Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:1330

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
12 mei 2026
Publicatiedatum
12 mei 2026
Zaaknummer
23-001007-23
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 OpiumwetArt. 11 OpiumwetArt. 3a OpiumwetArt. 9 SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen veroordeling voor telen en bezit van grote hoeveelheid hennep

In hoger beroep heeft het gerechtshof Amsterdam het vonnis van de politierechter vernietigd en opnieuw recht gedaan. De verdachte werd beschuldigd van het opzettelijk telen en aanwezig hebben van een grote hoeveelheid hennepplanten en -stekken in Uithoorn op circa 22 januari 2019.

Het hof achtte het bewezen dat de verdachte 260 hennepplanten en 850 hennepstekken teler en in bezit had, middelen die onder lijst II van de Opiumwet vallen. Andere tenlasteleggingen werden niet bewezen verklaard. De verdachte bekende het feit en er waren geen omstandigheden die de strafbaarheid uitsloten.

De politierechter had een taakstraf van 70 uur, subsidiair 35 dagen hechtenis en een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken opgelegd. Het hof volgde de advocaat-generaal in het verzoek om af te zien van de voorwaardelijke gevangenisstraf, gezien het ontbreken van recidive sinds het plegen van de feiten. Gelet op de ernst van de feiten, de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en de overschrijding van de redelijke termijn, legde het hof een taakstraf van 70 uur op.

De overschrijding van de redelijke termijn van berechting werd erkend, maar het hof vond dit niet aanleiding tot strafvermindering. De tijd die de verdachte in voorarrest had doorgebracht, werd in mindering gebracht op de taakstraf.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot een taakstraf van 70 uur voor het telen en aanwezig hebben van 260 hennepplanten en 850 hennepstekken.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001007-23
datum uitspraak: 12 mei 2026
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 21 maart 2023 in de strafzaak onder parketnummer 13-108572-20 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1968,
adres: [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 21 april en 12 mei 2026.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 22 januari 2019 te Uithoorn opzettelijk heeft geteeld, bereid, bewerkt, verwerkt, verkocht, afgeleverd, verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een grote hoeveelheid als bedoeld in artikel 11 lid 5 van Pro de Opiumwet, te weten 260 hennepplanten en/of 850 hennepstekken, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.

Bewijsoverweging

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat hetgeen is ten laste gelegd wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.
De raadsman heeft zich – voor wat betreft de bewezenverklaring – gerefereerd aan het oordeel van het hof.
De verdachte heeft het feit bekend. Het hof acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij omstreeks 22 januari 2019 te Uithoorn opzettelijk een grote hoeveelheid als bedoeld in artikel 11, vijfde lid, van de Opiumwet, te weten 260 hennepplanten, heeft geteeld en opzettelijk een grote hoeveelheid als bedoeld in artikel 11, vijfde lid, van de Opiumwet, te weten 850 hennepstekken, aanwezig heeft gehad, zijnde telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgesomd in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod
en
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een taakstraf van 70 uren, subsidiair 35 dagen hechtenis en een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken met een proeftijd van één jaar.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis.
De raadsman heeft het hof verzocht een voorwaardelijke taakstraf op te leggen en daarbij rekening te houden met de forse overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het telen en het aanwezig hebben van 260 hennepplanten en 850 hennepstekken. Verdovende middelen zijn schadelijk voor de volksgezondheid en het strafbare aanwezig hebben en telen daarvan leidt vaak tot verschillende andere vormen van criminaliteit.
Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 2 april 2026 is hij niet eerder strafrechtelijk veroordeeld ter zake van een soortgelijk feit. Het hof houdt daarnaast rekening met de medische en persoonlijke omstandigheden die de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep nader heeft toegelicht. In al het vorenstaande ziet het hof echter, anders dan de advocaat-generaal, geen aanleiding om een taakstraf van kortere duur op te leggen dan door de politierechter is bepaald. Het hof zal wel, in navolging van de advocaat-generaal, afzien van het daarbij nog opleggen van een voorwaardelijke gevangenisstraf, nu de verdachte sinds het plegen van deze feiten niet meer met justitie in aanraking is geweest.
In artikel 6, eerste lid, van het EVRM is gewaarborgd het recht van iedere verdachte om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Volgens vaste rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) kan de verdachte aanspraak maken op een berechting binnen een redelijke termijn vanaf het moment waarop sprake is van een ‘criminal charge’.
Op 24 januari 2019, de datum waarop de verdachte in verzekering is gesteld, is de redelijke termijn aangevangen. De rechtbank heeft op 21 maart 2023 vonnis gewezen. Hieruit volgt dat in eerste aanleg de redelijke termijn is overschreden met twee maanden. Op 21 maart 2023 is namens de verdachte hoger beroep ingesteld. Het hof doet bij arrest van 12 mei 2026 einduitspraak. Hieruit volgt dat in hoger beroep sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn van ongeveer een jaar en twee maanden.
Gelet op de omstandigheid dat aan de verdachte een taakstraf van minder dan 100 uren wordt opgelegd, zal het hof evenwel volstaan met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op artikel 6, eerste lid, EVRM.
Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 9, 22c en 22d en 57 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
70 (zeventig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
35 (vijfendertig) dagen hechtenis.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.L. Bruinsma, mr. M.J.A. Plaisier en mr. A.J. van Es, in tegenwoordigheid van
mr. C. van der Laan, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
12 mei 2026.
Mr. A.J. van Es is wegens afwezigheid buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
=========================================================================
[…]