Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:1202

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
30 april 2026
Publicatiedatum
4 mei 2026
Zaaknummer
23-001734-23
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 OpiumwetArt. 11 OpiumwetArt. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak witwassen, bewezenverklaring medeplegen woninginbraak, hennepkwekerij en diefstal elektriciteit

In hoger beroep heeft het gerechtshof Amsterdam het vonnis van de rechtbank Amsterdam vernietigd en een nieuwe beslissing genomen. De verdachte werd vrijgesproken van het witwassen van hennep, omdat onvoldoende bewijs bestond dat hij de hennep in bezit had of witwashandelingen verrichtte.

Het hof achtte bewezen dat de verdachte samen met een ander een woninginbraak pleegde waarbij sieraden, een telefoon, een tas en contant geld werden weggenomen. Ook werd bewezen verklaard dat hij opzettelijk 543 hennepplanten teelde in een woning die hij huurde en dat hij elektriciteit stal via een illegale aansluiting ten behoeve van de hennepkwekerij.

De verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 277 dagen, waarvan 150 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, en een taakstraf van 80 uur. Het hof hield rekening met recidive, de ernst van de feiten en de overschrijding van de redelijke termijn, wat leidde tot strafvermindering.

Daarnaast werd een schadevergoeding van €1.942,59 toegewezen aan Liander N.V. voor de materiële schade door de diefstal van elektriciteit. De overige schadevorderingen werden afgewezen wegens onevenredige belasting van het strafgeding en moeten bij de burgerlijke rechter worden ingediend.

Ten slotte werd de tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf vervangen door een taakstraf van 160 uur. Het hof beval ook de bewaring van inbeslaggenomen goederen ten behoeve van de rechthebbende.

Uitkomst: Verdachte vrijgesproken van witwassen, veroordeeld voor woninginbraak, hennepteelt en stroomdiefstal met deels voorwaardelijke gevangenisstraf en taakstraf, en toegewezen schadevergoeding aan Liander N.V.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001734-23 (strafzaak)
datum uitspraak: 30 april 2026
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 6 juni 2023 in gevoegde strafzaken onder de parketnummers 13-000246-23 (zaak A), 13-011801-20 (zaak B), alsmede 13-205859-21 (TUL) tegen:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1990,
adres: [adres 1] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 16 april 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsvrouw naar voren hebben gebracht.

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De verdachte is bij voormeld vonnis partieel vrijgesproken van het onder zaak A feit 2 tenlastegelegde voor zover het betreft het eerste tot en met het zesde gedachtestreepje (te weten het witwassen van een contant geldbedrag van 1310 euro, een contant geldbedrag van 6000 euro, schoenen van het merk Adidas (model Yeezy), schoenen van het merk Louboutin, schoenen van het merk Gucci en jassen van het merk Moncler). Het hoger beroep is namens de verdachte onbeperkt ingesteld en dus ook gericht tegen deze in eerste aanleg gegeven beslissingen tot (partiële) vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: ‘Sv’) staat voor de verdachte tegen deze beslissingen geen hoger beroep open. Hij zal in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn hoger beroep.

Tenlasteleggingen

Aan de verdachte is, voor zover in hoger beroep aan de orde, tenlastegelegd dat:
Zaak A:
1.
Hij op of omstreeks 11 december 2022, te Amstelveen, in elk geval in Nederland, omstreeks 4:00 uur, in elk geval gedurende de voor de nachtrust bestemden tijd, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wedderrechtelijke toeëigening in/uit een woning (gelegen aan de [adres 2] ) heeft weggenomen diverse sieraden (waaronder: 2 armbanden van het merk Pandora en/of een armband van het merk Swarovski en/of een ketting van het merk Swarovski) en/of een telefoon van het merk Apple, model iPhoneX kleur wit, een (designer)tas van het merk Fendi en/of een biljet van 100 euro en/of een biljet van 50 Engelse pond, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [slachtoffer] , terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak/verbreking en/of inklimming;
2.
Hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2022 tot en met 30 december 2022, te Amstelveen, in elk geval Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft/hebben verdachte en zijn/haar mededader(s), van één of meerdere voorwerpen, te weten
- ongeveer 667 gram, in elk geval een hoeveelheid hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
- de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld en/of
- verborgen en/of verhuld, wie de rechthebbende op dit voorwerp c.q. deze voorwerpen is/zijn en/of
- dit voorwerp c.q. deze voorwerpen verworven en/of voorhanden gehad en/of heeft overgedragen en/of heeft omgezet en/of daarvan gebruik heeft gemaakt,
terwijl hij en of zijn mededader(s) wist(en) dan wel redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat dit voorwerp c.q. die voorwerpen, onmiddellijk of middellijk, afkomstig was/waren uit enig (eigen) misdrijf;
Zaak B
1.
hij, op of omstreeks 3 december 2019 te Uithoorn, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld, bereid, bewerkt, verwerkt, verkocht, afgeleverd, verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, (in een pand aan het [adres 3] ) een grote hoeveelheid als bedoeld in artikel 11 lid 5 van Pro de Opiumwet, te weten 543 hennepplanten, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,
2.
hij, op of omstreeks 3 december 2019 te Uithoorn, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (uit een pand aan het [adres 3] ) een hoeveelheid elektriciteit, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan Liander N.V., in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die weg te nemen hoeveelheid elektriciteit onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of een valse sleutel (te weten een gemaakte extra en/of illegale aansluiting voor elektriciteit buiten de elektriciteitsmeter om).
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Vrijspraak zaak A feit 2

Met de advocaat-generaal en de raadsvrouw is het hof van oordeel dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het in zaak A onder 2 tenlastegelegde feit. Het hof overweegt daartoe als volgt.
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat de kast waarin de hennep is aangetroffen van zijn tweelingbroer is en dat hij niet wist dat er hennep in die kast lag. Het dossier biedt onvoldoende handvatten om deze verklaring voor onjuist te houden, zodat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte de hennep voorhanden heeft gehad of daarmee (andere) witwashandelingen heeft verricht.

Bewijsoverweging

Zaak A (feit 1)
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van de tenlastegelegde woninginbraak. Daartoe heeft zij aangevoerd dat de verdachte heeft verklaard dat hij met een ander in de woning is geweest, maar dat hij de woning heeft verlaten toen hij beneden in de gang een camera zag en dat hij niet betrokken is bij de uiteindelijke diefstal. Op de beschikbare camerabeelden is niet te zien dat de verdachte de trap op is gelopen. Volgens de raadsvrouw kan daarom niet worden vastgesteld dat de verdachte betrokken is geweest bij de voltooide diefstal op de hogere etages. Bij de verdachte zou enkel sprake zijn geweest van een poging, maar dat is niet ten laste gelegd, aldus de raadsvrouw.
Het hof overweegt als volgt.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte samen met een ander ’s nachts via een keukenraam de woning van de aangeefster is binnengeklommen om te stelen en dat er vervolgens goederen uit de woning zijn weggenomen. Het hof acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan deze diefstal in vereniging. De verklaring van de verdachte dat hij de woning onmiddellijk heeft verlaten en niet boven is geweest acht het hof niet geloofwaardig en het hof stelt die lezing van de feiten dan ook terzijde. Daarbij neemt het hof niet alleen in aanmerking dat de verdachte wisselend heeft verklaard en dat de beelden op dit punt geen uitsluitsel bieden. Uit de aangifte volgt dat er op de bovenverdieping een kluis, die zowel aan de muur als aan de grond was bevestigd, tot verbazing van de aangever is losgetrokken en in zijn geheel was meegenomen, hetgeen erop wijst dat meer dan één persoon boven is geweest.
Het hof merkt ten overvloede op dat ook indien uitgegaan zou worden van de verklaring van de verdachte dat hij daar niet naar boven zou zijn gegaan, het feit bewezen kan worden. Er is sprake van een nauwe en bewuste samenwerking, die in de kern bestaat uit een gezamenlijk plan en een gezamenlijke uitvoering door de woning via een keukenraam binnen te gaan met als gezamenlijk doel goederen van hun gading weg te nemen, hetgeen ook is gebeurd. Er is dan ook sprake van handelen in vereniging en niet van situaties in de juridische sleutel van een poging. Daarbij is niet relevant wie van de twee betrokkenen de wegnemingshandelingen heeft verricht.
Zaak B
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat niet buiten gerede twijfel kan worden vastgesteld dat de hennepkwekerij van de verdachte was. De verdachte heeft verklaard dat hij zijn woning verhuurde en rond mei 2019 constateerde dat zich in die woning een hennepplantage bevond. Na dit bezoek heeft de huurder het slot van de woning veranderd. Begin november is hij weer naar de woning gegaan. Hem werd verteld dat de woning tot het eind van het jaar nodig was om de oogst te voltooien. Hij heeft toen de sleutel gekregen en heeft de planten onderhouden door een slang in twee bakken te doen. De verdachte had daarbij geen toegang tot de planten, maar enkel tot de keuken. De raadsvrouw concludeert dat geen sprake is van (mede)plegen en refereert zich aan het oordeel van het hof ten aanzien van de medeplichtigheid. De opmerkingen van de raadsvrouw ten aanzien van de plantage hebben ook betrekking op de onder 2 tenlastegelegde diefstal van stroom, terwijl de enkele omstandigheid dat de plantage in de woning was, onvoldoende is om te komen tot medeplichtigheid van deze diefstal, aldus de raadsvrouw.
Het hof overweegt als volgt.
Feit 1
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte hennep heeft geteeld. De verdachte was de huurder van de woning waar de hennepkwekerij is aangetroffen. Hij had de sleutel van de woning en is meerdere malen geobserveerd terwijl hij de woning in en uit ging. De verdachte heeft bovendien verklaard dat hij de planten water heeft gegeven en van voeding heeft voorzien.
Het door de verdachte geschetste alternatieve scenario - inhoudende dat hij de woning onderverhuurd heeft aan een derde, en dat hij onder druk is gezet en daarom de planten water heeft gegeven totdat de hennepkwekerij zou worden opgeruimd acht het hof ongeloofwaardig. Het hof stelt deze lezing terzijde. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de verdachte niet beschikt over een (onder)huurcontract, dat hij in het bezit was van een huissleutel en dat hij op verschillende momenten is geobserveerd terwijl hij de woning in en uit ging. Bovendien heeft de verdachte het bestaan van een onderhuurder op geen enkele wijze geconcretiseerd, laat staan verifieerbaar gemaakt.
Ten aanzien van het tenlastegelegde medeplegen overweegt het hof dat het enkele feit dat er meerdere personen zijn gesignaleerd bij de woning van de verdachte en het feit dat de verdachte samen met een ander is aangehouden toen hij de hennepkwekerij verliet, niet zonder meer het oordeel rechtvaardigt dat reeds daarom sprake is van medeplegen. Dit te meer niet, nu uit het dossier niets blijkt van een eventuele intellectuele en/of materiele bijdrage van die andere personen en er ook niets blijkt over een (eventuele) rolverdeling tussen hen. Het hof zal de verdachte daarom partieel vrijspreken van het bestanddeel ‘medeplegen’.
Feit 2
De fraudespecialist van Liander N.V. heeft waargenomen dat de zegels van de hoofdaansluitkast en de daarnaast gemonteerde railkast waren verbroken en los teruggeplaatst. Aan de bovenzijde van de zekeringhouders was een illegale elektriciteitsaansluiting gemaakt die buiten de elektriciteitsmeter om liep naar de hennepkwekerij en deze voorzag van elektriciteit. Zoals hiervoor overwogen was de verdachte de huurder van de woning en teelde hij in deze woning hennep. Het elektriciteitscontract behorende bij de aansluiting in deze woning stond op zijn naam terwijl de verdachte ter zitting in eerste aanleg heeft verklaard dat hij de elektra heeft gezien en dat hij wist dat er iets niet klopte. Uit deze feiten en omstandigheden, in samenhang bezien, volgt naar het oordeel van het hof dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de diefstal van de elektriciteit ten behoeve van zijn hennepteelt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak A onder 1 en in de zaak B onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
Zaak A:
1.
hij op 11 december 2022, te Amstelveen, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wedderrechtelijke toe-eigening uit een woning (gelegen aan de [adres 2] ) heeft weggenomen diverse sieraden (waaronder: 2 armbanden van het merk Pandora en een armband van het merk Swarovski en een ketting van het merk Swarovski) en een telefoon van het merk Apple, model iPhone X kleur wit, een (designer)tas van het merk Fendi en 100 euro en 50 Engelse pond, die aan een ander dan aan verdachte en zijn mededader toebehoorden, te weten aan [slachtoffer] , terwijl verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en die weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van inklimming;
Zaak B:
1.
hij op 3 december 2019 te Uithoorn, opzettelijk heeft geteeld (in een pand aan het [adres 3] ) 543 hennepplanten;
2.
hij op 3 december 2019 te Uithoorn, (in een pand aan het [adres 3] ) een hoeveelheid elektriciteit die aan Liander N.V., toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen., die weg te nemen hoeveelheid elektriciteit onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking (te weten een gemaakte extra en illegale aansluiting voor elektriciteit buiten de elektriciteitsmeter om).
Hetgeen in de zaak A onder 1 en in de zaak B onder 1 en 2 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het in de zaak A onder 1 en in de zaak B onder 1 en 2 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het in de zaak A onder 1 bewezenverklaarde levert op:
diefstal in een woning door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van inklimming.
Het in de zaak B onder 1 bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod.
Het in de zaak B onder 2 bewezenverklaarde levert op:
diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het in de zaak A onder 1 en in de zaak B onder 1 en 2 bewezenverklaarde uitsluit.

Oplegging van straffen

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor de in hoger beroep aan de orde zijnde tenlastegelegde feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van zeven maanden met aftrek van voorarrest, waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan een woninginbraak waarbij geld en sieraden (horloges) zijn gestolen. Door zo te handelen hebben de verdachte en zijn medeverdachte niet alleen schade veroorzaakt, maar hebben zij tevens een forse inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de bewoonster. Naast materiële schade en hinder voor slachtoffers veroorzaken woninginbraken ook maatschappelijke onrust en brengen woninginbraken bij veel mensen een groot gevoel van onveiligheid teweeg. Het is voor slachtoffers onaangenaam te moeten leven met de wetenschap dat vreemden in de woning zijn geweest en persoonlijke en dierbare bezittingen hebben doorzocht en weggenomen. De verdachte heeft laten zien geen respect te hebben voor het eigendomsrecht van anderen en er niet voor terug te deinzen om daar met het oog op eigen gewin inbreuk op te maken.
Daarnaast heeft de verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het telen van een grote hoeveelheid hennepplanten. Het gebruik van hennep kan schadelijke gevolgen meebrengen voor de gezondheid van gebruikers. Bovendien leidt de teelt van hennep veelal tot negatieve maatschappelijke effecten, overlast voor buurtbewoners en gaat deze niet zelden gepaard met andere vormen van criminaliteit. Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan diefstal van stroom ten behoeve van de hennepkwekerij, waardoor het energiebedrijf financiële schade heeft geleden. Tevens kan het illegaal aftappen van stroom leiden tot brandgevaarlijke situaties voor omwonenden.
Het hof heeft bij de strafoplegging acht geslagen op de straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd. Daarbij is rekening gehouden met de Oriëntatiepunten voor Straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Het oriëntatiepunt voor insluiping in een woning is, indien er sprake is van recidive, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden. Voor het telen van 543 hennepplanten is het oriëntatiepunt een taakstraf van 180 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden. De diefstal van elektriciteit geldt daarbij als strafverzwarende omstandigheid.
Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 31 maart 2026 is hij eerder ter zake van woninginbraak onherroepelijk veroordeeld, zodat het oriëntatiepunt van woninginbraak met recidive van toepassing is.
Gelet op de ernst van de feiten alsmede de omstandigheden waaronder deze zijn gepleegd, acht het hof in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats. Gelet op het tijdsverloop sinds de bewezenverklaarde feiten acht het hof het echter niet noodzakelijk dat de verdachte terug gaat naar de gevangenis. Het hof komt tot het oordeel dat een gevangenisstraf van 277 dagen met aftrek, waarvan 150 dagen voorwaardelijk, met proeftijd van twee jaren en een taakstraf van 100 uren passend is. Met oplegging van deze (gedeeltelijk) voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.
Het hof stelt echter vast dat er sprake is van een schending van het recht van de verdachte op berechting binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro.
Die redelijke termijn heeft – in de zaak die ziet op overtreding van de Opiumwet – een aanvang genomen op 4 december 2019, toen de verdachte in verzekering werd gesteld. De behandeling van zijn zaak in eerste aanleg is eerst op 6 juni 2023 – en aldus niet binnen twee jaar – met een eindvonnis afgerond, waarmee de redelijke termijn is overschreden met een jaar en zes maanden. Ook in hoger beroep is de redelijke termijn overschreden, en wel met ruim tien maanden. Er zijn geen bijzondere omstandigheden aan te wijzen die de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg en hoger beroep rechtvaardigen. Het hof is van oordeel dat dit tot strafvermindering moet leiden, in die zin dat er twintig uur van de taakstraf wordt afgetrokken. Dat betekent dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf van 277 dagen met aftrek, waarvan 150 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, en een taakstraf van 80 uren.
Het hof acht, alles afwegende, dus een deels voorwaardelijke gevangenisstraf in combinatie met een taakstraf van na te melden duur passend en geboden.

Beslag

Onder de verdachte zijn de volgende goederen in beslag genomen:
Zaak A
2. 2 STK Schroevendraaier (goednummer: 6281901)
3. 12 STK Schroef (goednummer: 6281905)
4. 1 STK Schroevendraaier (goednummer: 6281910)
5. 1 STK Lamp (goednummer: 6281923)
6. 1 STK Chemicaliën (goednummer: 6281926)
7. 1 STK Gereedschap (goednummer: 6281936)
8. 1 STK Gereedschap (goednummer: 6281939)
9. 1 STK Slotentrekker (goednummer: 6281941)
10. 1 STK Sleutel (goednummer: 6281943)
11. 1 STK Tas (goednummer: 6281945)
12. 1 STK Telefoontoestel (goednummer: 6281947)
13. 1 STK Jas (goednummer: 6281994)
14. 1 STK Hennep (goednummer: 6281931)
Zaak B
1. STK Personenauto [kenteken] (goednummer: 5359516).
Ter terechtzitting is gebleken dat het in zaak A onder 1 inbeslaggenomen geld, een bedrag van 6.000,00 euro (goednummer: 6281903) is teruggegeven aan de rechthebbende, zodat het hof hier geen beslissing op hoeft te nemen.
Het hof is van oordeel dat de in zaak A onder 2 tot en met 14 en de in zaak B onder 1 inbeslaggenomen en niet teruggegeven goederen dienen te worden bewaard ten behoeve van de rechthebbende. Het gaat hier om de te nemen beslissingen over voorwerpen die op grond van artikel 94 Sv Pro in beslag zijn genomen. Bij de auto merkt het hof op dat (in ieder geval) daarop ook nog conservatoir beslag rust in de zin van artikel 94a Sv, voor het veiligstellen van het recht van verhaal ingeval een ontnemingsmaatregel wordt opgelegd.

Vordering van de benadeelde partij Liander N.V.

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 30.584,12. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 1.942,59. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering. Subsidiair heeft de verdediging bepleit dat de schade voor slechts één dag dient te worden toegewezen, overeenkomstig de rechtbank. Daarnaast dient de vordering ten aanzien van de administratiekosten te worden gematigd, en dient de benadeelde partij ten aanzien van de gevorderde netmeting niet-ontvankelijk te worden verklaard.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in de zaak B onder 2 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Het hof overweegt daartoe dat uit de factuur, zoals aangehecht aan het schadevergoedingsformulier, in samenhang met het dossier, voldoende is gebleken welke kosten gemaakt zijn voor het uit te voeren onderzoek naar het in zaak B onder 2 bewezen verklaarde feit. De hoogte van de hierbij gemaakte administratiekosten komt het hof, anders dan door de raadsvrouw betoogd, niet excessief of kennelijk ongegrond of onrechtmatig voor.
Met betrekking tot de gevorderde kosten voor de netmeting overweegt het hof dat op grond van artikel 6:96 tweede Pro lid onder b van het Burgerlijk Wetboek (BW), als vermogensschade voor vergoeding in aanmerking komen redelijke kosten ter voorkoming of beperking van schade die als gevolg van de gebeurtenis waarop de schade berust mocht worden verwacht, dan wel redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid. Het hof stelt vast dat het hier om kosten in deze categorie gaat. De vordering komt het hof in zoverre niet kennelijk ongegrond of onrechtmatig voor. Gelet hierop zal het hof ook de gevorderde kosten voor de netmeting toewijzen. Anders dan de raadsvrouw heeft gesuggereerd, volgt uit het dossier niet dat deze kosten in deze zaak zijn gemaakt ten behoeve van de politie, zoals bijvoorbeeld wel eens bij aanvang van een onderzoek gebeurt.
Voor het overige sluit het hof zich aan bij de overwegingen van de rechtbank met betrekking tot de vordering benadeelde partij, en maakt deze als volgt tot de zijne.
Uit de bijgevoegde factuur volgt dat de gevorderde schade is berekend vanaf 2016 tot en met 3 december 2019. Bewezen is de diefstal van elektriciteit op één dag, te weten 3 december 2019. Dit houdt in dat de gevorderde kosten die bestaan uit de weggenomen elektriciteit over 2019 slechts ten aanzien van één dag voor vergoeding in aanmerking komen. De overige eenmalig gemaakte kosten komen wel in het geheel voor vergoeding in aanmerking.
Variabele kosten:
Transport vergoeding 3x35a 2019, prijs per eenheid (dag): € ` 1,94
Transport vergoeding 3x25a 2019, prijs per eenheid (dag): € 0,38
Totaal € 1,56
Ongeregistreerd verbruik elektriciteit 2019: € 9.409,71 : 336 (dagen) = € 28,00
Eenmalig gemaakte kosten
Planning en vooronderzoek € 67,90
Opmaken dossier op werkdagen € 191,90
Onderzoek meetinrichting € 360,00
Uit- en inbedrijfstelling <.=3x80A inpandig € 200,00
Uitvoeren netmeting € 274,90
Verlichten aansluiting 3f € 116,53
Afhandelingskosten € 101,80
Administratiekosten € 480,00 + _____________________________________________________
Totaal € 1.913,03
€ 1,56 + € 28,00 + € 1.913,03 = € 1.942,59
Het hof concludeert dat de vordering tot een bedrag van € 1.942,59 kan worden toegewezen.
Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kan de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel
Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

Vordering tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 9 augustus 2022 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden (parketnummer: 13-205859-21). Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.
Gebleken is dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Daarom kan de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast.
Het hof zal in plaats van een last tot tenuitvoerlegging van deze vrijheidsstraf een taakstraf van hierna te melden duur gelasten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 47, 57, 63 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het in de zaak A onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak A onder 1 en in de zaak B onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het in de zaak A onder 1 en in de zaak B onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
277 (tweehonderdzevenenzeventig) dagen.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot
150 (honderdvijftig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
80 (tachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
40 (veertig) dagen hechtenis.
Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbendevan de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
Zaak A
2. 2 STK Schroevendraaier (goednummer: 6281901)
3. 12 STK Schroef (goednummer: 6281905)
4. 1 STK Schroevendraaier (goednummer: 6281910)
5. 1 STK Lamp (goednummer: 6281923)
6. 1 STK Chemicaliën (goednummer: 6281926)
7. 1 STK Gereedschap (goednummer: 6281936)
8. 1 STK Gereedschap (goednummer: 6281939)
9. 1 STK Slotentrekker (goednummer: 6281941)
10. 1 STK Sleutel (goednummer: 6281943)
11. 1 STK Tas (goednummer: 6281945)
12. 1 STK Telefoontoestel (goednummer: 6281947)
13. 1 STK Jas (goednummer: 6281994)
14. 1 STK Hennep (goednummer: 6281931)
Zaak B
1. STK Personenauto [kenteken] (goednummer: 5359516).
Vordering van de benadeelde partij Liander N.V.
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij Liander N.V. ter zake van het in de zaak B onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 1.942,59
(duizend negenhonderdtweeënveertig euro en negenenvijftig cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd Liander N.V., ter zake van het in de zaak B onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van
€ 1.942,59 (duizend negenhonderdtweeënveertig euro en negenenvijftig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 19 (negentien) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 3 december 2019.
Gelast in plaats van het bevelen van de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 9 augustus 2022 met parketnummer 13-205859-21, voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van twee maanden, een
taakstrafvoor de duur van
160 (honderdzestig) uren, bij gebreke van het naar behoren verrichten te vervangen door
60 (zestig) dagen hechtenis.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. B.A.A. Postma, mr. N.E. Kwak en mr. A.C. Huisman, in tegenwoordigheid van mr. J.M. Pattinama, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 30 april 2026.
De jongste raadsheer is buiten staat dit arrest mede te tekenen.
=========================================================================
[…]