ECLI:NL:GHAMS:2026:128

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
20 januari 2026
Publicatiedatum
20 januari 2026
Zaaknummer
23-000474-24
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging van het vonnis van de rechtbank met uitzondering van de straf in een ontnemingsprocedure

In deze zaak heeft het gerechtshof Amsterdam op 20 januari 2026 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 13 februari 2024. De verdachte, geboren in Marokko in 1974 en thans gedetineerd in P.I. Heerhugowaard, had hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en de procesafspraken die op 7 oktober 2025 zijn gemaakt tussen het openbaar ministerie en de verdachte. Deze afspraken zijn ondertekend door beide partijen en zijn gericht op het verkorten van de procedure en het efficiënter afdoen van de zaak. De verdachte heeft geen onderzoekswensen ingediend en geen bewijsverweren gevoerd, wat heeft geleid tot een efficiencywinst en een strafkorting van 15%. Het hof heeft de gevangenisstraf vastgesteld op 72 maanden, met aftrek van voorarrest, en heeft het vonnis van de rechtbank bevestigd, behalve ten aanzien van de opgelegde gevangenisstraf. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben en verhandelen van vuurwapens en grote hoeveelheden verdovende middelen. Het hof heeft bij de strafoplegging rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder een laag recidiverisico en een stabiele leefsituatie. De op te leggen straf is gegrond op verschillende artikelen van de Opiumwet en het Wetboek van Strafrecht.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000474-24
datum uitspraak: 20 januari 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 13 februari 2024 in de strafzaak onder parketnummer 13-207482-22 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] (Marokko) op [geboortedag] 1974,
thans gedetineerd in P.I. Heerhugowaard.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 6 januari 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsvrouw naar voren hebben gebracht, waaronder begrepen de door procespartijen ondertekende procesafspraken van 7 oktober 2025.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis van de rechtbank en zal dit dan ook bevestigen, behalve ten aanzien van de opgelegde gevangenisstraf. In zoverre zal het vonnis worden vernietigd. Daarbij is rekening gehouden met de tussen het openbaar ministerie en de verdediging gemaakte procesafspraken, die hierna worden weergegeven.

Procesafspraken

Op 7 oktober 2025 zijn procesafspraken gemaakt tussen het openbaar ministerie, vertegenwoordigd door de advocaat-generaal, en de verdachte, vertegenwoordigd door zijn raadsman. Deze procesafspraken zijn op schrift gesteld, door de advocaat-generaal en de verdachte ondertekend en op 1 november 2025 door de advocaat-generaal aan het hof verstrekt.
In de overeenkomst procesafspraken is, voor zover relevant, het volgende vermeld:
De verdachte heeft (tijdig) hoger beroep ingesteld tegen het vonnis. De verdachte zit sinds 14 juni 2023 in voorlopige hechtenis. De raadsman van de verdachte heeft in april 2025 het OM benaderd met de vraag of procesafspraken tot de mogelijkheden behoort. Omdat door de officier van justitie te Amsterdam de ontnemingsvordering nog aanhangig gemaakt moest worden, is onderzocht of een overeenkomst waarvan de ontneming onderdeel zou uitmaken tot de mogelijkheden zo behoren. Dit heeft geresulteerd in een tweetal overeenkomst, een schikking ex artikel 511c Sv van de ontneming en een proces-afsprakenovereenkomst in de strafzaak in hoger beroep
.
De verdachte heeft een schikking ex artikel 511c Sv getroffen met de officier van justitie. De schikking houdt in dat de verdachte aan de Staat der Nederlanden een geldbedrag van euro 55.000,- zal betalen voor 31 oktober 2025.
Procesafspraken moeten bijdragen aan het verkorten van de procedure en het efficiënter en effectiever afdoen van de zaak. Procesafspraken in de deze strafzaak in hoger beroep levert een beperkte efficiencywinst op, omdat de verdediging niet (veel) complexe onderzoekswensen heeft ingediend. Schikking en snelle betaling van de ontneming levert veel efficiencywinst op voor de gehele strafrechtketen. Een ontnemingsprocedure in eerste aanleg, tweede aanleg en de incasso door het CJIB kost in veel gevallen jaren tijd. Dit mag meewegen in de afdoening middels procesafspraken.
Het openbaar ministerie en de verdachte zijn – samengevat – tot de volgende procesafspraken gekomen:
De verdachte zal geen (inhoudelijke) verweren voeren.
De verdediging geeft aan dat de feiten en de kwalificatie zoals door de rechtbank Amsterdam op 13 februari 2024 is vastgesteld, niet worden betwist en er geen inhoudelijk verweer zal worden gevoerd.
Het OM zal ter zitting rekwireren tot bewezenverklaring van de aan verdachte tenlastegelegde feiten en bevestiging van het vonnis van de rechtbank vragen. Tevens zal het OM ter zitting oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 72 maanden (of 6 jaar) vragen.
De verdediging zal gedurende het (verdere) proces in hoger beroep geen aanhoudingsverzoeken indienen, tenzij een acute situatie van persoonlijke aard ontstaat die thans niet wordt voorzien.
Verdachte zal zich niet aan de tenuitvoerlegging van de straf onttrekken, en zal geen cassatie instellen tenzij de opgelegde gevangenisstraf afwijkt van het procesvoorstel, en/of het hof een andere strafmodaliteit oplegt dan zoals door partijen is overeengekomen.
Beoordeling
Procedurele waarborgen
Ter terechtzitting in hoger beroep van 6 januari 2026 zijn de procesafspraken voorgehouden en is de inhoud en de totstandkoming daarvan door de raadsvrouw, de verdachte en de advocaat-generaal bevestigd en toegelicht.
De verdachte heeft ter terechtzitting op vragen van het hof toegelicht dat hij achter de overeenkomst staat en goed over de gevolgen heeft nagedacht. Hij heeft geen bezwaar tegen de bewezenverklaringen in het vonnis van de rechtbank en is akkoord met de eis van de advocaat-generaal. Hij is voldoende voorgelicht om deze keuze te maken en is zich bewust dat hij afstand doet van bepaalde verdedigingsrechten. De verdachte geeft aan dat hij dit hoofdstuk achter zich wil laten en verder met zijn leven wil gaan.
Op basis van de verklaring van de verdachte stelt het hof vast dat de verdachte vrijwillig, op basis van voldoende en duidelijke informatie en terwijl hij zich bewust was van de rechtsgevolgen, is gekomen tot de ondubbelzinnige beslissing mee te werken aan het afdoeningsvoorstel en de daarmee gepaard gaande afstand van verdedigingsrechten.
Gelet op het voorgaande komen de procesafspraken voor een beoordeling door het hof in aanmerking.
Inhoudelijke beoordeling
De procesafspraken in deze strafzaak in hoger beroep leveren een zekere efficiency-winst op.
Voor het overnemen van de procesafspraken kijkt het hof niet alleen of deze bijdragen aan het verkorten van de procedure en het efficiënter en effectiever afdoen van de zaak waar de afspraken op zien, maar ook of is voldaan aan de vereisten van de artikelen 348 en 350 Sv en of de overeengekomen afspraken voor de beëindiging van de zaak in een redelijke verhouding staan tot de ernst van de zaak.
Het hof neemt bij de beoordeling van de procesafspraken (mede) in aanmerking het tijdsverloop tot op heden. De verweten gedragingen dateren uit 2020 en zijn inmiddels meer dan 5 jaar oud. De verdachte zit sinds juni 2023 in voorlopige hechtenis. De redelijke termijn is in hoger beroep, ten tijde van het doen van onderhavige uitspraak, met een half jaar overschreden. De reclassering heeft op 21 november 2024 een rapport uitgebracht waarin zij een gunstig beeld schetsen over de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De reclassering concludeert dat het recidiverisico laag is en er veel beschermende factoren in het leven van de verdachte zijn. Er is sprake van een stabiele leefsituatie, partnersituatie, contact met familie en er is geen sprake van een delictpatroon. Uit een uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 19 december 2025 blijkt dat de verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld. Tot slot neemt het hof in de overwegingen mee dat in deze strafzaak geen personen als slachtoffer of benadeelde partij zijn aangemerkt.
Het hof stelt vast dat aan de vereisten van de artikelen 348 en 350 Sv is voldaan en is van oordeel dat van het afdoeningsvoorstel niet kan worden gesteld dat het niet in een redelijke verhouding staat tot de ernst van de zaak. Het hof zal daarom de gemaakte procesafspraken overnemen, met dien verstande dat met de afspraak over het doen van afstand van rechtsmiddelen voorafgaand aan het oordeel van het hof, nog geen rechtsgeldige afstand wordt gedaan van het recht om cassatieberoep in te stellen.
Nu het hof de procesafspraken overneemt, zal het hof het vonnis waarvan beroep bevestigen behalve ten aanzien van de opgelegde gevangenisstraf.

Oplegging van straf

De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder feit 1 subsidiair, 2, 3, 4, 5, bewezenverklaarde veroordeeld tot gevangenisstraf van 7 jaar met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
De advocaat-generaal heeft op basis van de tussen het openbaar ministerie en de verdachte overeengekomen procesafspraken gevorderd dat de verdachte voor het onder feit 1 subsidiair, feit 2, feit 3, feit 4 en feit 5 bewezenverklaarde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 72 maanden met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben en verhandelen van een tiental
vuurwapens. Bovendien heeft verdachte via versleutelde berichtgeving geprobeerd om nog meer wapens te verhandelen. Het verkopen van vuurwapens brengt een groot risico voor de veiligheid van personen met zich mee. Door het verhandelen van vuurwapens heeft verdachte deze in omloop gebracht. Wapens in het criminele circuit worden vaak gebruikt om ernstige strafbare feiten mee te begaan. Verdachte heeft zich daarnaast schuldig gemaakt aan het verhandelen van grote hoeveelheden verdovende middelen. Het gebruik van (hard)drugs is verslavend en zeer schadelijk voor de volksgezondheid. Bovendien gaat het gebruik en de handel van drugs veelal gepaard met verschillende vormen van criminaliteit, geweld, overlast en illegale geldstromen.
Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 19 december 2025 is hij niet eerder strafrechtelijk veroordeeld voor soortgelijke feiten.
De ernst van het bewezenverklaarde feit rechtvaardigt in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zoals door de rechtbank is opgelegd. Het hof heeft bij het bepalen van de duur van de op te leggen gevangenisstraf in aanmerking genomen dat de bewezenverklaarde feiten dateren uit 2020, de redelijke termijn in hoger beroep is overschreden, de verdachte geen relevante documentatie heeft, de reclassering het recidiverisico als laag in schat en er veel beschermende factoren in het leven van de verdachte zijn.
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de eis van de advocaat generaal in redelijke
verhouding staat tot de ernst van de zaak zoals die blijkt uit de processtukken en het verhandelde op de terechtzitting. Daarom ziet het hof aanleiding de tot stand gekomen procesafspraken in zijn uitspraak over te nemen, voor zover deze zien op de beslissingen die het hof moet nemen, en de verdachte een gevangenisstraf conform deze afspraken op te leggen. Die gevangenisstraf is passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet, de artikelen 45, 47, 55 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 9, 14, 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van gevangenisstraf en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
72 (tweeënzeventig) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M. Iedema, mr. R.P. den Otter en mr. N.E. Kwak, in tegenwoordigheid van mr. L.M. Steur, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 20 januari 2026. Mr. R.P. den Otter is buiten staat het arrest mede te ondertekenen.
[......]