Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2025:3784

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
18 december 2025
Publicatiedatum
3 maart 2026
Zaaknummer
23-001693-25
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 26 Wet wapens en munitieArt. 33 SrArt. 33a SrArt. 36b SrArt. 36c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak voor wapenbezit in kamer broer; jeugddetentie voor bezit meerdere vuurwapens

In hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam heeft het hof het tenlastegelegde betreffende het bezit van een pistool in de kamer van de broer van de verdachte vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs van bewustheid en nauwe samenwerking.

Het hof acht bewezen dat de verdachte meerdere vuurwapens en munitie in bezit had, waaronder een automatisch aanvalsgeweer en diverse pistolen, gepleegd in de periode van februari tot maart 2025. De verdachte was toen 19 jaar oud, waardoor toepassing van het jeugdstrafrecht passend werd geacht op grond van zijn persoonlijke omstandigheden en het reclasseringsadvies.

De straf bestaat uit 341 dagen jeugddetentie, waarvan 120 dagen voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden zoals meldplicht, ambulante behandeling, locatiegebod met elektronische monitoring en dagbesteding. De proeftijd is verlengd met één jaar vanwege overtreding van voorwaarden. Daarnaast zijn wapens, munitie en bepaalde telefoons verbeurd verklaard of onttrokken aan het verkeer.

Het hof benadrukt het veiligheidsrisico van ongecontroleerd wapenbezit en de positieve, maar prille gedragsverandering van de verdachte. De straf is afgestemd op ernst van de feiten en de persoon van de verdachte, met oog voor zijn motivatie tot gedragsverbetering.

Uitkomst: Verdachte vrijgesproken van bezit pistool in kamer broer; veroordeeld tot 341 dagen jeugddetentie, waarvan 120 dagen voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001693-25
datum uitspraak: 18 december 2025
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 4 juli 2025 in de strafzaak onder de parketnummers 13-379909-24 en 13-219672-24 (TUL) tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2005,
adres: [adres 1] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 4 december 2025 en het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsvrouw naar voren hebben gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 27 maart 2025 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, een wapen van categorie II, onder 2 van de Wet wapens en munitie, te weten een automatisch aanvalsgeweer, van het merk Zastava Arms, type M70AB2, kaliber 7,62 x 39mm, en/of munitie van categorie III van de Wet Wapens en Munitie, te weten een of meerdere patro(o)n(en) van het kaliber 7,62x39 mm en/of 7,65 mm en/of 9x19 mm, zijnde een vuurwapen geschikt om automatisch te vuren en/of munitie voorhanden heeft gehad;
2.
hij op of omstreeks 27 maart 2025 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een (omgebouwd) pistool, van het merk Blow, type TR 34, kaliber 7,65mm (synoniem .32 auto), en/of munitie van categorie III van de Wet Wapens en Munitie, te weten een of meerdere patro(o)n(en) van het kaliber 7,65mm (synoniem .32 auto) (merk: Sellier & Bellot) (model: volmantel rondneus), zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool en/of munitie voorhanden heeft gehad;
3.
hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 februari 2025 tot en met 27 maart 2025 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, (een) wapen(s) van categorie II onder 2 en/of III onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten (een) (omgebouwd(e)) ((door)geladen),
- pistool (merk/type: Glock 19 gen 5) met verlengd patroonmagazijn, en/of
- automatisch aanvalsgeweer (merk/type: Zastava, M70AB2), en/of
- pistoolmitrailleur (merk/type: MP38/40), en/of
- pistool (merk/type: ZASTAVA, M70), en/of
- piso(o)l(en) (merk/type: BLOW, TR34), zijnde een vuurwapen geschikt om automatisch te vuren en/of een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool voorhanden heeft gehad;
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Vrijspraak van het onder 2 tenlastegelegde

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van het onder 2 tenlastegelegde.
De raadsvrouw heeft verzocht de verdachte vrij te spreken van het onder 2 tenlastegelegde. Daartoe heeft zij – kort gezegd – aangevoerd dat er geen concreet verband valt te trekken tussen de verdachte en het wapen dat in de slaapkamer van zijn broer is gevonden, behalve dat er een video met soortgelijke wapens stond op een telefoon waarover de verdachte beschikte en een wapenkoffer in zijn kamer is aangetroffen. Uit het dossier blijkt niet dat de verdachte de video zelf heeft gemaakt, en op de video is geen persoon, noch zijn persoonskenmerken van de maker van de video te zien. Alleen met betrekking tot de video’s waarop de verdachte te zien is, bekent hij zijn betrokkenheid bij die wapens. Daarnaast is de enkele omstandigheid dat een wapenkoffer in de kamer van verdachte is aangetroffen, welke zou kunnen horen bij een soortgelijk wapen als het aangetroffen wapen in de kamer van zijn broer, onvoldoende om aan te nemen dat de verdachte zich ook bewust was van dat wapen in de kamer van zijn broer.
Het hof overweegt als volgt.
Op 27 maart 2025 vond er een doorzoeking plaats in de woning van de verdachte. Tijdens de doorzoeking werd onder het bed in de kamer van de broer van de verdachte een pistool van het merk Blow, type TR 34 en munitie aangetroffen. In de slaapkamer van de verdachte werd een koffer aangetroffen waarop “Glock” stond en een sticker met de tekst “Blow TR34 MattChrome”. In dat koffertje stond een websitelink en na een zoekslag werd op de website een wapen weergegeven dat naar uiterlijke kenmerken overeenkwam met het wapen dat in de kamer van de broer van de verdachte was aangetroffen. Er werden bij de verdachte meerdere telefoons in beslag genomen. Op een van de telefoons werd een video [1] aangetroffen waarin twee soortgelijke wapens in twee verschillende wapenkoffers te zien zijn, en dat een hand van een onbekend gebleven persoon, met een handschoen aan, de wapens aanraakt en vasthoudt.
Het hof is van oordeel dat deze omstandigheden weliswaar vragen oproepen, maar onvoldoende zijn om vast te stellen dat de verdachte ook zich bewust was van de aanwezigheid van dat wapen in de kamer van zijn broer. Op grond van het dossier kan niet worden bewezen dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking van de verdachte met zijn broer gericht op het voorhanden hebben van het wapen. Hierbij neemt het hof in aanmerking dat op basis van het filmpje niet kan worden geconcludeerd dat de persoon op het filmpje de verdachte is. Evenmin kan worden vastgesteld dat het wapen dat in de kamer van de broer is aangetroffen hetzelfde is als een van de wapens op het filmpje. In de kamer van de verdachte is weliswaar een koffer aangetroffen bestemd voor een (soortgelijk) vuurwapen, maar ook dit is onvoldoende om te concluderen dat de verdachte zich in zekere mate bewust was van de aanwezigheid van het wapen in de kamer van zijn broer, en daarover de feitelijke macht kon hebben. Dit alles in onderling verband bezien maakt dat in dit geval onvoldoende bewijs voorhanden is om tot een bewezenverklaring te komen.
Het hof is dan ook van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen de verdachte onder 2 is tenlastegelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1.
hij op 27 maart 2025 te Amsterdam, een wapen van categorie II, onder 2 van de Wet wapens en munitie, te weten een automatisch aanvalsgeweer, van het merk Zastava Arms, type M70AB2, kaliber 7,62 x 39mm, zijnde een vuurwapen geschikt om automatisch te vuren, en munitie van categorie III van de Wet Wapens en Munitie, te weten patronen van het kaliber 7,62x39 mm, 7,65 mm en 9x19 mm, voorhanden heeft gehad;
3.
hij in de periode van 1 februari 2025 tot en met 22 maart 2025 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, wapens van categorie II onder 2 en/of III onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten,
- pistool (merk/type: Glock 19 gen 5) met verlengd patroonmagazijn, en
- automatisch aanvalsgeweer (merk/type: Zastava, M70AB2), en
- pistoolmitrailleur (merk/type: MP38/40), en
- pistolen (merk/type: BLOW, TR34),
zijnde vuurwapens geschikt om automatisch te vuren en/of vuurwapens in de vorm van een geweer of pistool voorhanden heeft gehad.
Hetgeen onder 1 en 3 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 en 3 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II
en
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.
Het onder 3 bewezenverklaarde levert op:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II, meermalen gepleegd,
en
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 1 en 3 bewezenverklaarde uitsluit.

Oplegging van straf en maatregel

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een jeugddetentie van 13 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan 5 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Daarnaast heeft de rechtbank bijzondere voorwaarden gekoppeld aan het voorwaardelijke deel van de straf.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf en maatregel als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.
De raadsvrouw heeft het hof primair verzocht het voorwaardelijke deel van de opgelegde straf te verlagen naar 3 maanden, gelet op haar standpunt om de verdachte vrij te spreken van feit 2. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht de door de rechtbank opgelegde straf niet te overstijgen. De raadsvrouw heeft aangevoerd dat deze zaak grote indruk op de verdachte heeft gemaakt omdat hij 8 maanden vast heeft gezeten, en geconfronteerd is geweest met de consequenties van strafbaar handelen. Hij is gemotiveerd om het vanaf nu beter te doen. De verdachte gaat op zoek naar een baan en hoopt te starten met een sportopleiding. Hij wordt goed gesteund door zijn familie, die zelfs voornemens is om te verhuizen zodat de verdachte van sociaal milieu kan wisselen.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van meerdere wapens en munitie, waaronder een automatisch aanvalsgeweer en verschillende pistolen. Het hof acht het verontrustend dat de verdachte in een korte periode meerdere wapens in zijn bezit heeft gehad, hier filmpjes van maakte, en heeft verklaard dat hij met deze wapens poseerde om stoer te doen. Het ongecontroleerde bezit van vuurwapens levert een onaanvaardbaar veiligheidsrisico op en brengt in de samenleving heftige gevoelens van onveiligheid teweeg. Bovendien leert de ervaring dat het bezit van vuurwapens al te gemakkelijk leidt tot het gebruik ervan, al dan niet in het criminele circuit, met dikwijls ernstig lichamelijk letsel of de dood tot gevolg.
De verdachte was ten tijde van het plegen van de bewezenverklaarde feiten 19 jaar oud en dus meerderjarig. Ten aanzien van een jongvolwassen verdachte die ten tijde van het begaan van strafbare feit meerderjarig is, maar nog niet de leeftijd van 23 jaar heeft bereikt, kan het adolescentenstrafrecht worden toegepast indien omstandigheden gelegen in de persoon van de verdachte of omstandigheden waaronder het feit is begaan daartoe aanleiding geven. Uit de reclasseringsrapportage van 9 juni 2025 volgt dat de reclasseringswerker adviseert om toepassing te geven aan het jeugdstrafrecht, omdat de verdachte in zijn gedrag en denkwijze een jongere indruk maakt dan van zijn kalenderleeftijd wordt verwacht en beperkt weerbaar is. Volgens de reclassering schat de verdachte de risico’s van zijn handelen slecht in, organiseert hij zijn eigen gedrag onvoldoende, is hij impulsief en gemakkelijk beïnvloedbaar door vrienden.
Gelet hierop is het hof, met de rechtbank, van oordeel dat toepassing van het jeugdstrafrecht op zijn plaats is.
Op grond van de aard en de ernst van de feiten acht het hof een jeugddetentie van lange duur in beginsel passend en geboden. Daarnaast is de verdachte blijkens zijn strafblad van 20 november 2025 eerder voor soortgelijke feiten veroordeeld.
Uit het reclasseringsadvies van 9 juni 2025 komt naar voren – kort gezegd – dat de verdachte beïnvloed wordt door zijn woonomgeving, maar dat zijn gezin een positieve factor lijkt te zijn. De reclassering acht het positief dat de verdachte bereid is tot interventies gericht op gedragsverandering. De reclassering adviseert, bij een veroordeling, een deels voorwaardelijke straf met voorwaarden.
Ter terechtzitting in hoger beroep hebben de raadsvrouw en de verdachte de huidige persoonlijke omstandigheden van de verdachte toegelicht, welke omstandigheden het hof ook bij de straftoemeting betrekt. Zo heeft de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep te kennen gegeven inmiddels goed doordrongen te zijn van de ernst van de feiten omdat hij tijdens zijn detentie veel heeft kunnen nadenken en met zijn ouders heeft kunnen praten. De verdachte heeft verder verklaard dat hij afspraken heeft met zijn hulpverlener, die hem kan ondersteunen bij wat hij nodig heeft, dat hij graag een opleiding wil volgen en dat de bijzondere voorwaarden hem gaan helpen om op het juiste pad te blijven. Het hof ziet in het voorgaande aanleiding om een deel van de jeugddetentie voorwaardelijk op te leggen, met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd.
Het hof heeft oog voor de kennelijk positieve, maar nog wel prille, wending die de verdachte aan zijn leven lijkt te willen geven, en zal daarom afzien van het opleggen van een gevangenisstraf met een onvoorwaardelijk strafdeel dat langer duurt dan de tijd die de verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Het hof acht het onwenselijk dat de ingezette positieve ontwikkelingen in het leven van de verdachte worden doorkruist door strafoplegging die hernieuwde vrijheidsbeneming met zich brengt.
Het hof acht, alles afwegende, een jeugddetentie voor de duur van 341 dagen, waarvan 120 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en de bijzondere voorwaarden, duur passend en geboden.
Dadelijke uitvoerbaarheid
Het hof zal de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar verklaren. In het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting ziet het hof voldoende aanknopingspunten om vast te stellen dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Bovendien is het essentieel dat de verdachte ondersteund wordt bij de door hem ingezette positieve lijn en dat de verdachte, ook na het eventuele instellen van een rechtsmiddel, niet van behandeling en begeleiding verstoken blijft.

Beslag

Onder verdachte zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen en niet teruggegeven:
1. ZAK Munitie (G6638446);
2. 4 STK Munitie (G6638449);
3. 3 STK Munitie (G6638454);
4. 5 STK Munitie (G6638460);
5. 1 STK Koffer (G6638485);
6. 1 STK Wapen (G6638465);
7. 1 STK Telefoontoestel (G6638349);
8. 1 STK Telefoontoestel (G6638350);
9. 1 STK Telefoontoestel (G6638352);
10. 1 STK Wapen (G6638388);
11. 1 STK Munitie (G6636390);
12. 1 STK Tas (G6636569).
De rechtbank heeft beslist dat de wapens, de munitie, de tas en de koffer dienen te worden onttrokken aan het verkeer, en dat de telefoons verbeurd dienen te worden verklaard.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof omtrent het beslag beslist zoals de rechtbank dat heeft gedaan.
De raadsvrouw heeft ten aanzien van het beslag aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de telefoons verbeurd dienen te worden verklaard. Daartoe heeft zij aangevoerd dat de verdachte op een relatief klein aantal van alle foto’s en video’s met wapens stond en dat niet kan worden vastgesteld dat alle foto’s en video’s met wapens door de verdachte zelf zijn gemaakt.
Het hof overweegt als volgt.
Het bewezenverklaarde is begaan met behulp van twee van de in beslag genomen en nog niet teruggegeven telefoons, namelijk een iPhone 12 (G6638350) waarin verschillende video’s te zien zijn waarop de verdachte een vuurwapen vasthoudt, en een iPhone 12 (G6638352) met een filmpje waarop de verdachte drie keer een schot lost met een handvuurwapen. Het hof is van oordeel dat die filmpjes bevestigen dat de verdachte de wapens voorhanden heeft gehad en daarom worden die telefoons verbeurd verklaard. Het hof is voorts van oordeel dat de grijze sporttas (G6636569) waarin een wapen is aangetroffen ook dient te worden verbeurd verklaard.
De volgende onder de verdachte in beslag genomen goederen dienen tot het begaan van soortgelijke misdrijven en zijn van zodanige aard, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet. Het hof zal deze voorwerpen daarom onttrekken aan het verkeer:
  • 1 ZAK Munitie (G6638446);
  • 4 STK Munitie (G6638449);
  • 3 STK Munitie (G6638454);
  • 5 STK Munitie (G6638460);
  • 1 STK Koffer (G6638485);
  • 1 STK Wapen (G6638465);
  • 1 STK Wapen (G6638388);
  • 1 STK Munitie (G6636390).
Met betrekking tot het op de beslaglijst genoemde telefoontoestel (G6638349) overweegt het hof dat deze dient te worden teruggegeven aan de verdachte. Er staan weliswaar foto’s van wapens op, maar het hof kan op basis van het dossier niet vaststellen dat de verdachte deze foto’s zelf heeft gemaakt.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel is gegrond op de artikelen, 33, 33a, 36b, 36c, 36d, 57, 77c, 77f, 77g, 77h, 77i, 77x, 77y, 77z en 77aa van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Vordering tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 23 januari 2025 opgelegde voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 31 dagen met een proeftijd van 2 jaren. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting gevorderd dat het hof de vordering toewijst.
De raadsvrouw heeft het hof verzocht de vordering af te wijzen.
Het hof overweegt als volgt.
De verdachte heeft zich voor het einde van de proeftijd schuldig gemaakt aan meerdere strafbare feiten en daarmee de algemene voorwaarden overtreden. Voor de effectiviteit en de geloofwaardigheid van de regeling omtrent voorwaardelijke straffen en de daarbij behorende algemene voorwaarden, is het essentieel dat overtreding van deze voorwaarden niet vrijblijvend is en dat daaraan in beginsel gevolgen worden verbonden. In hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van de strafoplegging ziet het hof evenwel termen aanwezig om de proeftijd van de opgelegde voorwaardelijke jeugddetentie te verlengen met één jaar.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 3 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van
341 (driehonderdeenenveertig) dagen.
Bepaalt dat een gedeelte van de jeugddetentie, groot
120 (honderdtwintig) dagen,niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.
Stelt als bijzondere voorwaarden:
-
Meldplicht:
De veroordeelde meldt zich na uitnodiging van de reclassering bij Reclassering Nederland, [adres 2] . De veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt.
-
Ambulante behandeling:
De veroordeelde laat zich behandelen door de Waag, ambulante forensische geestelijke gezondheidszorg (ggz) of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling.
-
Begeleid wonen of maatschappelijke opvang:
Indien door de reclassering noodzakelijk geacht, verblijft de veroordeelde bij een instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld.
-
Locatiegebod (met elektronische monitoring):
De veroordeelde is op vooraf vastgestelde tijdstippen aanwezig op het verblijfadres. De reclassering stelt de precieze tijdstippen vast, in overleg met de veroordeelde en mede afhankelijk van de dagbesteding. Bij de start hoeft veroordeelde op doordeweekse dagen met dagbesteding een aaneengesloten blok van 12 uur niet op het verblijfadres te zijn. Op dagen zonder opleiding, (vrijwilligers)werk of behandeling is dat 2 uur. In de weekenden heeft de veroordeelde een aaneengesloten blok van 4 uur per dag vrij te besteden.
De veroordeelde werkt mee aan elektronische monitoring op dit locatiegebod. Het huidige verblijfadres is [adres 1] . Een ander adres voor het locatiegebod is alleen mogelijk als de reclassering daarvoor toestemming geeft. De veroordeelde gaat niet naar het buitenland zonder toestemming van de reclassering, omdat het voor de elektronische monitoring nodig is dat de veroordeelde in Nederland blijft. Het Openbaar Ministerie kan op verzoek van de reclassering de genoemde bloktijden veranderen of het locatiegebod laten vervallen. De aansluiting zal plaatsvinden op het opgegeven verblijfadres: [adres 1] .
-
Dagbesteding:
De veroordeelde spant zich in voor het vinden en behouden van een zinvolle dagbesteding in de vorm van werk en/of opleiding met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag.
Geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.
Beveelt dat de op grond van artikel 77za van het Wetboek van Strafrecht gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 77z van het Wetboek van Strafrecht uit te oefenen
toezicht dadelijkuitvoerbaar zijn.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Verklaart verbeurdde in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
1. STK Telefoontoestel (G6638352);
1. STK Telefoontoestel (G6638350);
1. STK Tas (G6636569).
Beveelt de
onttrekking aan het verkeervan de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
1. ZAK Munitie (G6638446);
4 STK Munitie (G6638449);
3 STK Munitie (G6638454);
5 STK Munitie (G6638460);
1. STK Koffer (G6638485);
1. STK Wapen (G6638465);
1. STK Wapen (G6638388);
1. STK Munitie (G6636390).
Gelast de
teruggaveaan de verdachte van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
1. STK Telefoontoestel (G6638349).
Verlengt de proeftijd als vermeld in het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 23 januari 2025 parketnummer 13-219672-24, met een termijn van 1 (één) jaar.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. C.P.E.M. Fonteijn-van der Meulen, mr. M. Iedema en mr. B. de Wilde, in tegenwoordigheid van mr. M.S. Fritsche, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 18 december 2025.
mrs. C.P.E.M. Fonteijn-van der Meulen en B. de Wilde zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
=========================================================================
[…]

Voetnoten

1.IMG_3039