Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:1336

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
19 mei 2026
Publicatiedatum
15 mei 2026
Zaaknummer
200.362.464
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 8.2 Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshovenArtikel 237 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid appellant na verzoek tot doorhaling in hoger beroep civiele zaak

Appellant stelde hoger beroep in tegen een vonnis van de kantonrechter in kort geding. Na het nemen van memorie van antwoord door geïntimeerde en het bepalen van een datum voor mondelinge behandeling, verzocht appellant het hof om doorhaling van de zaak en dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

Geïntimeerde stemde niet in met het verzoek tot doorhaling en vorderde veroordeling van appellant in de proceskosten. Het hof oordeelde dat doorhaling slechts op eenstemmig verzoek van partijen kan plaatsvinden en omdat geïntimeerde niet instemde, kon het hof niet tot doorhaling overgaan.

Aangezien appellant de zaak niet wilde voortzetten, verklaarde het hof hem niet-ontvankelijk in het hoger beroep. Het hof compenseerde de proceskosten omdat geïntimeerde het gehuurde vrijwillig ontruimde nadat het hoger beroep was ingesteld, waardoor het procesbelang van appellant kwam te vervallen. Het arrest werd gewezen door drie rechters en uitgesproken op 19 mei 2026.

Uitkomst: Appellant wordt niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep en proceskosten worden gecompenseerd.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I (handel)
zaaknummer : 200.362.464/01
zaaknummer rechtbank Amsterdam : 11900744 KK EXPL 25-660
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 19 mei 2026
in de zaak van
[appellant],
wonend in [plaats] ,
appellant,
advocaat: mr. M. Kartal te Amsterdam,
tegen
[geïntimeerde],
wonend in [plaats] ,
geïntimeerde,
advocaat: mr. K. Samim te Amsterdam.

1.Het verloop van het geding in hoger beroep

Bij dagvaarding van 27 november 2025 heeft appellant hoger beroep ingesteld tegen het vonnis in kort geding van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam dat onder bovengenoemd zaaknummer tussen partijen is gewezen op 3 november 2025.
De appeldagvaarding bevat de grieven. Op de rol van 13 januari 2026 heeft geïntimeerde een memorie van antwoord, met producties, genomen.
Nadat op verzoek van appellant een datum voor de mondelinge behandeling was bepaald, heeft hij het hof bij H8-formulier van 20 februari 2026 om doorhaling van de zaak verzocht en te bepalen dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.
Geïntimeerde heeft bij e-mail van 24 februari 2025 het hof bericht niet met het laatste in te stemmen en het hof verzocht appellant te veroordelen in de proceskosten.
Arrest is bepaald op heden.

2.Beoordeling

2.1.
Doorhaling op de rol vindt plaats op eenstemmig verzoek van partijen daartoe (artikel 8.2 LPR). Omdat geïntimeerde heeft verzocht appellant in de proceskosten te veroordelen, kan niet tot doorhaling worden overgegaan.
2.2.
Nu appellant de zaak niet wil voortzetten, zal het hof appellant niet-ontvankelijk verklaren in het hoger beroep.
2.3.
Het hof ziet aanleiding de proceskosten te compenseren. Door de vrijwillige ontruiming van het gehuurde door geïntimeerde - nadat het hoger beroep aanhangig was gemaakt en beide partijen hun memories hadden genomen – is het procesbelang aan de vordering van appellant komen te ontvallen. Het betoog van geïntimeerde dat hij (uitsluitend) ontruimd heeft omdat partijen inmiddels zijn gedagvaard door de hoofdverhuurder en geïntimeerde verdere escalatie wil voorkomen, maakt dat oordeel niet anders.

3.Beslissing

Het hof:
verklaart appellant niet-ontvankelijk in het hoger beroep;
compenseert de kosten van het hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.C.W. Rang, J.W. Hoekzema en A.R. Sturhoofd en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2026.