Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:1219

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
3 maart 2026
Publicatiedatum
4 mei 2026
Zaaknummer
23-000205-24
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel na vuurwapenbezit en contante aankoop auto

De betrokkene is bij vonnis van de rechtbank Amsterdam veroordeeld voor het voorhanden hebben van een vuurwapen en verplicht tot betaling van €14.431,04 aan wederrechtelijk verkregen voordeel. In hoger beroep heeft het hof het vonnis vernietigd en een nieuwe beslissing genomen.

Het hof baseert de ontnemingsvordering op een kasopstelling over de periode 1 januari 2019 tot 7 juni 2021, waaruit blijkt dat de betrokkene meer contant geld heeft uitgegeven dan verklaard kan worden uit legale inkomsten. Daarnaast is vastgesteld dat de betrokkene de feitelijke eigenaar is van een Volkswagen Polo die contant is aangeschaft voor €13.000,00, terwijl de herkomst van dit geld niet kan worden verklaard door legale middelen.

De totale schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel bedraagt €14.431,04. Gezien de overschrijding van de redelijke termijn in zowel eerste aanleg als hoger beroep, heeft het hof de ontnemingsverplichting met 5% gematigd tot €13.709,00. De betrokkene wordt verplicht dit bedrag aan de Staat te betalen, met een maximale gijzelingstermijn van 137 dagen.

Uitkomst: Betrokkene wordt verplicht tot betaling van €13.709,00 aan de Staat wegens ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 23-000205-24
Datum uitspraak: 3 maart 2026
TEGENSPRAAK (gemachtigde raadsman)
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 25 januari 2024 op de vordering van het openbaar ministerie ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de ontnemingszaak met nummer 13-148686-21 tegen de betrokkene
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1992,
adres: [adres] .

Procesgang

Het openbaar ministerie heeft in eerste aanleg gevorderd dat aan de betrokkene de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat tot een bedrag van € 14.431,04.
De betrokkene is bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 22 september 2021 veroordeeld ter zake van, kort gezegd, het voorhanden hebben van een vuurwapen.
Verder heeft de rechtbank Amsterdam bij vonnis van 25 januari 2024 de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 14.431,04 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
Namens de betrokkene is hoger beroep ingesteld tegen laatstgenoemd vonnis.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
17 februari 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de rechtbank.

Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel

De vordering
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep, aan de hand van haar conclusie van
9 februari 2026, gevorderd dat het wederechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op € 14.431,04.
Het standpunt van de raadsman
De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep het hof primair verzocht de vordering op nihil te stellen. Subsidiair heeft hij verzocht deze te matigen met € 13.000,00. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat de Volkswagen Polo met kenteken [kenteken] op naam staat van de schoonmoeder van de betrokkene, [persoon 1] en dat de auto is aangeschaft met door de schoonouders opgenomen en contant gespaarde legale middelen. De betrokkene heeft ook de gewoonte om zijn geld eerst contant op te nemen en het vervolgens weer terug te storten als het nodig is om via de bank betalingen te verrichten. De raadsman heeft geconcludeerd dat niet kan worden vastgesteld dat de betrokkene een wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten van € 13.000,00.
De betrokkene heeft ten overstaan van de politie op 8 april 2022 verklaard dat hij weliswaar aanwezig was bij de aankoop van de auto waarvan hij weet dat die is betaald met € 13.000,00 in contanten, maar dat deze van zijn schoonmoeder is. Over de herkomst van dat contante geld heeft hij verklaard dat zijn schoonouders goed kunnen sparen en dat hij noch zijn vriendin hebben bijgedragen aan deze aankoop. [1]
De grondslag
De betrokkene is bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 22 september 2021 veroordeeld ter zake van, kort gezegd, het voorhanden hebben van een vuurwapen (categorie III). De betrokkene is veroordeeld wegens een misdrijf dat naar de wettelijke omschrijving wordt bedreigd met en geldboete van de vijfde categorie.
De vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel is gebaseerd op artikel 36e, derde lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Dit artikel houdt onder meer in dat de betrokkene de verplichting kan worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, indien aannemelijk is dat of dat misdrijf of andere strafbare feiten op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Deze bepaling vergt niet dat wordt geconcretiseerd welke andere strafbare feiten er toe hebben geleid dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen, en evenmin wie daarvan de dader was. Een relatie tussen het wederrechtelijk verkregen voordeel en het feit waarvoor is veroordeeld, hoeft niet te worden aangetoond.
Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel
De schatting van het op na te melden geldbedrag gewaardeerde voordeel wordt ontleend aan de inhoud van het Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel kasopstelling (hierna: het rapport) [2] en aan de inhoud van het dossier in de strafzaak. In het rapport is het wederrechtelijk verkregen voordeel berekend aan de hand van een eenvoudige kasopstelling, over de periode 1 januari 2019 tot en met
7 juni 2021.
De eenvoudige kasopstelling betreft een vorm van abstracte voordeel berekening waarmee, kort gezegd, wordt becijferd of iemand meer aan contant geld heeft uitgegeven dan kan worden verklaard aan de hand van zijn legale ontvangsten in contanten. Indien aan de hand van die berekening een surplus wordt vastgesteld waarvoor geen legale herkomst aannemelijk is, kan dat surplus (behoudens aanwijzingen voor het tegendeel) worden aangemerkt als voordeel in de zin van artikel 36e Sr. Het is vervolgens aan de betrokkene om concreet en gemotiveerd en zo mogelijk onderbouwd met stukken, tegenover deze berekening in het rapport aannemelijk te maken dat deze niet juist is.
Uit het rapport en de inhoud van het dossier in de strafzaak kan onder meer het volgende worden afgeleid.
Er is onderzoek verricht naar de bankmutaties van de ING bankrekeningen, in de periode van de eerste maand van de onderzoeksperiode, te weten 1 januari 2019 tot en met 31 januari 2019. Uit de verstrekte bankrekeninggegevens bleek dat op 28 januari 2019 een bedrag van € 60,00 contant werd opgenomen. Op basis hiervan is het legale beginsaldo gesteld op € 60,00. [3]
In de periode 1 januari 2019 tot en met 7 juni 2021 heeft de betrokkene een geldbedrag van in totaal
€ 5.810,00 gestort op de twee bankrekeningen die bij hem in gebruik waren, eindigend op -1667 en
-1926. [4] Van deze rekeningen werd in totaal € 4.918,96 contant opgenomen. Bij de doorzoeking van de woning van betrokkene is € 600,00 cash aangetroffen (12 biljetten van € 50,00). Aldus was beschikbaar voor het doen van uitgaven: € 4.378,96. [5]
In de onderzochte periode waren de contante stortingen door de betrokkene hoger dan het beschikbare legale kasgeld; het verschil tussen het bedrag van € 5.810,00 en € 4.378,96 is € 1.431,04, dat als onverklaarbaar vermogen kan worden aangemerkt.
Uit gegevens van de Belastingdienst en uit financieel onderzoek is gebleken dat betrokkene een klein inkomen ontving van de DWI en dat de af- en bijschrijvingen van de bankrekening nagenoeg gelijk zijn. Er was geen spaargeld aanwezig op de bankrekeningen. Opgemerkt is, dat de contante stortingen hoger waren dan de contante opnamen. [6]
Aangezien niet is gebleken dat de betrokkene een andere legale bron van inkomsten of vermogen had die dit verschil kan verklaren en hij hierover ook geen aannemelijke verklaring heeft afgelegd, is naar het oordeel van het hof voldoende aannemelijk geworden dat het bedrag van € 1.431,04 van enig misdrijf afkomstig is. Aannemelijk is dan ook, dat wederrechtelijk voordeel uit andere strafbare feiten is verkregen.
Bij de berekening in het rapport is verder een geldbedrag van € 13.000,00 meegenomen voor de aankoop op 22 juli 2020 van een Volkswagen Polo met kenteken [kenteken] . Hoewel de Volkswagen Polo op naam stond van de schoonmoeder van de betrokkene, [persoon 1] , blijkt uit de inhoud van het dossier dat de betrokkene aanwezig was bij de aankoop van het voertuig, dat hij de auto veelvuldig gebruikte en dat hij meebetaalde aan de verzekering. De sleutel van de auto werd bij de aanhouding gevonden in de woning van de betrokkene en de auto stond in de buurt geparkeerd. Hij sprak bovendien tegen derden steeds over ‘zijn' auto. [7] Daarnaast kan op grond van het financieel onderzoek naar schoonmoeder
[persoon 1] en de partner van betrokkene, [persoon 2] , de contante aankoop van het voertuig op
22 juli 2020 niet worden verklaard; in de periode voorafgaand aan de aankoop van de auto werden geen grote contante geldbedragen opgenomen van de door deze personen gebruikte bankrekeningen. [8] Verder hebben [persoon 1] en [persoon 2] wisselend en elkaar tegensprekend verklaard [9] over hoe zij aan het contante geld voor de auto zouden zijn gekomen en heeft de betrokkene juist verklaard dat zijn partner niet heeft meebetaald aan de auto. Uit het onderzoek naar de bij de betrokkene in gebruik zijnde bankrekeningen is gebleken dat geen grote contante bedragen zijn opgenomen vanaf deze rekeningen binnen de opgevraagde periode of rondom de aankoop van de Volkswagen Polo op
22 juli 2020. Dat [persoon 3] voor de auto zou hebben betaald is pas in hoger beroep gesteld. Daarvoor is geen enkele onderbouwing gegeven en het hof acht dit, gelet op de eerdere verklaringen, ongeloofwaardig.
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat betrokkene de feitelijke eigenaar is van de auto en dat hij het is geweest die de Volkswagen Polo heeft aangekocht door een contante betaling van € 13.000,00. Het hof acht aannemelijk dat de auto door de betrokkene is betaald met geld waarvan de (legale) herkomst niet kan worden vastgesteld. Het onderzoek heeft uitgewezen dat de betrokkene geen legale bron van inkomsten had die kan verklaren hoe hij over genoemd geldbedrag kon beschikken.
Berekening volgens de kasopstelling in het rapport [10] :
Kasopstelling
Beginsaldo contant geld € 60,00
+/+ Legale contante ontvangsten € 4.918,96
-/- Eindsaldo contant geld € 600,00
= Beschikbaar voor het doen van uitgaven € 4.378,96
-/- Werkelijk contante uitgaven inclusief bankstortingen
• Contante stortingen € 5.810,00
• Aankoop voertuig € 13.000,00
= verschil (wederrechtelijk verkregen voordeel) € 14.431,04.
Voldoende aannemelijk is geworden dat andere strafbare feiten ertoe hebben geleid dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Het hof schat dat voordeel op een totaalbedrag van
€ 14.431,04 (€ 1.431,04 plus € 13.000,00) en rondt het af op € 14.431,00.

Verplichting tot betaling aan de Staat

Redelijke termijn
Het hof heeft acht geslagen op de omstandigheid dat in dit geval de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is overschreden. Uit het dossier blijkt dat de vordering tot ontneming is aangekondigd op 8 september 2021. Het ontnemingsvonnis dateert van 25 januari 2024. In eerste aanleg is daarmee de redelijke termijn overschreden met 4,5 maanden. Op 26 januari 2024 is hoger beroep ingesteld en het hof doet uitspraak op 3 maart 2026. Dat betekent dat in hoger beroep de redelijke termijn is overschreden met 5 weken. Het hof ziet in deze overschrijding aanleiding om de verplichting tot betaling aan de Staat te matigen met 5 procent.
Aan de betrokkene dient, ter ontneming van het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel, de verplichting te worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van (€ 14.431,00 minus
5 procent is) € 13.709,45, afgerond op € 13.709,00.

Toepasselijk wettelijk voorschrift

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van
€ 14.431,00 (veertienduizend vierhonderd eenendertig euro).
Legt de betrokkene de verplichting op tot
betaling aan de Staatter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van
€ 13.709,00 (dertienduizend zevenhonderdnegen euro).
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 137 dagen.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. P. Greve, mr. A.P.M. van Rijn en mr. B.E. Dijkers, in tegenwoordigheid van
mr. A. Scheffens, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
3 maart 2026.

Voetnoten

1.Proces-verbaal van verhoor verdachte van 8 april 2022, opgesteld door de daartoe bevoegde verbalisant, dossierpagina’s D 9 tot en met 13.
2.het Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel kasopstelling van 13 juli 2022, inclusief bijlagen, opgesteld door [verbalisant] , dossierpagina A 1 tot en met A 16.
3.het rapport, dossierpagina A 13.
4.het rapport, dossierpagina A 7.
5.het rapport, dossierpagina’s A 13 en 14 en proces-verbaal van bevindingen van 18 maart 2021, opgemaakt door de daartoe bevoegde verbalisant, dossierpagina’s B 63 tot en met 65 en proces-verbaal van bevindingen van 4 oktober 2021, opgemaakt door de daartoe bevoegde verbalisant, dossierpagina’s B 85 en 86.
6.het rapport, dossierpagina’s A 6 en 7.
7.het rapport, dossierpagina A 5 en 6 en dossierpagina’s B 19 e.v., B 22 e.v., B 25 e.v. en B 30 e.v.
8.het rapport, dossierpagina’s A 7 tot en met 10 en proces-verbaal van bevindingen van 1 september 2021, opgemaakt door de daartoe bevoegde verbalisant, dossierpagina’s B 126 tot en met 128.
9.het rapport, dossierpagina’s A 10 tot en met 12.
10.het rapport, dossierpagina A 13.