ECLI:NL:GHAMS:2026:115

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
13 januari 2026
Publicatiedatum
16 januari 2026
Zaaknummer
23-000543-23
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging vonnis en veroordeling ter zake van medeplegen diefstal van telefoons met schending van de redelijke termijn

In deze zaak heeft het gerechtshof Amsterdam op 13 januari 2026 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam. De verdachte, geboren in Algerije en thans zonder vaste woon- of verblijfplaats, was eerder veroordeeld voor soortgelijke feiten en heeft hoger beroep ingesteld tegen een vonnis van 3 februari 2023. Het hof heeft de zaak behandeld op 16 december 2025 en 13 januari 2026. De verdachte werd beschuldigd van het medeplegen van diefstal van telefoons, gepleegd op 31 januari 2023 in Amsterdam. De verdediging heeft vrijspraak bepleit, maar het hof heeft de verweren verworpen. Het hof oordeelde dat er sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en zijn medeverdachten, wat leidde tot de conclusie dat de verdachte zich schuldig had gemaakt aan zakkenrollerij. Het hof heeft het vonnis van de politierechter vernietigd en de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 11 weken, rekening houdend met de overschrijding van de redelijke termijn. De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 57 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000543-23
datum uitspraak: 13 januari 2026
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 3 februari 2023 in de strafzaak onder parketnummer 13-032663-23 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] (Algerije) op [geboortedag] 1996,
thans zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 16 december 2025 en 13 januari 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsvrouw naar voren heeft gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 31 januari 2023 te Amsterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, één (of meerdere) telefoon(s), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 1] en / of [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd vanwege proceseconomische redenen.

Overwegingen met betrekking tot het bewijs

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit. Daartoe heeft zij het volgende aangevoerd. Ten aanzien van de diefstal van de telefoon van aangever [slachtoffer 2] kan de verdachte niet als medepleger worden aangemerkt, omdat op basis van het dossier niet kan worden bewezen dat tussen de verdachten sprake was van een nauwe of bewuste samenwerking of dat de bijdrage van de verdachte aan de diefstal van voldoende gewicht was. Ten aanzien van de tenlastegelegde diefstal van de telefoon van aangeefster [slachtoffer 1] blijkt uit het dossier onvoldoende dat de verdachte de intentie had om aangeefster te bestelen. Subsidiair heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat sprake is van vrijwillige terugtred.
Het hof verwerpt de verweren en overweegt daartoe als volgt.
Uit het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten de [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] , [naam 4] en [naam 5] van 1 februari 2023 blijkt dat de verdachte en zijn medeverdachten op 31 januari 2023 door camera’s van cameratoezicht en door verbalisanten ter plaatse geruime tijd werden gevolgd. In die periode is waargenomen dat de verdachte (aangeduid als ‘’muts’’) en de medeverdachten (aangeduid als ‘’rood en zwarte jas’’) opvallend veel interesse hadden in tassen van voorbijgangers en dat zij alledrie handelingen verrichtten die zakkenrollers verrichten. De verdachten maakten op verschillende plekken en in diverse (horeca)gelegenheden gebruik van een vaste werkwijze die onder meer inhield dat de verdachten erg amicaal met hun slachtoffers probeerden te doen en dat zij steeds dicht op hen gingen staan of lopen.
De gezamenlijke aanwezigheid van de verdachten droeg bij aan hun rol, omdat dit het beeld schetst van drie vrienden die samen op pad zijn. In werkelijkheid scanden zij de ruimte op aanwezigheid van mogelijke slachtoffers, benaderden zij de diverse slachtoffers gezamenlijk en stelden zich vervolgens dicht op in hun nabijheid, waarbij een duidelijke rolverdeling werd gevolgd. In de rolverdeling verrichtte één van hen vervolgens de daadwerkelijke wegnemingshandeling, terwijl de ander aandachtig (rond)keek en/of de omgeving in de gaten hield of een persoon afleidde. Hierbij waren zij ook in gesprek met elkaar en verlieten zij steeds samen de plek of (horeca)gelegenheid. Ook in het geval van aangever [slachtoffer 2] hebben de verdachte en de medeverdachten de aangever gezamenlijk benaderd, heeft één van hen de wegnemingshandeling verricht terwijl de ander(en) hem afleidde(n) en hebben zij samen de plek weer verlaten. Het hof is daarom van oordeel dat de gedragingen van de verdachte en zijn medeverdachten naar hun uiterlijke verschijningsvorm wijzen op een nauwe en bewuste samenwerking bij de uitvoering van een vooropgezet plan om te proberen goederen van anderen weg te nemen.
Voor zover de raadsvrouw heeft betoogd dat in het geval van aangeefster [slachtoffer 1] sprake was van vrijwillige terugtred door de telefoon terug te geven, is het hof van oordeel dat na wegneming van de telefoon al sprake was van een voltooide diefstal, zodat geen sprake is geweest van vrijwillige terugtred, terwijl zelfs het weer in bezit krijgen ervan niet het gevolg was van een omstandigheid van de wil van de verdachte afhankelijk, als bedoeld in artikel 46b van het Wetboek van Strafrecht.
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte zich op 31 januari 2023 samen met anderen meermalen schuldig heeft gemaakt aan zakkenrollerij.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 31 januari 2023 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, telefoons, die aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededaders toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om deze zich wederrechtelijk toe te eigenen.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezenverklaarde levert op:
diefstal door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit.

Oplegging van straf

De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 13 weken met aftrek van het voorarrest.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 82 dagen met aftrek van het voorarrest.
De raadsvrouw heeft het hof verzocht om in het kader van de strafoplegging rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich samen met zijn medeverdachten in het centrum van Amsterdam tweemaal schuldig gemaakt aan zakkenrollerij. Dit is een misdrijf dat bij de benadeelden hinder, schade en gevoelens van onrust en onveiligheid veroorzaakt. De verdachte heeft er blijk van gegeven geen respect te hebben voor andermans eigendom. Het hof rekent dit de verdachte aan.
Het hof heeft gelet op het strafblad van de verdachte van 2 december 2025, waaruit blijkt dat hij eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Dit heeft hem er kennelijk niet van weerhouden zich opnieuw aan dit soort feiten schuldig te maken, wat in het nadeel van de verdachte wordt meegenomen.
Bij de hoogte van de op te leggen straf heeft het hof aansluiting gezocht bij de oriëntatiepunten voor straftoemeting, opgesteld door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Op recidive van zakkenrollerij vermelden deze oriëntatiepunten per voltooid delict een gevangenisstraf van 2 maanden onvoorwaardelijk, waarbij medeplegen een strafverzwarende omstandigheid vormt. Het hof is dan ook van oordeel dat niet kan worden volstaan met een andere straf dan een gevangenisstraf.
Gelet op voornoemd oriëntatiepunt, de recidive en de bewezenverklaring (van het medeplegen) van twee diefstallen acht het hof een gevangenisstraf van 13 weken in beginsel passend. Het hof heeft echter rekening te houden met de omstandigheid dat in hoger beroep de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM is overschreden. Namens de verdachte is op 17 februari 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 13 januari 2026 – bijna 3 jaar later – arrest. Als uitgangspunt heeft in deze zaak, waarin de verdachte in verband met het bewezenverklaarde feit in voorlopige hechtenis verkeerde, te gelden dat de behandeling ter terechtzitting diende te zijn afgerond met een eindvonnis binnen 16 maanden nadat de redelijke termijn is aangevangen. De redelijke termijn is daardoor met een jaar en 8 maanden overschreden. Het hof zal deze overschrijding van de redelijke termijn verdisconteren in de strafmaat in die zin dat voornoemde gevangenisstraf zal worden gematigd.
Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van 11 weken passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 57 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
11 (elf) weken.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R.A.E. van Noort, mr. M.J.A. Duker en mr. J. Boksem en, in tegenwoordigheid van mr. S.S.I. Jackson, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 13 januari 2026.
Mr. J. Boksem is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
[......]