Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:1121

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
28 april 2026
Publicatiedatum
28 april 2026
Zaaknummer
200.360.040/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 424 RvArt. 1:402a BWParticipatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep kinderalimentatie na verwijzing Hoge Raad over draagkracht vader

De zaak betreft een hoger beroep over de kinderalimentatie die de vader aan de moeder moet betalen voor hun twee kinderen. De rechtbank had het verzoek van de moeder afgewezen, maar het gerechtshof Den Haag stelde de bijdrage vast op €451,50 per kind per maand vanaf 30 december 2020, uitgaande van een vermogen van de vader uit de verkoop van percelen grond. De Hoge Raad vernietigde deze beschikking vanwege schending van het hoor en wederhoor, omdat de bewindvoerder van de vader niet kon reageren op de stellingen van de moeder over het vermogen.

Na verwijzing door de Hoge Raad heeft het Gerechtshof Amsterdam de zaak opnieuw behandeld. De vader gaf onvoldoende inzicht in zijn financiële situatie tot de toekenning van de bijstandsuitkering op 11 april 2023. Het hof oordeelde dat de vader vanaf 30 december 2020 voldoende draagkracht had om alimentatie te betalen, mede vanwege het vermogen uit de verkoop van percelen, ondanks dat hij geen bewijs leverde van schulden die dit vermogen zouden beperken.

Vanaf 11 april 2023 ontving de vader een bijstandsuitkering en had hij substantiële schulden, waardoor het hof de alimentatieverplichting vanaf die datum op nihil stelde. Het hof wees een indexering van de alimentatie over de periode tot 2023 af, omdat het vermogen van de vader was afgenomen. De beschikking van 17 december 2021 werd vernietigd en de alimentatieverplichting werd opnieuw vastgesteld met ingang van 30 december 2020 tot 11 april 2023, en nihil daarna.

Uitkomst: De vader moet vanaf 30 december 2020 kinderalimentatie betalen, maar vanaf 11 april 2023 is de bijdrage nihil vanwege bijstandsuitkering en schulden.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.360.040/01
zaaknummer rechtbank Den Haag: C/09/605446 FA RK 20-9554
zaaknummer gerechtshof Den Haag: 200.308.206/01
zaaknummer Hoge Raad: 24/03480
beschikking – na verwijzing door de Hoge Raad der Nederlanden - van de meervoudige kamer van 28 april 2026 in de zaak van
[de moeder],
wonende te [de moeder] ,
verzoekster in het principaal hoger beroep,
verweerster in het incidenteel hoger beroep,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. R. van Venetiën te Alphen aan den Rijn,
en
[de vader] ,
wonende te [plaats B] ,
verweerder in het principaal hoger beroep,
verzoeker in het incidenteel hoger beroep,
verder te noemen: de vader,
[tot medio 2025 in rechte vertegenwoordigd door Vinkestijn Bewindvoering B.V. te Leiden,
verder te noemen: de bewindvoerder],
advocaat: mr. T.P. Schut te Amsterdam.

1.Het geding na verwijzing door de Hoge Raad

1.1
De Hoge Raad der Nederlanden (hierna: de Hoge Raad) heeft bij beschikking van 11 juli 2025 (24/03480) de beschikking van het gerechtshof Den Haag van 26 juni 2024 vernietigd en de zaak verwezen naar dit hof ter verdere behandeling en beslissing.
1.2
Voor het verloop van de procedure tot de beschikking van de Hoge Raad verwijst het hof naar overweging 1 uit voornoemde beschikking van de Hoge Raad.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
Na verwijzing door de Hoge Raad heeft de moeder bij brief van 3 oktober 2025 dit hof verzocht de zaak te behandelen.
Vervolgens zijn berichten ingekomen van de moeder van 4 november 2025 en 26 februari 2026 (met bijlagen) en van de vader van 15 december 2025 (met bijlagen).
2.2
De zitting heeft op 27 februari 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat,
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat.
De bewindvoerder is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen. De vader heeft ter zitting verklaard dat de onderbewindstelling medio 2025 is opgeheven. Het hof heeft vervolgens geconstateerd dat de vader niet (meer) geregistreerd staat in het centraal curatele- en bewindregister.
De advocaat van de moeder heeft op de zitting een pleitnotitie overgelegd.

3.De zaak in het kort

De zaak gaat over de kinderalimentatie die de vader moet betalen. De rechtbank had het daartoe strekkende verzoek van de moeder afgewezen. In hoger beroep heeft de bewindvoerder van de vader het gerechtshof Den Haag bericht dat de vader geen draagkracht heeft om alimentatie te betalen. De moeder heeft daarop onder andere gereageerd met de stelling, onderbouwd met stukken, dat de vader twee percelen grond heeft verkocht en dat hij dus vermogen heeft. Het gerechtshof Den Haag heeft deze stelling mede ten grondslag gelegd aan zijn oordeel dat de vader voldoende draagkracht heeft om een bijdrage te voldoen. Nu het gerechtshof Den Haag de bewindvoerder geen gelegenheid meer had gegeven om te reageren op de stelling van de moeder ten aanzien van de percelen, heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het gerechtshof Den Haag het beginsel van hoor en wederhoor heeft geschonden, om welke reden de Hoge Raad de beschikking van het gerechtshof Den Haag heeft vernietigd en de zaak naar dit hof heeft verwezen.

4.De feiten

4.1
De vader en de moeder zijn de ouders van [kind 1] , geboren [in] 2010 en [kind 2] , geboren [in] 2016 (hierna gezamenlijk: de kinderen).
De ouders hebben tot in 2019 een relatie met elkaar gehad. De vader heeft de kinderen erkend. De moeder oefent alleen het gezag uit over de kinderen. De kinderen hebben hun hoofdverblijfplaats bij de moeder.
4.2
Bij beschikking van 6 juni 2023 heeft de kantonrechter in de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Gouda, de goederen die de vader (zullen) toebehoren tot 16 juni 2028 onder bewind gesteld, wegens verkwisting of het hebben van problematische schulden, met benoeming van de bewindvoerder als zodanig. Dit bewind is medio 2025 opgeheven op verzoek van de bewindvoerder.

5.De omvang van het hoger beroep

5.1
De rechtbank Den Haag heeft in de bestreden beschikking van 17 december 2021, voor zover hier van belang, het verzoek van de moeder om een door de vader te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen te bepalen van € 399,50 per kind per maand afgewezen.
5.2
De moeder heeft hoger beroep ingesteld. Het gerechtshof Den Haag heeft bij tussenbeschikking van 6 december 2023 de bewindvoerder verzocht om verslag uit te brengen over het inkomen en de vermogenspositie van de vader over de periode van eind 2020 tot de datum van de beschikking. Daarbij heeft het gerechtshof de bewindvoerder verzocht dit verslag, voor zover mogelijk, te onderbouwen met financiële stukken zoals een overzicht van de schulden, jaarstukken en aangiftes en aanslagen inkomstenbelasting over de jaren 2020 tot en met 2022, eventuele aangiftes en aanslagen omzetbelasting over 2023, en eventuele loon- en uitkeringsspecificaties over voornoemde jaren. Het gerechtshof heeft de bewindvoerder verzocht in het verslag uiteen te zetten of, en zo ja hoeveel draagkracht de vader over de periode van eind 2020 tot de datum van de beschikking voor kinderalimentatie heeft. De behandeling van de zaak is daarom aangehouden en bepaald is dat de moeder vervolgens gedurende twee weken de gelegenheid kreeg om op het verslag van de bewindvoerder te reageren.
Het incidenteel hoger beroep van de vader zag op de omgangsregeling tussen hem en de kinderen. Daarop is in de beschikking van 6 december 2023 door het gerechtshof Den Haag een eindbeslissing gegeven. Hierop hoeft derhalve niet meer te worden beslist.
5.3
De bewindvoerder heeft bij brief met bijlagen van 27 februari 2024 informatie verschaft over het inkomen, de schulden en het vermogen van de vader, voor zover zij daar op dat moment zicht op had. Zij heeft geconcludeerd dat er geen draagkracht bij de vader is vast te stellen voor de periode van 2020 tot de datum van onderbewindstelling en dat er vanaf die datum evenmin draagkracht is.
5.4
Namens de moeder is daarop bij brief van 8 maart 2024 gereageerd, waarbij zij producties 10 en 11 heeft overgelegd. Deze stukken zien op het volgens de moeder bij de vader aanwezige vermogen. Zo heeft hij volgens haar in 2021 geërfde percelen verkocht voor € 400.000,- v.o.n. Met zijn vermogen kan de vader zijn schulden aflossen en kinderalimentatie betalen, aldus de moeder.
5.5
Bij eindbeschikking van 26 juni 2024 heeft het gerechtshof Den Haag de beschikking van de rechtbank vernietigd voor zover het de beslissing over de kinderalimentatie betreft en bepaald dat de door de vader aan de moeder verschuldigde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen met ingang van 30 december 2020 € 451,50 per kind per maand bedraagt. Aan die beslissing heeft het gerechtshof Den Haag ten grondslag gelegd dat de vader blijkens de stukken weliswaar sinds april 2023 een uitkering op grond van de Participatiewet ontvangt, hetgeen in beginsel met zich brengt dat het hem aan draagkracht ontbreekt voor het leveren van een aandeel in de kosten van de kinderen, maar dat in dit geval anders wordt geoordeeld. Uit de stukken volgt dat de vader door de verkoop van meerdere percelen een vermogen heeft van in ieder geval € 400.000,-. Het gerechtshof Den Haag heeft overwogen dat gelet op de stellingen van de moeder van de vader verwacht had mogen worden dat hij financiële stukken zoals een schuldenoverzicht, aangiftes inkomsten- en omzetbelasting en loon- en uitkeringsspecificaties in het geding had gebracht. Nu hij dat niet heeft gedaan, is zijn draagkracht en zijn aandeel in de kosten van de kinderen niet vast te stellen en is het gerechtshof ervanuit gegaan dat de vader over voldoende draagkracht beschikt om de door de moeder verzochte kinderalimentatie te voldoen.
5.6
De vader heeft cassatieberoep ingesteld. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat het gerechtshof Den Haag niet mocht uitgaan van de juistheid van de stellingen en stukken van de moeder ten aanzien van de verkoop van meerdere percelen zonder de bewindvoerder in de gelegenheid te stellen daarop te reageren, gezien het beginsel van hoor en wederhoor.
5.7
Bij brief aan dit hof van 4 november 2025 heeft de moeder haar standpunt herhaald dat de vader uit zijn vermogen zijn schulden kan aflossen en kinderalimentatie kan betalen. Volgens haar ligt na de uitspraak van de Hoge Raad nog de rechtsvraag voor of de vader beschikt over voldoende vermogen om daarop in te kunnen teren ten behoeve van kinderalimentatie, althans om de daaruit redelijkerwijs te verkrijgen rendementen aan te wenden om bij te kunnen dragen in de kosten van opvoeding en verzorging van de kinderen.
5.8
De vader heeft bij brief van 15 december 2025 betwist dat hij over voldoende vermogen beschikt. Hij heeft ter onderbouwing een uitspraak van 19 juni 2025 van de rechtbank Den Haag overgelegd en een schuldenoverzicht. Een aanzienlijk deel van de opbrengst van de verkoop van de percelen is aan de Belastingdienst betaald. Verder kan ervan worden uitgegaan dat de vader een deel heeft besteed aan zijn kosten van levensonderhoud aangezien hij een paar jaar zonder inkomen heeft gezeten. De vader is voorts opgenomen geweest in een instelling van de GGZ, aldus de vader.

6.De motivering van de beslissing

6.1
In artikel 424 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is bepaald dat de rechter, naar wie het geding is verwezen, de behandeling voortzet en beslist met inachtneming van de uitspraak van de Hoge Raad. Het hof is als verwijzingsrechter gebonden aan alle niet of tevergeefs in cassatie bestreden beslissingen.
Ingangsdatum
6.2
Het gerechtshof Den Haag heeft als ingangsdatum 30 december 2020 gehanteerd, te weten de datum waarop de moeder haar inleidend verzoek bij de rechtbank heeft ingediend. Nu deze beslissing in cassatie niet is bestreden, is dit hof gebonden aan die ingangsdatum.
Behoefte
6.3
De behoefte is tussen partijen niet in geschil, zodat dit hof zal uitgaan van de behoefte die het gerechtshof Den Haag heeft vastgesteld, te weten € 863,- per maand (€ 431,50 per kind per maand) in 2019.
Draagkracht
6.4
De vader heeft de vennootschap onder firma die partijen gezamenlijk hadden, na hun uiteengaan in 2019 voortgezet als eenmanszaak, genaamd [X] . Volgens de vader heeft zijn onderneming te lijden gehad onder de coronacrisis, en was deze sinds 2020 niet meer actief. De vader heeft ter onderbouwing (alleen) een Peiljaarverlegging van de Raad voor de Rechtsbijstand d.d. 7 april 2022 overgelegd waarin een verzamelinkomen van € 35.278,- in 2020 wordt vermeld (en een geschat verzamelinkomen in 2022 van € 12.905,-). Overige gegevens van 2020 (alsook van 2021 en 2022) ontbreken. Ook de bewindvoerder heeft geen gegevens over de periode vanaf 30 december 2020 in het geding gebracht. In haar brief van 27 februari 2024 heeft zij geschreven dat haar niet bekend is geworden hoe de financiële situatie van de vader was tot de aanvang van het bewind per 7 juni 2023. De vader ontving toen inmiddels een bijstandsuitkering en er was sprake van oplopende schulden.
Naderhand is bekend geworden dat de vader percelen van zijn vader heeft geërfd en dat hij die op 24 maart 2021 heeft verkocht voor een bedrag van € 400.000,- vrij op naam.
6.5
Zoals het gerechtshof Den Haag heeft overwogen, heeft de vader over de periode gelegen vóór 11 april 2023 (datum toekenning bijstandsuitkering) onvoldoende inzicht gegeven in zijn financiële positie, waardoor zijn draagkracht en zijn aandeel in de kosten van de kinderen niet is vast te stellen. Dat geldt dus ook voor de periode van 30 december 2020 tot 24 maart 2021. Naar het oordeel van het hof kan het gelet daarop en dankzij het op 24 maart 2021 verworven vermogen ervoor gehouden worden dat de vader in ieder geval vanaf 30 december 2020 voldoende draagkracht had om de door de moeder verzochte bijdrage voor de kinderen te voldoen. Het mag zo zijn dat de vader ook kosten had (verkoopkosten, successierechten) die in mindering strekten op het verkregen vermogen, maar het had op zijn weg gelegen om daarover inzicht te verschaffen, hetgeen hij heeft nagelaten. Gelet op de omstandigheid dat de goederen van de vader op 6 juni 2023 wegens verkwisting of het hebben van problematische schulden onder bewind zijn gesteld, wil het hof aannemen dat de vader ten tijde van de verkrijging van het vermogen uit de verkoop van de percelen mogelijk al een schuldenlast had, waarmee bij het bepalen van zijn draagkracht in beginsel rekening moet worden gehouden, ook indien daarop niet werd afgelost. De vader heeft echter op geen enkele wijze onderbouwd waaruit die door hem aangestipte schuldenlast ten tijde van het ontvangen van het vermogen bestond en dat hij als gevolg daarvan geen draagkracht zou hebben gehad. Zodoende heeft hij niet voldaan aan zijn stelplicht. Het hof gaat er onder deze omstandigheden vanuit dat ondanks mogelijke schulden, de vader de draagkracht moet hebben gehad om de door de moeder verzochte bijdrage te voldoen uit het toch als aanzienlijk aan te merken vermogen van € 400.000,-. In aanmerking nemend dat het hof, zoals hierna onder 6.6 is overwogen, een einddatum aan de alimentatieverplichting van de vader verbindt en zoals in 6.7 is overwogen geen indexering toepast, bedraagt de totale omvang van de betalingsverplichting ongeveer € 25.000,-. Dat de schuldenlast zodanig was dat voor betaling van een dergelijk bedrag geen ruimte meer was, heeft de vader, zoals gezegd, in het geheel niet aannemelijk gemaakt, laat staan met stukken onderbouwd, hetgeen voor zijn rekening en risico komt. Omdat de vader heeft verklaard zijn vermogen onder andere te hebben aangewend voor de kosten van zijn levensonderhoud, waarvan de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen deel uitmaakt, kon van de vader worden verwacht dat hij dit liquide vermogen (anders dan de mogelijke overwaarde op zijn woning) mede aanwendde voor de kosten van de kinderen, voor zover hij geen inkomsten had waaruit hij deze kosten kon voldoen. De vader was immers op dat moment bekend met de door de moeder verzochte bijdrage in de kosten van de kinderen. Dat het door de moeder verzochte bedrag de behoefte van de kinderen in 2020 enigszins overstijgt, acht het hof, gelet op de korte periode (twee dagen) en gelet op het hierna onder 6.7 overwogene, verwaarloosbaar. Vanaf 1 januari 2021 is de bijdrage van de vader in lijn met de geïndexeerde behoefte van de kinderen, waarbij het hof ook acht slaat op de zeer geringe draagkracht aan de zijde van de moeder.
6.6
Sinds 11 april 2023 ontvangt de vader een uitkering op grond van de Participatiewet. Het hof overweegt dat de Expertgroep Alimentatie aanbeveelt om bij een niet-verzorgende ouder met een uitkering op grond van de Participatiewet een minimumdraagkracht aan te nemen van € 50,- bij twee kinderen. Van deze aanbeveling kan worden afgeweken indien zou blijken dat de vader over andere middelen beschikt naast zijn uitkering. De moeder stelt, zoals hiervoor al aan de orde is gekomen, dat dat het geval is in de vorm van vermogen. Het hof overweegt dat het, hoewel de vader zijn stellingen ten aanzien van (de besteding van) zijn vermogen niet of nauwelijks heeft onderbouwd, vanaf 11 april 2023 geen rekening meer zal houden met vermogen in de vorm van de opbrengst van de percelen. Niet alleen vertrouwt het hof op de toets van de gemeente in het kader van de toekenning van de bijstandsuitkering aan de vader, maar ook is genoegzaam gebleken dat de vader op enig moment aanzienlijke schulden heeft opgebouwd, zij het dat voor het hof niet te bepalen is vanaf wanneer dat het geval was, zoals hiervoor onder 6.5 is overwogen. Mede gelet op het tijdstip van het instellen van het bewind (per 6 juni 2023) is niet aannemelijk dat na 11 april 2023 nog dermate veel liquide vermogen resteerde dat de vader daarmee zowel zijn schulden kon aflossen als kinderalimentatie kon voldoen, althans uit het rendement daarop. De vader bezit weliswaar een woning met overwaarde, maar dat betreft geen liquide vermogen (de moeder heeft ter zitting verklaard beslag te zullen leggen als dit hof een onderhoudsbijdrage vaststelt).
De schulden van de vader maken bovendien dat het hof ervan uitgaat dat de vader vanaf 11 april 2023 in het geheel geen draagkracht meer heeft om enige bijdrage voor de kinderen te voldoen. Op de door de vader in het geding gebrachte stukken valt weliswaar het een en ander af te dingen (zoals de niet-onderbouwde vordering van zijn zus en het gegeven dat ook de moeder voorkomt op een schuldenlijst terwijl de moeder stelt geen vordering van die hoogte te hebben op de vader), maar al met al blijkt uit de stukken voldoende dat de vader schulden van substantiële omvang heeft. Ook als ervan wordt uitgegaan dat in ieder geval een deel daarvan aan de vader zelf te wijten is, leidt dat niet tot een ander oordeel. Voldoende aannemelijk is dat vaststelling van een bijdrage dan zal leiden tot een onaanvaardbare situatie.
Dat brengt mee dat het hof vanaf 11 april 2023 de bijdrage op nihil zal stellen.
6.7
Met inachtneming van het overwogene in rechtsoverweging 3.2.6. in Hoge Raad 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1165) zal het hof beoordelen of aanleiding bestaat de door de vader verschuldigde onderhoudsbijdrage over de periode tot 11 april 2023 te verhogen, gelet op de gevolgen die de jaarlijkse indexering als bedoeld in artikel 1:402a BW zou hebben gehad voor de hoogte van de kinderalimentatie indien de datum van de onderhavige beschikking zou zijn samengevallen met de ingangsdatum. Het hof ziet daartoe geen aanleiding. Het vermogen van de vader, waarop mede is gebaseerd dat hij de draagkracht heeft om de door de moeder verzochte bijdrage te voldoen, is na de ingangsdatum afgenomen. Het is niet aannemelijk dat de draagkracht van de vader per 1 januari 2021 tot en met 1 januari 2023 is meegestegen met de wettelijke indexeringspercentages. Onder die omstandigheden ziet het hof geen aanleiding om ambtshalve tot verhoging van de bijdrage over te gaan.
6.8
Dit leidt tot de volgende beslissing.

7.De beslissing

Het hof:
vernietigt de bestreden beschikking van 17 december 2021 ten aanzien van de kinderalimentatie en, in zoverre opnieuw rechtdoende:
bepaalt de door de vader te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen met ingang van 30 december 2020 op € 451,50 (VIERHONDERD EENENVIJFTIG EURO EN VIJFTIG CENT) per kind per maand en stelt de bijdrage met ingang van 11 april 2023 op nihil;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.F. Miedema, mr. D.H. Steenmetser-Bakker en mr. M. Perfors, in tegenwoordigheid van mr. F.J.E. van Geijn als griffier en is op 28 april 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.