ECLI:NL:GHAMS:2025:511
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen tussentijdse beëindiging schuldsaneringsregeling afgewezen met verlenging looptijd
Appellant is in financieel zwaar weer geraakt tijdens de COVID-pandemie en werd toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling. Na een kleine terugval in zijn drugsgebruik in september 2024 werd de regeling tussentijds beëindigd door de rechtbank. In hoger beroep stelt appellant dat zijn situatie bij toelating stabiel was en dat hij inmiddels een betaalde baan heeft gevonden en zich inzet om aan alle verplichtingen te voldoen.
De bewindvoerder, die aanvankelijk een verzoek tot beëindiging had gedaan, heeft haar standpunt gewijzigd en verzoekt de regeling te laten voortduren. Het hof oordeelt dat de terugval niet voldoende is om de tussentijdse beëindiging te rechtvaardigen en dat appellant voldoende medewerking verleent. Gezien zijn arbeidsgeschiktheid, betaalde baan, behandeling en ondersteuning acht het hof verlenging van de regeling met zes maanden passend.
Het hof vernietigt het bestreden vonnis, wijst het verzoek tot tussentijdse beëindiging af en verlengt de looptijd van de schuldsaneringsregeling tot 25 juli 2026. Appellant krijgt hiermee een laatste kans om de regeling succesvol af te ronden.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot tussentijdse beëindiging af en verlengt de schuldsaneringsregeling met zes maanden.