Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:1070

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
21 april 2026
Publicatiedatum
24 april 2026
Zaaknummer
200.332.861/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:88 BWArt. 1:89 BWArt. 3:52 BWArt. 7:907 BWArt. 2 WCAM-overeenkomst
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep effectenlease: verjaring vernietigingsrecht echtgenote en bewijsopdracht

In deze civiele zaak gaat het om effectenleaseovereenkomsten die door de afnemer zijn gesloten zonder schriftelijke toestemming van zijn echtgenote. De echtgenote heeft de vernietigbaarheid van deze overeenkomsten ingeroepen op grond van artikel 1:89 BW Pro in samenhang met artikel 1:88 BW Pro. Dexia, de appellant, betwist dat de vernietigingsvordering niet is verjaard en voert aan dat de echtgenote al vóór 13 maart 2000 bekend was met de overeenkomsten.

De kantonrechter had de effectenleaseovereenkomsten vernietigd en Dexia veroordeeld tot betaling aan de echtgenote. Het hof bevestigt dat de overeenkomsten als koop op afbetaling kwalificeren en dat de echtgenote het recht heeft tot vernietiging wegens het ontbreken van toestemming. De verjaringstermijn van drie jaar vangt aan op het moment dat de echtgenote daadwerkelijk bekend werd met de overeenkomsten.

Het hof overweegt dat de verjaring is gestuit door een collectieve actie op 13 maart 2003, waardoor vernietiging tijdig mogelijk was voor overeenkomsten vanaf 13 maart 2000 of als de echtgenote daarna bekend werd met de overeenkomst. Dexia heeft voldoende gesteld dat de echtgenote vóór die datum bekend was, onder meer vanwege communicatie, betalingen en gezamenlijke belastingaangifte.

Het hof laat Dexia toe bewijs te leveren van deze stelling, onder meer door getuigenverhoor, en houdt verdere beslissing aan. Het arrest is gewezen door drie raadsheren en uitgesproken op 21 april 2026.

Uitkomst: Het hof houdt verdere beslissing aan en staat Dexia toe bewijs te leveren over de bekendheid van de echtgenote met de effectenleaseovereenkomsten.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.332.861/01
zaak- en rolnummer rechtbank Amsterdam : 9580824 EL 21-331
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 21 april 2026
inzake
DEXIA NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
appellante,
advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam,
tegen
[geïntimeerde],
wonend te [plaats 1] (gemeente [plaats 2] ),
geïntimeerde,
advocaat: mr. J.B. Maliepaard te Rotterdam.
Partijen worden hierna Dexia en de echtgenote genoemd.

1.Het geding in hoger beroep

Dexia is bij dagvaarding van 12 september 2023 in hoger beroep gekomen van een tussenvonnis van 16 juni 2022 en een eindvonnis van 27 juli 2023 van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter), onder bovengenoemd zaak- en rolnummer gewezen tussen de echtgenote als eiseres en Dexia als gedaagde.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven, met productie;
- memorie van antwoord, met producties;
- akte uitlaten producties Dexia.
Ten slotte is arrest gevraagd.
Partijen hebben geconcludeerd zoals verwoord in de processtukken.

2.Feiten

De kantonrechter heeft in het tussenvonnis onder “De feiten” feiten vastgesteld die hij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil, zodat ook het hof deze feiten als vaststaand zal aannemen.
2.1.
De afnemer heeft met een rechtsvoorgangster van Dexia onderstaande effectenleaseovereenkomsten gesloten (hierna: de effectenleaseovereenkomsten). De effectenleaseovereenkomsten zijn op enig moment geëindigd, waarna Dexia de eindafrekeningen heeft opgesteld. De relevante gegevens van de effectenleaseovereenkomsten zijn als volgt:
Nr.
Contractnummer
Datum
Naam
Looptijd
Eindafrekening
Resultaat
1.
[nummer 1]
15-5-1997
17-5-2002
WinstVerdubbelaar
verlenging
60 mnd
36 mnd
16-02-2004
€ 2.196,43
2.
[nummer 2]
15-5-1997
17-5-2002
WinstVerdubbelaar
verlenging
60 mnd
36 mnd
16-02-2004
€ 2.196,43
3.
[nummer 3]
5-6-1997
7-6-2002
WinstVerdubbelaar
verlenging
60 mnd
36 mnd
16-02-2004
€ 748,91
2.2.
De echtgenote, met wie de afnemer ten tijde van het aangaan van de effectenleaseovereenkomsten was gehuwd, heeft de afnemer geen (schriftelijke) toestemming verleend voor het aangaan van de effectenleaseovereenkomsten.
2.3.
Bij brief van 26 januari 2006 aan Dexia (hierna: de vernietigingsbrief) heeft de echtgenote met een beroep op artikel 1:89 BW Pro in samenhang met artikel 1:88 BW Pro meegedeeld de effectenleaseovereenkomsten te vernietigen.

3.Beoordeling

3.1.
Bij beschikking van 25 januari 2007 (ECLI:NL:GHAMS:2007:AZ7033) heeft dit hof op de voet van artikel 7:907, eerste lid, BW een overeenkomst tussen Dexia en anderen verbindend verklaard voor de kring van gerechtigden als bedoeld in artikel 2 van Pro de WCAM-overeenkomst. De afnemer en de echtgenote hebben tijdig een opt out-verklaring uitgebracht, zodat deze WCAM-overeenkomst hen niet bindt.
3.2.
Deze procedure ziet op door de afnemer met Dexia gesloten effectenleaseovereenkomsten waarvan de echtgenote de vernietigbaarheid heeft ingeroepen met de vernietigingsbrief. Dexia beroept zich onder meer op verjaring van deze rechtsvordering tot vernietiging.
3.3.
De kantonrechter heeft voor zover hier van belang voor recht verklaard dat de effectenleaseovereenkomsten zijn vernietigd, heeft Dexia veroordeeld om aan de echtgenote ter zake de effectenleaseovereenkomsten te betalen hetgeen Dexia op grond van de in het vonnis genoemde berekening verschuldigd is, en heeft Dexia veroordeeld om aan de echtgenote de wettelijke rente en de kosten van de procedure te betalen.
3.4.
Tegen deze beslissing van de kantonrechter en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt Dexia op. In de grieven van Dexia ligt onder meer besloten dat zij opkomt tegen het oordeel van de kantonrechter dat de rechtsvordering tot vernietiging van de effectenleaseovereenkomsten door de echtgenote niet is verjaard. Dexia heeft geen grief gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat de verlengingsovereenkomsten zijn vernietigd.
3.5.
Het hof overweegt als volgt. De effectenleaseovereenkomsten moeten worden aangemerkt als overeenkomsten van koop op afbetaling (huurkoop) in de zin van artikel 1:88 lid 1 aanhef Pro en onder d BW. De echtgenote heeft op grond van artikel 1:89 lid 1 BW Pro het recht de effectenleaseovereenkomsten, die de afnemer is aangegaan, te vernietigen, omdat voor het aangaan daarvan aan de afnemer geen schriftelijke toestemming is gegeven.
3.6.
Uit artikel 3:52 lid Pro 1, aanhef en onder d, BW in samenhang met artikel 1:89 lid 1 BW Pro volgt dat de rechtsvordering tot vernietiging van een overeenkomst wegens het ontbreken van de krachtens artikel 1:88 BW Pro vereiste toestemming verjaart na drie jaren gerekend vanaf het moment waarop deze bevoegdheid tot vernietiging aan de echtgenoot van wie de toestemming was vereist, ten dienste is komen te staan. Ingevolge artikel 3:52 lid 2 BW Pro kan, na verjaring van de rechtsvordering tot vernietiging, een overeenkomst niet meer op dezelfde vernietigingsgrond buitengerechtelijk worden vernietigd.
3.7.
De verjaringstermijn gaat lopen op het tijdstip waarop de echtgenote daadwerkelijk bekend is geworden met het bestaan van de overeenkomst. Beslissend zijn de feiten en omstandigheden die bij de echtgenote bekend zijn, en niet de bekendheid van de echtgenote met de juridische beoordeling daarvan. Het gaat erom wanneer de echtgenote wist van de effectenleaseovereenkomsten en niet om de vraag op welk moment zij wist of begreep dat zij bevoegd was de effectenleaseovereenkomsten te vernietigen. Op degene die zich op verjaring beroept, in dit geval Dexia, rusten de stelplicht en bewijslast van de feiten en omstandigheden waaruit die bekendheid van de echtgenote kan worden afgeleid.
3.8.
Het hof neemt in aanmerking dat de Hoge Raad heeft geoordeeld dat in gevallen als deze, de bevoegdheid van de echtgenote tot het uitbrengen van een buitengerechtelijke verklaring tot vernietiging, op 13 maart 2003 is gestuit als gevolg van de op die datum ingestelde collectieve actie van onder meer Stichting Eegalease. Aangezien voor deze rechtsvordering tot vernietiging een verjaringstermijn van drie jaar geldt, betekent dit dat de verjaring van de bevoegdheid tot vernietiging van de effectenleaseovereenkomsten tijdig is gestuit bij alle overeenkomsten die zijn gesloten vanaf 13 maart 2000. Hetzelfde geldt in gevallen waarin de overeenkomst weliswaar vóór die datum is gesloten, maar de echtgenote pas ná 13 maart 2000 bekend werd met de overeenkomst. De verjaringstermijn vangt immers pas aan op het moment dat de echtgenote daadwerkelijk bekend wordt met de overeenkomst (HR 9 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3018).
3.9.
Dexia heeft gesteld dat de echtgenote vóór 13 maart 2000 kennis heeft genomen van de effectenleaseovereenkomsten en daartoe onder meer het volgende aangevoerd:
  • naar algemene ervaringsregels bespreken echtgenoten het sluiten van effectenleaseovereenkomsten als de onderhavige met elkaar. Dat geldt in deze zaak te meer vanwege de totale leasesom van relatief grote omvang (€ 156.614,34);
  • de effectenleaseovereenkomsten zijn via een tussenpersoon tot stand gekomen. Dit wordt door de echtgenote erkend en zij stelt dat zij enkel heeft begrepen dat het om een spaarregeling ging en niet wist waar of op welke wijze deze werd afgesloten. Doorgaans informeerden tussenpersonen afnemers tijdens een huisbezoek over de werking van de producten die zij aan de man brachten. Het is zeer aannemelijk dat de echtgenote een dergelijke uitleg niet is ontgaan, zij wel degelijk heeft begrepen dat het hier om een belegging in effectenleaseovereenkomsten van Dexia ging en zij dus direct bij de totstandkoming van de effectenleaseovereenkomsten van het bestaan daarvan op de hoogte is geraakt;
  • op de effectenleaseovereenkomsten is een bedrag van € 9.444,84 aan incasso’s betaald. Een dergelijke uitgave kan niet zijn gedaan zonder dat dit is besproken;
  • de afnemer heeft vanaf mei 1997 met betrekking tot de effectenleaseovereenkomsten op meerdere momenten poststukken van Dexia of haar rechtsvoorgangers ontvangen op het huisadres van de afnemer en de echtgenote. Het is onaannemelijk dat de echtgenote deze poststukken niet heeft opgemerkt;
  • Dexia gaat er vanuit dat de afnemer en de echtgenote gezamenlijk hun belastingaangifte indienden en dat de echtgenote deze heeft gelezen voordat zij deze ondertekende. Zodoende heeft zij kunnen zien dat de afnemer de betaalde rente heeft afgetrokken.
De echtgenote heeft het bovenstaande betwist. Naar het oordeel van het hof heeft Dexia hiermee voldoende gemotiveerd gesteld dat de echtgenote vóór 13 maart 2000 daadwerkelijk bekend was met het bestaan van de effectenleaseovereenkomsten. Het hof zal Dexia overeenkomstig haar aanbod toelaten bewijs te leveren van de feiten of omstandigheden waaruit volgt dat de echtgenote vóór 13 maart 2000 bekend is geworden met het bestaan van de effectenleaseovereenkomsten, zoals hierna onder 4.1 is vermeld.
3.10.
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

4.Beslissing

Het hof:
4.1.
laat Dexia toe tot het leveren van bewijs van haar stelling dat de echtgenote vóór 13 maart 2000 met het bestaan van de effectenleaseovereenkomsten bekend is geworden;
4.2.
bepaalt dat als Dexia dit bewijs wenst te leveren door het laten horen van getuigen, een getuigenverhoor zal plaatshebben ten overstaan van mr. M.M. Kruithof die hierbij tot raadsheer-commissaris wordt benoemd. Dit verhoor zal plaatshebben in een van de zalen van het Paleis van Justitie aan het IJdok 20 te Amsterdam op 7 mei 2026 om 11.00 uur;
4.3.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.M. Kruithof, J.W.M. Tromp en L. Alwin en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 21 april 2026.