ECLI:NL:GHAMS:2026:1
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verdeling onroerend goed na echtscheiding ondanks geschil over economische eigendom en huurinkomsten
Partijen, voormalige levenspartners met een minderjarig kind, zijn gezamenlijk eigenaar van een appartement dat zij via een vennootschap hebben aangeschaft. De vrouw vordert in hoger beroep de verdeling van het onroerend goed met verkoop en betaling van een deel van de huuropbrengsten. De man betwist dit en stelt dat de vennootschap, mede door hem beheerd, economisch eigenaar is en de verhuurder is.
De rechtbank had al een vorm van verdeling vastgesteld, maar wees de vorderingen betreffende huurpenningen en betaling van de helft van de waarde van het appartement af. Het hof bevestigt dit oordeel en overweegt dat de tenaamstelling in het register bepalend is voor eigendom, ongeacht de financiering door de vennootschap. De stelling dat de man en de vennootschap als één persoon moeten worden gezien (vereenzelviging) wordt verworpen vanwege onvoldoende bewijs.
Het hof oordeelt dat ieder van de deelgenoten de verdeling kan vorderen en dat de vrouw niet kan aantonen dat de man persoonlijk huurinkomsten heeft genoten. De vordering tot betaling van huurinkomsten faalt daarom. Het vonnis van de rechtbank wordt bekrachtigd, waarbij ieder zijn eigen proceskosten draagt.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en wijst de vorderingen van partijen af, waarbij ieder zijn eigen proceskosten draagt.