Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:1226

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
27 februari 2026
Publicatiedatum
4 mei 2026
Zaaknummer
23-000284-24
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 416 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard wegens intrekking door verdachte

Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep van verdachte tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 23 januari 2024. Tijdens de zitting op 27 februari 2026 heeft het hof kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal om het hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren op grond van artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.

De raadsvrouw van verdachte heeft per e-mail op 30 januari 2026 aangegeven dat verdachte zijn oorspronkelijke bezwaren tegen het vonnis niet langer wenst te handhaven en het hof verzoekt om niet-ontvankelijk te verklaren. Intrekking van het hoger beroep was niet meer mogelijk omdat het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep reeds was aangevangen op 17 november 2025.

Het hof heeft vastgesteld dat er geen rechtens te respecteren belang is bij nader onderzoek van de zaak. Daarom verklaart het hof het hoger beroep van verdachte niet-ontvankelijk. Mr. B. de Wilde was niet in staat het arrest mede te ondertekenen.

Uitkomst: Het hoger beroep van verdachte is niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet handhaven van bezwaren.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000284-24
datum uitspraak: 27 februari 2026
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 23 januari 2024 in de strafzaak onder parketnummer 15-333652-22 tegen:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1997,
adres: [adres] .

Onderzoek ter terechtzitting

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 27 februari 2026.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot
niet-ontvankelijkverklaring van het door de verdachte ingestelde hoger beroep op grond van artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

Blijkens een e-mailbericht van de raadsvrouw van 30 januari 2026 wenst de verdachte het hoger beroep niet te handhaven. Intrekking van het hoger beroep is niet meer mogelijk, nu het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep op 17 november 2025 is aangevangen. Uit het e-mailbericht van de raadsvrouw blijkt dat de verdachte zijn oorspronkelijke bezwaren tegen het vonnis niet langer wenst te handhaven en dat hij het hof verzoekt hem niet-ontvankelijk te verklaren in het hoger beroep. Daarom zal, nu ook overigens niet is gebleken van enig rechtens te respecteren belang dat is gediend met enig nader onderzoek van de zaak, gelet op het bepaalde in artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het door hem ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk worden verklaard.

BESLISSING

Het hof:
Verklaart het door de verdachte ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.W.H.G. Loyson, mr. M.T.C. de Vries en mr. B. de Wilde, in tegenwoordigheid van mr. S.B. Kuvel en mr. I. Peetoom, griffiers, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 27 februari 2026.
Mr. B. de Wilde is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.