Betrokkene werd in eerste aanleg veroordeeld voor het telen van hennep en diefstal van elektriciteit, waarbij de politierechter een ontnemingsvordering van €30.604,10 oplegde. Tegen dit vonnis stelde betrokkene hoger beroep in bij het gerechtshof Amsterdam.
Het hof onderzocht de zaak tijdens zittingen op 21 april en 12 mei 2026 en vernietigde het vonnis van de politierechter. De ontnemingsrapportage van 9 april 2019 vormde de basis voor de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel, waarbij het hof uitging van één oogst in plaats van twee, wat resulteerde in een bedrag van €16.102,49.
De advocaat-generaal vorderde dit bedrag, terwijl de verdediging onder meer een afwijzing van de vordering bepleitte en een pondspondsgewijze verdeling van het voordeel wegens medeplegen. Het hof vond onvoldoende aanwijzingen voor medeplegen en wees de naheffing van Liander als aftrekpost af.
Vanwege een overschrijding van de redelijke termijn van circa twee jaar en vier maanden matigde het hof de betalingsverplichting tot €14.000. De ontnemingsmaatregel is gebaseerd op artikel 36e Wetboek van Strafrecht. De duur van gijzeling werd vastgesteld op maximaal 140 dagen.