Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.De zaak in het kort
2.Het geding in hoger beroep
3.Feiten
grief 2heeft ingebracht, hieronder met enige aanvullingen weergegeven en dienen ook het hof tot uitgangspunt.
Filtering Face Piece), en overigens ook niet aan de kwaliteitseis FFP1.
“CE-gecertificeerd zullen zijn volgens Richtlijn 2016/425 (inzake Personal Protection Equipment)”.
notified body, Universal Certification. [appellant] heeft voor de levering van die nieuwe mondmaskers een schema opgesteld, met als laatste leverdatum 16 juli 2020, waarbij is opgemerkt dat dit schema bedoeld is
“als richtlijn”. [appellant] heeft [geïntimeerde] verzocht zijn medewerking te verlenen aan deze oplossing.
“fit”) niet. [geïntimeerde] heeft aangekondigd dat een tweede toetsing door een
notified bodyzal worden uitgevoerd, aan de hand van de Europese norm voor de kwaliteit van persoonlijke beschermingsmiddelen, te weten de productnorm EN 149, op basis waarvan de door [appellant] gestelde CE-certificering heeft plaatsgevonden. Over de door [appellant] ingediende facturen heeft [geïntimeerde] in de brief opgemerkt dat deze voor betaling in aanmerking komen, nadat het volledige door [geïntimeerde] betaalde voorschot van ruim 45 miljoen euro is ‘uitgeput’ en de levering waarop de factuur betrekking heeft, is goedgekeurd.
notified body, te weten Universal Certification, en dat de uitkomsten daarvan volgens een technisch rapport van 8 mei 2020 positief zijn bevonden.
notified body, de [bedrijf] (hierna: [bedrijf] ), gerapporteerd over testen die in opdracht van [geïntimeerde] zijn uitgevoerd. De testrapporten gaven op het onderdeel
total inward leakageeen resultaat
‘Fail’aan.
4.Eerste aanleg
5.Beoordeling
grieven 3 tot en met 10zal, waar relevant, rekening worden gehouden met bijzondere tijd waarin de handelingen deels moeten worden geplaatst. Daarbij gaat het om de (nood)situatie tijdens het begin van de Covid 19-pandemie toen er een nijpend tekort was aan mondmaskers en [geïntimeerde] op korte termijn zoveel mogelijk mondmaskers probeerde in te kopen tegen (als gevolg van de schaarste) sterk gekregen prijzen en met gedeeltelijke versoepeling van de (inkoop)procedures. Wat [appellant] in dat verband onder
grief 2aanvoert (
grief 1is een veeggrief) is daarmee afdoende behandeld.
fit) en ook dat deze zouden zijn voorzien van een CE-markering conform de PBM-verordening. Partijen zijn het erover eens dat als de mondmaskers overeenstemmen met de productnorm EN 149, een ‘vermoeden van conformiteit’ geldt dat de mondmaskers voldoen aan de eisen van de PBM-Verordening voor FFP2-maskers voor filterkwaliteit en pasvorm (fit). Nu het gaat om een vermoeden stond het [geïntimeerde] vrij om de mondmaskers na ontvangst op hun deugdelijkheid en conformiteit aan deze voorschriften te (laten) testen. Uit niets blijkt dat [geïntimeerde] van dit recht afstand heeft gedaan of heeft toegezegd niet te zullen keuren, zoals [appellant] lijkt te betogen. In het e-mailbericht van [geïntimeerde] van 4 juni 2020 (zie hierboven onder 4.17) staat expliciet dat [geïntimeerde] de mondmaskers, naar [appellant] bekend is, zal keuren aan de hand van steekproeven.
Grief 3wordt daarom verworpen.
lotsheeft getest waarbij van acht
lots(met de nummers 1458, 1460, 1679, 1793, 1803, 1807, 1836 en 1984) de
fitonvoldoende werd bevonden en van een
lot(1808) de filtratie (‘
particle penetration’). Bij alle veertien
lotswas de conclusie dat de documentatie niet voldeed. Uit drie van die
lots(1836, 1679 en 1458) heeft [geïntimeerde] vervolgens steeds negentien maskers voor een ‘second opinion’ gestuurd naar [bedrijf] , een ‘
notified body’ in de zin van de PBM-Verordening. Ten aanzien van die drie
lotsconcludeerde [bedrijf] , net als het kwaliteitscentrum, dat de
fitonvoldoende was, aldus [geïntimeerde] .
second opinion. [bedrijf] is, daarover zijn partijen het eens, een onafhankelijke instantie die de deskundigheid en de faciliteiten bezit om de maskers op hun conformiteit te testen. De overgelegde rapporten en wat [appellant] daarover heeft opgemerkt, geven het hof geen reden om te betwijfelen dat testresultaten van [bedrijf] betrouwbaar zijn en op deskundige wijze en met juiste toepassing van de relevante NEN-norm tot stand zijn gekomen. Anders dan [appellant] suggereert, heeft [geïntimeerde] zelf ook geen blijk gegeven van bedenkingen over de kwaliteit van de testen van [bedrijf] . De klachten van [geïntimeerde] over het testproces hadden slechts betrekking op het tempo en zijn hier verder niet relevant. Het hof kan [appellant] evenmin volgen waar zij aanvoert dat de intervallen tussen aanleveringen en onderzoek te denken geven over de zorgvuldigheid waarmee [bedrijf] bij het testen en bewaren van de maskers te werk is gegaan. Wat betreft de
sample sizeis niet gebleken dat [bedrijf] deze te beperkt achtte om verantwoorde uitspraken te kunnen doen noch dat [bedrijf] (of [geïntimeerde] zelf) van mening was dat per lot minimaal veertig maskers nodig waren. [appellant] stelt dat er slechts twaalf maskers zijn afgekeurd (op een partij van achttien miljoen), maar miskent met die stelling dat [bedrijf] in haar
second opiniontwaalf van de vijftien geteste maskers op het punt van
inward leakageeen
failheeft gegeven, een hoog percentage dat voldoende steun geeft aan de steekproeven die het kwaliteitscentrum uit de op dat moment geleverde makers had genomen. Met [geïntimeerde] is het hof van oordeel dat het aantal geconstateerde vergelijkbare afwijkingen zodanig was, dat [geïntimeerde] op basis van deze relatief beperkte steekproef de op dat moment ontvangen levering (nog niet de helft van achttien miljoen maskers) heeft mogen afkeuren als non-conform.
fit) had. Van vier van die tests (van Universal, SNAS, TÜV en SGS), alle verricht in opdracht van de leverancier, staat vast dat deze niet zijn uitgevoerd op de partij maskers die [geïntimeerde] heeft ontvangen en die door hem zijn opgeslagen. Dat, zoals [appellant] stelt, het om identieke op dezelfde manier geproduceerde maskers gaat, valt uit de overgelegde foto’s niet op te maken en die stelling steunt verder uitsluitend op een verklaring van de leverancier. Dat is te weinig, zeker omdat uit die verklaring en de toelichting erop van [appellant] ook blijkt dat er verschillende productielijnen waren zodat de maskers (uiterlijk) van elkaar konden verschillen. De test die [bedrijf] in opdracht van [appellant] heeft verricht zou volgens [appellant] wel zijn uitgevoerd op de aan [geïntimeerde] geleverde partij, waarvan [appellant] enkele beschadigde doosjes zegt te hebben achtergehouden; uit die doosjes zouden de door [bedrijf] geteste exemplaren afkomstig zijn. Aangenomen dat dit juist is, wil dat nog niet zeggen dat het ook gaat om maskers uit de
lotsdie het kwaliteitscentrum en [bedrijf] als onvoldoende hebben beoordeeld. Het kwaliteitscentrum heeft immers ook een aantal
lotsop zowel filterkwaliteit als
fitgoedgekeurd. [appellant] maakt niet concreet dat de achtergehouden maskers afkomstig waren uit de drie afgekeurde
lotsdie [geïntimeerde] door [bedrijf] heeft laten testen. De resultaten van de tests die [bedrijf] op de door [appellant] aangeboden maskers heeft verricht doen daarom aan de bevindingen van [bedrijf] in de door [geïntimeerde] overgelegde rapporten niet af.
second opinionnaar [bedrijf] zijn gestuurd. Weliswaar is eenmalig een zending van een andere partij aan [appellant] toegeschreven (doordat abusievelijk haar naam is ingevuld op een formulier dat verder alle gegevens van die ander partij bevatte), maar die fout is nog geen reden om aan te nemen dat de administratie van [geïntimeerde] niet op orde en onbetrouwbaar zou zijn. Die onbetrouwbaarheid blijkt ook niet uit de correspondentie die [appellant] als productie 58 heeft overgelegd; die wijst er eerder op dat voordat de maskers naar [bedrijf] gingen nog eens goed is gekeken om welke maskers het ging. Het verschil tussen de op te sturen (veertig) en de geteste maskers (negentien) per
lotis, anders dan [appellant] meent, evenmin een aanwijzing dat het om andere maskers gaat. Het hof ziet dan ook geen reden om te betwijfelen dat de testen van [geïntimeerde] betrekking hadden op de door [appellant] geleverde maskers. Wat [appellant] tegenover de onderbouwde stellingen van [geïntimeerde] heeft ingebracht, is onvoldoende om [geïntimeerde] met bewijs of [appellant] met tegenbewijs te belasten.
grieven 4, 5 en 6.
grief 7vergeefs bestreden. Zoals in het door [geïntimeerde] overgelegde LCH-rapport wordt beargumenteerd, is het CE-certificaat niet tot de geleverde maskers te herleiden en kon geen EU-conformiteitsverklaring worden overgelegd. Dat op de maskers geen CE-markering was afgedrukt, blijkt ook uit de in dit geding ingebrachte foto’s – ook die van [appellant] zelf – en wordt door [appellant] ook erkend. Voor haar stelling dat het slechts om een klein aantal maskers gaat, is geen bewijs bijgebracht. Ook op de getoonde maskers uit de steekproef uit het magazijn van [geïntimeerde] ontbreekt de markering, zodat het hof het ervoor houdt dat in elk geval een zeer relevant deel van de maskers niet van deze markering was voorzien. Het hof verwijst verder naar de overwegingen onder 4.30 tot en met 4.33 van de rechtbank waarbij het zich aansluit en die het tot de zijne maakt.
fit) niet voldeden aan de overeengekomen vereisten en het is niet aannemelijk dat [appellant] door het later toevoegen van de klacht over de certificering is benadeeld omdat zij bij een eerdere klacht bereid en in staat was geweest om tijdig deugdelijke mondmaskers te leveren die wel van de vereiste certificering en markering waren voorzien. Bewijsnadeel bij [appellant] is er evenmin omdat de mondmaskers nog steeds beschikbaar waren en dit punt nog zonder bezwaar kon worden gecontroleerd. Er kan daarom niet worden gezegd dat [geïntimeerde] niet binnen bekwame tijd bij [appellant] heeft geklaagd en dat hij daarom er geen beroep op kan doen dat de levering op dit punt niet aan de overeenkomst beantwoordde.
grief 8niet op.
grief 8gaat over het tijdig klagen over deze gebreken, hoeft hij geen bespreking.
fit) en de certificering - achterbleven bij wat [geïntimeerde] mocht verwachten. [appellant] heeft tegen de onderbouwde stellingen van [geïntimeerde] op dit punt te weinig ingebracht. Nadere bewijslevering door [geïntimeerde] , of tegenbewijs van [appellant] , is dan niet aan de orde. Een deskundigenonderzoek naar de
fiten de filtratie van de maskers is, zoals de rechtbank onbestreden heeft vastgesteld, niet meer zinvol en zal ook om die reden achterwege blijven. De tekortkomingen gaven [geïntimeerde] in beginsel de bevoegdheid om de overeenkomst te ontbinden. Of deze ontbinding gelet op alle relevante omstandigheden ook gerechtvaardigd was, zal worden beoordeeld nadat het hof is ingegaan op een aantal andere geschilpunten die gaan over de tijdigheid van de leveringen en de vraag wie van beide partijen in verzuim is geraakt en of er terecht is opgeschort.
fiten certificering mocht tillen nu de filterkwaliteit (meer dan) toereikend was. [appellant] had zich zeer nadrukkelijk eraan gecommitteerd dat de maskers op alle fronten zouden voldoen aan de voorschriften. [geïntimeerde] hoefde daarom bij deze tranche er ook geen genoegen mee te nemen dat de pasvorm van de maskers met de clips nog was bij te stellen.
grief 9wordt daarom verworpen.
Grief 11bouwt in zijn geheel voort op het verworpen standpunt dat [geïntimeerde] niet heeft kunnen ontbinden; dat deed ook het verweer tegen de wettelijke rente in eerste aanleg waarnaar de toelichting op deze grief verwijst. Deze grief slaagt dus niet.
grief 12). Tegenover dit belang van [appellant] , dat gelet op de omvang van de veroordeling aannemelijk voorkomt, staat het belang van [geïntimeerde] om te proberen om zoveel mogelijk van het haar toekomende bedrag terug te krijgen. Aannemelijk is dat die mogelijkheden met het verstrijken van de tijd niet groter worden. Beide belangen afwegende ziet het hof geen reden om het bestreden vonnis op dit punt te vernietigen en zijn eigen arrest niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
Grief 12faalt.
grief 13.