ECLI:NL:GHAMS:2025:3664
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Toelating tot wettelijke schuldsaneringsregeling na bestendige keer ten goede
Appellant had bij de rechtbank Noord-Holland verzocht om toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling, maar dit verzoek werd afgewezen omdat appellant niet te goeder trouw zou zijn geweest bij het ontstaan van haar belastingschuld. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat zij eind 2024 haar onderneming heeft gestaakt, in loondienst is getreden en onder streng budgetbeheer staat, waardoor sprake is van een bestendige keer ten goede.
Het hof heeft vastgesteld dat appellant sinds mei 2024 actief heeft gewerkt aan het beëindigen van haar onderneming en het vinden van een baan in loondienst. Zij heeft een vast contract gekregen per 1 januari 2026 en verdient een brutosalaris van circa €3.800 per maand. Er zijn geen nieuwe schulden ontstaan en appellant toont gemotiveerde inzet om haar verplichtingen na te komen.
Op grond van deze feiten oordeelt het hof dat appellant de omstandigheden die tot haar schulden hebben geleid onder controle heeft gekregen en de verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling zal nakomen. Daarom wordt appellant alsnog toegelaten tot de schuldsaneringsregeling met een looptijd van achttien maanden vanaf de datum van het arrest. Het vonnis van de rechtbank wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor verdere afhandeling.
Uitkomst: Appellant wordt alsnog toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling met een looptijd van achttien maanden vanaf het arrest.