Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.[belanghebbende 1] ,
[belanghebbende 2],
[belanghebbende 3],
4.[belanghebbende 4]
[belanghebbende 5]
1.De zaak in het kort
2.Het geding in hoger beroep
3.Feiten
4.Eerste aanleg
5.Beoordeling
grief 1voert het OM aan dat de rechtbank in rov 5.11 en 5.20 van de bestreden beschikking ten onrechte heeft overwogen dat [verweerster] voldoende heeft ontzenuwd dat de werkzaamheid van [verweerster] in strijd is met de openbare orde.
Grief 2bevat, in het verlengde daarvan, de klacht dat de overweging van de rechtbank in rov. 5.22 dat het risico op het aanwenden van de verkoopopbrengst voor de financiering van criminele activiteiten de verbodenverklaring van [verweerster] niet dringend noodzakelijk maakt, onterecht is. Deze grieven lenen zich voor gezamenlijke bespreking. Het hof merkt in dit verband op dat de rechtbank materieel van dezelfde toets is uitgegaan als hiervoor verwoord in 5.13 en dat daartegen op zichzelf in hoger beroep niet is opgekomen. Het tegenbewijs komt in dit geval dus neer op bewijs van het tegendeel. Het hof zal daarom in het vervolg niet spreken van het ontzenuwen van het vermoeden maar van het weerleggen daarvan.