Het gerechtshof Amsterdam heeft in hoger beroep het vonnis van de politierechter vernietigd en een nieuwe beslissing genomen over de ontnemingsvordering tegen betrokkene. Betrokkene was eerder veroordeeld voor het aanwezig hebben van een grote hoeveelheid hennepplanten en het ter beschikking stellen van zijn woning voor hennepkwekerij.
De politierechter had het wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op €45.000 en een ontnemingsbedrag van €40.000 opgelegd. Het hof stelde het voordeel vast op €20.000, gebaseerd op twee oogsten met een vergoeding van €10.000 per oogst, zoals betrokkene zelf had verklaard. De latere ontkenning van betaling achtte het hof niet geloofwaardig.
Het hof oordeelde dat betrokkene medeplichtig was aan hennepteelt door het ter beschikking stellen van zijn woning en dat er voldoende aanwijzingen waren voor eerdere oogsten. De ontnemingsperiode liep van 10 september 2020 tot 3 maart 2021, waarbij de kwekerij op het moment van aantreffen acht weken oud was. Het hof legde de verplichting op tot betaling van €20.000 aan de Staat en bepaalde een maximale gijzelingstermijn van 200 dagen.
De beslissing is gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht en het ontnemingsrapport van 27 januari 2022, alsmede de verklaringen en proces-verbaal van de hennepkwekerij.