maskers heeft laten testen – absolute zekerheid, zo al mogelijk, is niet nodig. [geïntimeerde] heeft in detail uiteengezet op welke wijze de maskers, die [geïntimeerde] van meerdere leveranciers binnenkreeg, werden ingeboekt, opgeslagen en getransporteerd en het hof is net als de rechtbank van oordeel dat dit systeem een afdoende waarborg biedt dat [geïntimeerde] zicht had op welke partij van welke leveranciers afkomstig was en dat de maskers van [appellant] door het kwaliteitscentrum zijn getest en nadien voor een
second opinionnaar [bedrijf] zijn gestuurd. Weliswaar is eenmalig een zending van een andere partij aan [appellant] toegeschreven (doordat abusievelijk haar naam is ingevuld op een formulier dat verder alle gegevens van die ander partij bevatte), maar die fout is nog geen reden om aan te nemen dat de administratie van [geïntimeerde] niet op orde en onbetrouwbaar zou zijn. Die onbetrouwbaarheid blijkt ook niet uit de correspondentie die [appellant] als productie 58 heeft overgelegd; die wijst er eerder op dat voordat de maskers naar [bedrijf] gingen nog eens goed is gekeken om welke maskers het ging. Het verschil tussen de op te sturen (veertig) en de geteste maskers (negentien) per
lotis, anders dan [appellant] meent, evenmin een aanwijzing dat het om andere maskers gaat. Het hof ziet dan ook geen reden om te betwijfelen dat de testen van [geïntimeerde] betrekking hadden op de door [appellant] geleverde maskers. Wat [appellant] tegenover de onderbouwde stellingen van [geïntimeerde] heeft ingebracht, is onvoldoende om [geïntimeerde] met bewijs of [appellant] met tegenbewijs te belasten.
5.12
Aldus falen ook de
grieven 4, 5 en 6.
De CE-certificering ontbreekt
5.13
De rechtbank heeft geoordeeld dat de door [appellant] geleverde mondmaskers van
het merk [naam 1] (de ‘tweede tranche’) ook niet aan de koopovereenkomsten beantwoordden vanwege het ontbreken van een deugdelijke CE-certificering en dat ook op dat punt sprake is van een tekortkoming in de nakoming van de koopovereenkomsten. Dat oordeel wordt door [appellant] met
grief 7vergeefs bestreden. Zoals in het door [geïntimeerde] overgelegde LCH-rapport wordt beargumenteerd, is het CE-certificaat niet tot de geleverde maskers te herleiden en kon geen EU-conformiteitsverklaring worden overgelegd. Dat op de maskers geen CE-markering was afgedrukt, blijkt ook uit de in dit geding ingebrachte foto’s – ook die van [appellant] zelf – en wordt door [appellant] ook erkend. Voor haar stelling dat het slechts om een klein aantal maskers gaat, is geen bewijs bijgebracht. Ook op de getoonde maskers uit de steekproef uit het magazijn van [geïntimeerde] ontbreekt de markering, zodat het hof het ervoor houdt dat in elk geval een zeer relevant deel van de maskers niet van deze markering was voorzien. Het hof verwijst verder naar de overwegingen onder 4.30 tot en met 4.33 van de rechtbank waarbij het zich aansluit en die het tot de zijne maakt.
Klachtplicht niet geschonden
5.14
[appellant] is van mening dat [geïntimeerde] al zijn rechten inzake deze tweede tekortkoming heeft verspeeld omdat hij over deze tekortkoming niet tijdig heeft geklaagd, namelijk pas in de deze procedure, volgens [appellant] in de conclusie van antwoord in reconventie van 7 januari 2022. Het Hof is het daarmee niet eens. [geïntimeerde] wijst terecht erop dat [appellant] uit hoofde van de regelgeving ervoor heeft in te staan dat de mondmaskers die zij distribueert aan de vereisten van de PBM-verordening voldoen; zij had ook tegenover [geïntimeerde] uitdrukkelijk verklaard dat dit zo was. [appellant] had dit voor levering moeten (laten) controleren; dat zij de goederen direct naar [geïntimeerde] heeft laten sturen is geen excuus. Er is daarom sprake van een afwijking die [appellant] had behoren te kennen, maar niet heeft medegedeeld in de zin van artikel 7:23 lid 1, tweede volzin, BW. [geïntimeerde] diende daarom te klagen binnen bekwame tijd na daadwerkelijke ontdekking van de afwijking. Wanneer dat was, heeft [appellant] niet gesteld. Echter, ook wanneer gelet op de testrapporten waaruit blijkt dat het kwaliteitscentrum ook naar de documentatie heeft gekeken en het gegeven dat het ontbreken van een CE-markering op de maskers meteen in het oog springt zou kunnen worden aangenomen dat het moment van daadwerkelijke ontdekking van de afwijking kort na ontvangst in het kwaliteitscentrum is geweest, in juni 2020, leidt dat niet tot het oordeel dat [geïntimeerde] al zijn rechten inzake deze tekortkoming heeft verspeeld. [geïntimeerde] had namelijk in juni 2020 al geklaagd dat de mondmaskers op een ander punt (de
fit) niet voldeden aan de overeengekomen vereisten en het is niet aannemelijk dat [appellant] door het later toevoegen van de klacht over de certificering is benadeeld omdat zij bij een eerdere klacht bereid en in staat was geweest om tijdig deugdelijke mondmaskers te leveren die wel van de vereiste certificering en markering waren voorzien. Bewijsnadeel bij [appellant] is er evenmin omdat de mondmaskers nog steeds beschikbaar waren en dit punt nog zonder bezwaar kon worden gecontroleerd. Er kan daarom niet worden gezegd dat [geïntimeerde] niet binnen bekwame tijd bij [appellant] heeft geklaagd en dat hij daarom er geen beroep op kan doen dat de levering op dit punt niet aan de overeenkomst beantwoordde.
5.15
In zoverre (ten aanzien van deze gebreken) gaat
grief 8niet op.
Andere mogelijke tekortkomingen worden niet beoordeeld
5.16
Evenals de rechtbank laat het hof onbesproken of de verpakking en documentatie in andere opzichten niet aan de vereisten voldeden omdat deze door [geïntimeerde] gestelde tekortkomingen voor de uiteindelijke beslissing niet van belang zijn. Voor zover
grief 8gaat over het tijdig klagen over deze gebreken, hoeft hij geen bespreking.
Conclusie: twee relevante tekortkomingen, geen conformiteit
5.17
Het hof komt daarmee net als de rechtbank tot de conclusie dat de geleverde maskers op twee fronten - de prestaties (de
fit) en de certificering - achterbleven bij wat [geïntimeerde] mocht verwachten. [appellant] heeft tegen de onderbouwde stellingen van [geïntimeerde] op dit punt te weinig ingebracht. Nadere bewijslevering door [geïntimeerde] , of tegenbewijs van [appellant] , is dan niet aan de orde. Een deskundigenonderzoek naar de
fiten de filtratie van de maskers is, zoals de rechtbank onbestreden heeft vastgesteld, niet meer zinvol en zal ook om die reden achterwege blijven. De tekortkomingen gaven [geïntimeerde] in beginsel de bevoegdheid om de overeenkomst te ontbinden. Of deze ontbinding gelet op alle relevante omstandigheden ook gerechtvaardigd was, zal worden beoordeeld nadat het hof is ingegaan op een aantal andere geschilpunten die gaan over de tijdigheid van de leveringen en de vraag wie van beide partijen in verzuim is geraakt en of er terecht is opgeschort.
Verzuim van [appellant] , geen schuldeisersverzuim; [geïntimeerde] schortte bevoegd op
5.18
De rechtbank heeft in rechtsoverweging 4.47 van het eindvonnis geoordeeld dat [appellant] door het niet nakomen van haar leveringsverplichting als eerste in verzuim is geraakt. Dat oordeel heeft [appellant] in hoger beroep niet bestreden. Verder staat vast dat [geïntimeerde] op het moment van de ontbinding bij lange na niet over de 17,5 miljoen mondmaskers beschikte die [appellant] uiterlijk 16 juli 2020 zou leveren. Of nakoming van de overeenkomst, zoals partijen die hadden bedoeld, op dat moment onmogelijk was, zoals [geïntimeerde] lijkt te stellen, hoeft niet te worden beoordeeld als sprake is van verzuim.
5.19
Anders dan [appellant] aanvoert, is haar verzuim om tijdig te leveren niet het gevolg geweest van een omstandigheid die aan [geïntimeerde] moet worden toegerekend en is [geïntimeerde] niet in schuldeisersverzuim geraakt. [geïntimeerde] heeft, zo volgt uit de bovenstaande oordelen over de conformiteit, de nakoming niet verhinderd door ten onrechte mondmaskers uit de tweede tranche af te keuren. Om de door de rechtbank onder 4.48 van het eindvonnis genoemde redenen is het evenmin zo dat de tijdelijke problemen met de opslagcapaciteit van [geïntimeerde] debet zijn aan niet-nakoming en tot schuldeisersverzuim van [geïntimeerde] hebben geleid. Ook wat betreft het verwijt dat [geïntimeerde] door het niet tijdig betalen van de facturen in verzuim is geraakt sluit het hof zich aan bij de door de rechtbank gegeven oordelen en motivering. Het voegt daaraan nog toe [geïntimeerde] terecht aanvoert dat hij zich ten aanzien van de op 14 juni 2020 gefactureerde bedragen kon beroepen op opschorting, zolang de geleverde mondmaskers niet de overeengekomen kwaliteit bezaten. Indien [appellant] , zoals zij aanvoert, door het uitblijven die betalingen, niet in staat was om alle aangeboden 17,5 miljoen maskers in te kopen, komt dat voor haar rekening en risico. Het doet er niet aan af dat [geïntimeerde] redelijkerwijs heeft mogen opschorten.
Uit dit alles volgt ook dat [appellant] op 6 juli 2020 niet meer bevoegd was om haar eigen verplichting tot nakoming op te schorten.
5.2
Grief 10is daarom vergeefs voorgesteld.
De ontbinding is gerechtvaardigd.
5.21
Tegen deze achtergrond is het hof van oordeel dat de ontbinding van het grootste deel van de overeenkomst op 7 mei 2021, gelet op alle omstandigheden van het geval, gerechtvaardigd was. Dat geldt als alleen wordt uitgegaan van de gebrekkige fit en het niet tijdig leveren van de maskers, en dat geldt in nog sterkere mate wanneer ook de het ontbreken van de certificering daarbij wordt betrokken.
Het gaat bij de tekortkomingen om elementen, kwaliteit en tijdigheid, die de essentie van de overeenkomst waren en die maakten dat [geïntimeerde] bereid was om tegen deze prijzen, en met voorfinanciering van 80% van de koopsom, de orders bij [appellant] te plaatsen en op basis van de nadere afspraken te handhaven. Om die reden staat ook de weigering van [geïntimeerde] om in te gaan op de door [appellant] gedane voorstellen in de periode juni 2020 tot mei 2021 niet aan de ontbinding in de weg. Op het moment dat [appellant] die voorstellen deed had [geïntimeerde] al voldoende maskers, lag de marktprijs een heel stuk lager en was afnemen tegen de door [appellant] aangeboden korting voor hem geen reële, economisch verantwoorde optie. De verplichting van [geïntimeerde] om rekening te houden met de gerechtvaardigde belangen van zijn wederpartij ( [appellant] ) ging niet zo ver dat hij op deze voorstellen behoorde in te gaan, hoe teleurstellend dat voor [appellant] ook geweest is. Van zijn kant heeft [geïntimeerde] bij het zoeken naar een oplossing erop aangedrongen dat [appellant] volledig inzicht zou geven in de besteding van het voorschot en alle gegevens over haar inkoop met [geïntimeerde] zou delen, zodat partijen samen zouden kunnen optrekken tegen de leverancier. Volgens [geïntimeerde] heeft [appellant] dat niet of te weinig gedaan en dat is door [appellant] vervolgens onvoldoende weersproken.
5.22
Voor zover [appellant] zich er in dit verband op beroept dat de geleverde maskers wel conform waren, stuit dat wat betreft de tweede branche af op wat eerder werd overwogen. De hoge nood die op dat moment heerste betekende niet dat [geïntimeerde] minder zwaar aan de gebrekkige
fiten certificering mocht tillen nu de filterkwaliteit (meer dan) toereikend was. [appellant] had zich zeer nadrukkelijk eraan gecommitteerd dat de maskers op alle fronten zouden voldoen aan de voorschriften. [geïntimeerde] hoefde daarom bij deze tranche er ook geen genoegen mee te nemen dat de pasvorm van de maskers met de clips nog was bij te stellen.
Ten aanzien van de eerste tranche heeft [appellant] , de partij die in dit verband – haar standpunt dat de tekortkomingen de ontbinding niet rechtvaardigden – de bewijslast heeft, niet aangetoond dat deze voldeed en dat [geïntimeerde] ten onrechte de kwaliteit van de maskers ter discussie heeft gesteld. Deze tranche, zo staat vast, omvatte maskers van verschillende merken en het rapport van [naam 2] , waarop [appellant] zich vooral beroept, heeft slechts betrekking op een van die merken. Dat rapport leidt ook niet tot diskwalificatie van de (test)procedures van het kwaliteitscentrum en al was dat wel zo, dan volgt daaruit nog niet dat alle door [appellant] geleverde maskers voldeden. De door [appellant] overgelegde rapporten kunnen die conclusie niet dragen. Los daarvan waren er aanvankelijk overigens ook aanzienlijke problemen met de verpakking en documentatie van de maskers, iets waarover [appellant] zich bij haar leverancier heeft beklaagd, en wijst de communicatie van Brest van Kempen met zijn tussenpersoon Nour Awada (productie 39 van [geïntimeerde] , zoals geciteerd onder 2.2 van de spreekaantekeningen van [geïntimeerde] in hoger beroep) erop dat [appellant] vond dat bij in elk geval een deel van de mondmaskers de filtratie onvoldoende was. [geïntimeerde] wijst erop dat hij geen enkel belang had bij het afkeuren van de maskers en zeker zonder nadere toelichting – die [appellant] niet geeft – is inderdaad direct niet aannemelijk dat het door [appellant] gesuggereerde oneigenlijke motief – [geïntimeerde] had teveel mondmaskers – in april 2020 (toen de nood nog hoog was) bij het afkeuren van de maskers een rol heeft gespeeld.
Bij de beoordeling van de vraag of de tekortkomingen bij de tweede tranche de ontbinding rechtvaardigen kan dan ook niet meewegen dat, zoals [appellant] meent, de discussie over de eerste tranche geheel zonder grond was en dat [geïntimeerde] de nadere afspraken ten onrechte heeft afgedwongen.
5.23
Dat [appellant] , zoals zij stelt, de samenleving heeft willen helpen door [geïntimeerde] snel van veel mondmasker te voorzien wil het hof aannemen; het neemt echter niet weg dat zij daarbij een commerciële overeenkomst is aangegaan, waarmee zij – “bijzaak” of niet – een aanzienlijke winst zou kunnen maken. Bij die overeenkomst horen aanzienlijke risico’s waarvan [geïntimeerde] zelf, door voorfinanciering, een deel voor zijn rekening heeft genomen. De selectie van de mondmaskers en de partijen die deze zouden gaan leveren was de verantwoordelijkheid van [appellant] . Dat deze keuzes, naar in deze zaak moet aangenomen, minder goed hebben uitgepakt en de maskers onvoldoende betrouwbaar zijn gebleken, komt dan ook primair voor rekening en risico van [appellant] , evenals de gevolgen daarvan - zelfs als dat tot haar faillissement zou leiden. [geïntimeerde] schiet er zelf naar ieders verwachting ook voor een zeer groot bedrag bij in. Dat het gaat om overheidsgeld, en dat alle partijen in een crisissituatie onder grote tijdsdruk en met beperkte informatie hebben gehandeld, is geen reden dat de nadelige gevolgen van de mislukte transactie volledig door de gemeenschap zouden moeten worden gedragen en om [geïntimeerde] te laten (bij)betalen voor mondmaskers die [appellant] – toen [geïntimeerde] ze echt nodig had – niet tijdig en deugdelijk heeft geleverd.
5.24
Ook
grief 9wordt daarom verworpen.
De veroordelingen tot betaling uit het bestreden vonnis blijven in stand
5.25
Dit betekent dat ook het hof tot de conclusie komt dat [geïntimeerde] de overeenkomst rechtsgeldig heeft ontbonden, wat ertoe leidt dat de veroordeling om een bedrag van [geïntimeerde] terug te betalen in stand blijft. Tegen die veroordeling als uitvloeisel van de ontbinding is geen inhoudelijke klacht gericht en dat geldt ook voor het oordeel van de rechtbank over de wettelijke rente, de beslagkosten, de incassokosten en de proceskosten.
Grief 11bouwt in zijn geheel voort op het verworpen standpunt dat [geïntimeerde] niet heeft kunnen ontbinden; dat deed ook het verweer tegen de wettelijke rente in eerste aanleg waarnaar de toelichting op deze grief verwijst. Deze grief slaagt dus niet.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.26
Volgens [appellant] leidt tenuitvoerlegging van de veroordeling tot haar faillissement en moet de veroordeling daarom niet, zoals de rechtbank deed, uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard (
grief 12). Tegenover dit belang van [appellant] , dat gelet op de omvang van de veroordeling aannemelijk voorkomt, staat het belang van [geïntimeerde] om te proberen om zoveel mogelijk van het haar toekomende bedrag terug te krijgen. Aannemelijk is dat die mogelijkheden met het verstrijken van de tijd niet groter worden. Beide belangen afwegende ziet het hof geen reden om het bestreden vonnis op dit punt te vernietigen en zijn eigen arrest niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
Grief 12faalt.
Tegenvordering van [appellant]
5.27
Het oordeel dat [geïntimeerde] de overeenkomst rechtsgeldig heeft ontbonden brengt mee dat de vordering van [appellant] tot nakoming van die overeenkomst niet toewijsbaar is. Daarmee faalt ook de laatste grief,
grief 13.
Proceskosten
5.28
[appellant] krijgt in hoger beroep ongelijk en zij zal daarom worden veroordeeld in de proceskosten van die instantie. Die kosten worden aan de zijde van [geïntimeerde] als volgt begroot op € 13.608,00 aan griffierecht en € 12.434,00 (twee punten bij tarief VIII) voor salaris van de gemachtigde, in totaal € 26.042,00.
Dit bedrag wordt, zoals [geïntimeerde] heeft gevorderd, bij niet tijdige betaling vermeerderd met de wettelijke rente.
Bewijsaanbod
5.29
De bewijsaanbiedingen over en weer, voor zover nog niet besproken, worden gepasseerd omdat er geen voldoende gemotiveerde stellingen ter discussie staan, die – indien bewezen – tot een ander oordeel zouden kunnen leiden.
Slotsom
5.3
Het hoger beroep van [appellant] slaagt niet. Het bestreden eindvonnis zal worden bekrachtigd, met veroordeling van [appellant] in de kosten van het hoger beroep.

6.Beslissing

Het hof:
bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Alkmaar, van 21 december 2022;
veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep aan de kant van [geïntimeerde] tot aan deze uitspraak begroot op € 26.042,00;
bepaalt dat deze kosten worden vermeerderd met de wettelijke rente wanneer de kosten niet binnen veertien dagen na zijn voldaan;
verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mr. F.W.J. Meijer, mr. J. de Graaf en mr. O.L. Nunes en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 20 januari 2026.