Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:1117

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
21 april 2026
Publicatiedatum
28 april 2026
Zaaknummer
200.358.520/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:402 BWArt. 1:402a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep kinderalimentatie en draagkracht vader met schulden

De zaak betreft een hoger beroep van de vader tegen een beschikking van de rechtbank Noord-Holland waarin hij werd veroordeeld tot het betalen van €350 kinderalimentatie per maand voor zijn minderjarige kind, [minderjarige 1]. De vader voerde aan dat hij vanwege zijn lage inkomen, onderhoudsverplichtingen voor andere kinderen en aanzienlijke schulden niet in staat was deze bijdrage te betalen. De moeder stelde dat hij minimaal €100 per maand kon bijdragen.

Het hof heeft de behoefte van het kind vastgesteld op €195 per maand, gebaseerd op het netto besteedbaar inkomen van beide ouders en het kindgebonden budget. De draagkracht van de vader werd berekend op €158 per maand, rekening houdend met zijn inkomen, woonlasten, overige lasten en een redelijke aflossing van zijn schulden. De draagkracht van de moeder werd vastgesteld op €416 per maand, verdeeld over haar drie kinderen.

Gezien de gezamenlijke draagkracht van €192 per maand, die net onder de behoefte ligt, en de beperkte draagkracht van de vader, heeft het hof de kinderalimentatie van de vader vastgesteld op €53 per maand vanaf 27 maart 2025, met een indexering naar €55 per maand per 1 januari 2026. De eerdere beschikking van de rechtbank is vernietigd en de vader is niet gehouden tot terugbetaling van niet-betaalde alimentatie over de periode daarvoor.

Uitkomst: Vader moet vanaf 27 maart 2025 €53 per maand kinderalimentatie betalen, met indexering naar €55 per maand per 1 januari 2026.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.358.520/01
zaaknummer rechtbank: C/15/363570 / FA RK 25-1608
beschikking van de meervoudige kamer van 21 april 2026 in de zaak van
[de vader],
wonende te [plaats A] ,
verzoeker in hoger beroep,
verder te noemen: de vader,
advocaat: mr. W.Y. Hofstra te Hilversum,
en
[de moeder] ,
wonende te [plaats B] ,
verweerster in hoger beroep,
verder te noemen: de moeder.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbende aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige 1] (hierna te noemen: [minderjarige 1] ).

1.De zaak in het kort

De zaak gaat over de kinderalimentatie voor [minderjarige 1] (6 jaar). De rechtbank heeft de kinderalimentatie bepaald op € 350,- per maand. De vader heeft in die procedure geen verweer gevoerd.
De vader is het daar niet mee eens en vindt dat hij helemaal geen kinderalimentatie kan betalen, gelet op de hoogte van zijn inkomen, zijn onderhoudsverplichting naar zijn andere kinderen en zijn schulden.
De moeder vindt dat hij op zijn minst een kinderalimentatie van € 100,- per maand kan betalen, net als voor twee van zijn andere kinderen.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
De vader is op 25 augustus 2025 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 28 mei 2025 (hierna: de bestreden beschikking) van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem (hierna: de rechtbank).
2.2
Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen:
- een bericht van moeder van 16 februari 2026;
- een bericht van de moeder van 18 februari 2026;
- een bericht van de moeder van 19 februari 2026, met bijlagen;
- een bericht van de vader van 2 maart 2026, met bijlagen.
2.3
De zitting heeft op 19 februari 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat,
- de moeder.
De advocaat van de vader heeft op de zitting een pleitnotitie overgelegd.

3.De feiten

3.1
De vader en de moeder zijn de ouders van:
- [minderjarige 1] , geboren [in] 2019 te [plaats C] .
De ouders hebben een relatie met elkaar gehad. De vader heeft [minderjarige 1] niet erkend.
3.2
De vader heeft daarnaast nog drie minderjarige kinderen:
- [minderjarige 2] , geboren [in] 2008;
- [minderjarige 3] , geboren [in] 2022;
- [minderjarige 4] , geboren [in] 2023.
Ook heeft hij drie (jong)meerderjarige kinderen:
- [jongmeerderjarige 1] , geboren [in] 2007;
- [jongmeerderjarige 2] , geboren [in] 2004;
- [jongmeerderjarige 3] , geboren [in] 2002.
3.3
De moeder heeft daarnaast nog twee minderjarige kinderen:
- [minderjarige 5] , geboren [in] 2023;
- [minderjarige 6] , geboren [in] 2021.

4.De omvang van het hoger beroep

4.1
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking, op verzoek van de moeder, bepaald dat de vader een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] (hierna: kinderalimentatie) dient te voldoen van € 350,- per maand, met ingang van 7 januari 2025. De vader heeft in deze procedure geen verweer gevoerd.
4.2
De vader verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, primair te bepalen dat de vader niet gehouden is een kinderalimentatie te betalen, dan wel subsidiair een kinderalimentatie en een ingangsdatum die het hof juist acht.
4.3
De moeder vindt dat de vader in ieder geval een kinderalimentatie van € 100,- per maand kan betalen.

5.De motivering van de beslissing

Ingangsdatum
5.1
De vader is het niet eens met de door de rechtbank vastgestelde ingangsdatum van 7 januari 2025. Het enkel versturen van een brief op 7 januari 2025 waarin aanspraak wordt gemaakt op een bijdrage is volgens de vader onvoldoende om een bijdrage met terugwerkende kracht aan te nemen. Een onderbouwing, een specificatie van de verzochte bijdrage, een alimentatieberekening en onderliggende stukken ontbreken. Het gaat dan ook te ver om aan te nemen dat de vader door het enkel versturen van een brief vanaf die datum rekening moest houden met een bijdrage. Vervolgens is lange tijd gewacht met het indienen van een verzoekschrift, namelijk tot 27 maart 2025. De vader acht het redelijk de ingangsdatum op 28 mei 2025 (datum bestreden beschikking) of 27 maart 2025 vast te stellen.
De moeder heeft hiertegen geen verweer gevoerd.
5.2
Artikel 1:402 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) laat de rechter grote vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de alimentatieverplichting. Drie data liggen als ingangsdatum het meest voor de hand: de datum waarop de omstandigheden zijn ingetreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn, de datum van het inleidend processtuk en de datum waarop de rechter beslist.
Daarbij heeft te gelden dat de rechter die beslist op een verzoek tot wijziging van een eerder vastgestelde bijdrage in het levensonderhoud, in het algemeen behoedzaam gebruik zal moeten maken van zijn bevoegdheid de wijziging te laten ingaan op een vóór zijn uitspraak gelegen datum. Het is niet ongebruikelijk om voor de ingangsdatum van een te betalen kinderalimentatie aan te sluiten bij de datum waarop het inleidend processtuk is ingediend, omdat in ieder geval vanaf die datum rekening kan worden gehouden met een bepaalde betalingsverplichting of wijziging hiervan.
Het hof ziet in hetgeen de vader daarover heeft aangevoerd onvoldoende aanleiding om van een latere ingangsdatum uit te gaan dan de datum van indiening van het verzoekschrift. Het hof zal dan ook uitgaan van een ingangsdatum van 27 maart 2025.
Behoefte [minderjarige 1]
5.3
Vaststaat dat de ouders nooit hebben samengewoond. Conform het Rapport alimentatienormen wordt de behoefte van een kind waarvan de ouders nooit in gezinsverband hebben samengeleefd zo bepaald, dat het gemiddelde wordt genomen van de behoefte berekend op basis van het inkomen van de ene ouder (inclusief het voor het betreffende kind ontvangen kindgebondenbudget) en de behoefte op basis van het inkomen van de andere ouder (eveneens inclusief het voor het betreffende kind ontvangen kindgebondenbudget). Voor een ouder bij wie het kind niet opgroeit gaat het om een fictief bedrag (alsof het kind alleen bij die ouder zou opgroeien). Bij de bepaling van de behoefte van de kinderen is het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de ouders bepalend. Dit inkomen wordt vastgesteld door het bruto inkomen en de werkelijke inkomsten uit vermogen te verminderen met de belastingen en premies die daarover verschuldigd zijn. Aan de hand van de ‘Tabel eigen aandeel kosten van kinderen’ van het NIBUD wordt dan de behoefte vastgesteld (hierna ook: de tabel).
Het hof zal de behoefte van [minderjarige 1] op deze wijze berekenen.
5.4
De vader stelt dat de behoefte van [minderjarige 1] op basis van de inkomens van partijen over 2019 gemiddeld € 130,- per maand bedraagt, hetgeen geïndexeerd naar 2026 neerkomt op € 171,- per maand.
De moeder heeft bij de procedure bij de rechtbank gesteld dat zij niet in staat is de behoefte van [minderjarige 1] te berekenen, vanwege het ontbreken van de financiële gegevens van de vader.
5.5
De vader heeft de aangifte IB 2019 overgelegd, waaruit volgt dat hij in 2019 in loondienst werkzaam was via verschillende uitzendbureaus en een fiscaal loon had van in totaal € 20.162,-. Uitgaande van deze inkomsten en rekening houdend met de aanspraak van de vader op de algemene heffingskorting en de arbeidskorting, bedraagt zijn netto besteedbaar inkomen (NBI) € 1.536,- per maand. Verhoogd met het fictieve kindgebonden budget van € 359,- per maand bedraagt zijn NBI € 1.895,- per maand. De behoefte van [minderjarige 1] volgens de tabel “Eigen aandeel van ouders in de kosten van kinderen” van 2019 bedraagt op grond van het voorgaande € 215,- per maand.
5.6
De moeder ontving in 2019 een daklozenuitkering van € 733,- netto per maand, blijkens de door haar overgelegde uitkeringsspecificatie van januari 2019. Verhoogd met een kindgebonden budget van € 359,- per maand, bedroeg haar NBI € 1.092,- per maand. De behoefte van [minderjarige 1] volgens de tabel “Eigen aandeel van ouders in de kosten van kinderen” van 2019 bedraagt op grond van het voorgaande € 95,- per maand.
5.7
De gemiddelde behoefte van [minderjarige 1] bedraagt dan ook € 155,- per maand. Geïndexeerd van 2019 naar 2025 bedraagt de behoefte € 195,- per maand.
Draagkracht vader
5.8
Het hof moet vervolgens beoordelen of de ouders over voldoende draagkracht beschikken om elk hun aandeel in deze behoefte te kunnen betalen.
5.9
De vader stelt dat hij als zelfstandig ondernemer werkzaam was en zijn inkomsten inmiddels zijn opgedroogd en er meerdere schulden zijn ontstaan. De vader ontving in 2025 een bijstandsuitkering. Vanaf 19 januari 2026 is hij in loondienst werkzaam als activiteitenbegeleider bij de GGZ. Daar verdient hij € 2.745,- bruto per maand voor een 32-urige werkweek. De vader stelt dat hij kampt met schulden onder meer aan de Belastingdienst van € 60.000,- tot € 70.000,-. De vader krijgt hulp vanuit de gemeente en hij zal waarschijnlijk een schuldsaneringsregeling ingaan. Daarnaast is hij onderhoudsplichtig voor zijn andere vijf kinderen. De vader woont samen met zijn huidige echtgenote en de jongste twee kinderen. Hij stelt dat hij om die reden onvoldoende draagkracht heeft om enige kinderalimentatie voor [minderjarige 1] te kunnen betalen, althans maximaal € 25,- per maand.
5.1
De moeder stelt dat zij de financiële situatie van de vader niet kent, maar dat zij van mening is dat de vader in ieder geval € 100,- per maand zou moeten kunnen betalen voor [minderjarige 1] .
5.11
Uit de door de vader overgelegde stukken volgt dat hij een geregistreerd inkomen had van:
- € 9.591,- over 2022;
- € 52.531,- over 2023;
- € 46.411,- over 2024.
Gemiddeld komt dit neer op een inkomen van € 36.178,- per jaar. Ter zitting heeft de vader aangevoerd dat zijn huidige inkomen neerkomt op een belastbaar loon van ongeveer € 37.000,- per jaar. Over 2025 heeft de vader enkel btw-aangiften overgelegd. De vader heeft geen jaarstukken overgelegd of een uitkeringsspecificatie over 2025.
De vader heeft desgevraagd na afloop van de zitting zijn huidige arbeidsovereenkomst met ingang van 19 januari 2026 overgelegd, alsmede een salarisspecificatie van februari 2026. Daaruit volgt dat de vader een inkomen heeft van € 2.745,- bruto per maand, vermeerderd met een vakantietoeslag en een eindejaarsuitkering van ieder 8,33%. Dit komt neer op een bruto inkomen van € 38.428,- per jaar. Rekening houdend met een pensioenpremie van € 249,- per maand en een premie Whk van € 16,- per maand, bedraagt zijn belastbaar loon € 35.440,- per jaar.
Bij gebrek aan een volledig zicht op het inkomen over 2025 en gelet op het feit dat het gemiddelde inkomen over de jaren 2022-2024 en het door hemzelf geschatte inkomen niet veel verschilt van zijn huidige inkomen, ziet het hof aanleiding om voor de gehele periode vanaf 27 maart 2025 uit te gaan van zijn huidige inkomsten. Rekening houdend met de algemene heffingskorting en de arbeidskorting becijfert het hof het NBI van de vader in 2025 op € 2.550,- per maand.
Schulden
5.12
Daarnaast heeft de vader desgevraagd een schuldenoverzicht van de Belastingdienst overgelegd, waaruit volgt dat hij op 11 november 2025 een openstaande schuld heeft van in totaal € 59.510,-. Ter zitting heeft de vader verklaard dat hij nog geen betalingsregeling heeft getroffen ten aanzien van deze schuld. Als productie 4 heeft de vader daarnaast een aantal stukken ten aanzien van diverse andere schulden overgelegd, waaruit volgt dat de vader nog meer schulden heeft.
5.13
Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad dient bij het bepalen van de draagkracht rekening te worden gehouden met alle schulden van de onderhoudsplichtige, ook met schulden waarop niet wordt afgelost. Weliswaar kan de rechter oordelen om in afwijking van deze hoofdregel aan bepaalde schulden geen of minder gewicht toe te kennen, maar in dat geval dient hij dit oordeel te motiveren. In dit verband valt te denken aan schulden die na het vaststellen van de onderhoudsplicht onnodig werden aangegaan, of aan schulden ten aanzien waarvan de onderhoudsplichtige de mogelijkheid heeft zich te bevrijden of een regeling te treffen. Voorop staat immers dat de wetgever aan de verplichting van ouders om in de kosten van een kind te voorzien hoge prioriteit heeft toegekend: uitgangspunt is dat minderjarige kinderen behoeftig zijn en de ouders hierin zoveel mogelijk dienen te voorzien. Dat leidt ertoe dat de noodzaak en de hoogte van eventuele extra lasten die de draagkracht zouden verlagen deugdelijk dienen te worden onderbouwd.
5.14
Uit het door de vader overgelegde schuldenoverzicht van de Belastingdienst valt op te maken dat de schulden zien op eerdere aanslagen IH (Inkomensheffing/Inkomstenbelasting), OB (Omzetbelasting/BTW) en ZVW (Inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet).
Hoewel de vader op dit moment nog niet daadwerkelijk aflost op de schuld aan de Belastingdienst, ziet het hof aanleiding om vanaf 27 maart 2025 reeds rekening te houden met de aflossing op deze schuld voor een in redelijkheid te schatten bedrag van € 250,- per maand. Het hof zal dan ook het draagkrachtloos inkomen van de vader verhogen met € 250,- per maand.
5.15
Het bedrag aan draagkracht wordt vastgesteld aan de hand van de aangepaste formule 70% x [NBI – (0,3 x NBI + 1.310 + 250)]. Dit betekent dat op het NBI 30% in mindering wordt gebracht in verband met het forfaitaire woonbudget, dat rekening wordt gehouden met een bedrag van € 1.310,- per maand aan overige lasten, de aflossing van de schulden van € 250,- per maand en dat wordt uitgegaan van een draagkrachtpercentage van 70. Op grond van deze draagkrachtformule bedraagt zijn draagkracht dan € 158,- per maand.
5.16
Bij de bepaling van de draagkracht van de vader is van belang dat hij op 27 maart 2025 niet alleen onderhoudsplichtig was voor [minderjarige 1] , maar ook voor in ieder geval zijn minderjarige thuiswonende kinderen [minderjarige 3] en [minderjarige 4] .
[jongmeerderjarige 3] was op dat moment 23 jaar, zodat de vader niet meer onderhoudsplichtig was voor hem. Over [jongmeerderjarige 2] (21 jaar), [jongmeerderjarige 1] (17 jaar) en [minderjarige 2] (16 jaar) heeft de vader ter zitting in hoger beroep verklaard dat zij alle drie werken. Het hof gaat er daarom van uit dat de vader deze kinderen niet onderhoudt. In dat licht heeft de vader namelijk onvoldoende aannemelijk gemaakt dat er nog sprake is van enige behoefte aan de zijde van [jongmeerderjarige 2] , [jongmeerderjarige 1] en [minderjarige 2] .
De vader stelt verder dat hij voor [minderjarige 2] en [jongmeerderjarige 1] € 100,- per kind per maand betaalt, maar hij heeft slechts één rekeningafschrift overgelegd van mei 2025, waaruit volgt dat hij eenmalig € 100,- heeft overgemaakt naar [naam] . Naar het oordeel van het hof heeft de vader onvoldoende onderbouwd dat hij maandelijks een bedrag van € 100,- per kind per maand betaalt voor [minderjarige 2] en [jongmeerderjarige 1] , zodat het hof hier geen rekening mee zal houden.
Het hof zal daarom de draagkracht van de vader van € 158,- per maand verdelen over drie kinderen. Omdat duidelijk is dat hij onvoldoende draagkracht heeft om in de volledige behoefte van alle kinderen te voorzien, zal het hof zijn draagkracht gelijkelijk verdelen over deze kinderen. Dit betekent dat de vader een draagkracht heeft van € 53,- voor [minderjarige 1] .
Draagkracht moeder
5.17
De moeder heeft desgevraagd twee WIA-uitkeringsspecificaties overgelegd over de maanden december 2025 en januari 2026. Daaruit volgt dat zij een WIA-uitkering ontvangt van € 2.701,- bruto per maand. Vermeerderd met een vakantietoeslag van 8% en rekening houdend met de algemene heffingskorting en een kindgebonden budget van € 628,- per maand, bedraagt haar NBI € 2.721,- per maand. Op grond van de formule 70% x [NBI – (0,3 x NBI + 1.310)] bedraagt haar draagkracht € 416,- per maand.
De moeder is daarnaast ook onderhoudsplichtig voor haar twee andere kinderen, zodat het hof ook haar draagkracht gelijkelijk zal verdelen over drie kinderen. Dit betekent dat de moeder een draagkracht heeft van € 139,- voor [minderjarige 1] .
De verdeling van de kosten
5.18
De ouders hebben samen een draagkracht van € 192,- per maand (€ 53,- + € 139,-), terwijl de kosten van [minderjarige 1] € 195,- per maand zijn. Een draagkrachtvergelijking is hier niet nodig, omdat de ouders samen niet genoeg draagkracht hebben voor alle kosten van [minderjarige 1] . De ouders komen dus samen een bedrag van € 3,- per maand tekort. Zij moeten daarom ieder hun volledige draagkracht gebruiken. Dat betekent dat de vader met € 53,- per maand moet bijdragen in de kosten van [minderjarige 1] .
Het hof heeft berekeningen gemaakt van het NBI en de draagkracht van partijen. Een exemplaar van deze berekeningen is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
Indexering
5.19
Op grond van artikel 1:402a BW gaat de wettelijke indexering over de kinderalimentatie die de vader moet betalen per 27 maart 2025 pas per 1 januari 2027 in. Het hof zal daarom ambtshalve de door de vader te betalen kinderalimentatie voor [minderjarige 1] met ingang van 1 januari 2026 verhogen gelijk met het percentage dat van toepassing zou zijn als de wettelijke indexering (4,6%) wel zou gelden met ingang van 1 januari 2026 (ECLI:NL:HR:2025:1165). Geïndexeerd per 1 januari 2026 bedraagt de door de vader te betalen bijdrage voor [minderjarige 1] € 55,- per maand.
Terugbetaling
5.2
Niet in geschil is dat de vader geen kinderalimentatie aan de moeder heeft betaald naar aanleiding van de bestreden beschikking. Van een eventuele terugbetalingsverplichting aan de zijde van de moeder is dan ook geen sprake.
5.21
Dit leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

Het hof:
vernietigt de bestreden beschikking en opnieuw rechtdoende:
bepaalt dat de vader aan de moeder als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] zal betalen:
- met ingang van 27 maart 2025 € 53,- (zegge: drieënvijftig euro) per maand;
- met ingang van 1 januari 2026 € 55,- (zegge: vijfenvijftig euro) per maand;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. D.H. Steenmetser-Bakker, mr. J.M. van Baardewijk en mr. J. Schoemaker, in tegenwoordigheid van mr. A. Blijleven als griffier en is op 21 april 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.