ECLI:NL:GHAMS:2025:3649
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bekrachtiging niet-ontvankelijkheid verzoek toelating wettelijke schuldsaneringsregeling wegens onvoldoende onderbouwde verklaring
Appellant verzocht om toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling, omdat zij de schulden voortvloeiend uit de huwelijksgemeenschap met haar ex-partner, die in Frankrijk gedetineerd is, niet volledig in kaart kon brengen. Zij stelde dat het onmogelijk was om een buitengerechtelijke schuldregeling aan te bieden vanwege de detentie en privacybeperkingen.
De rechtbank verklaarde appellant niet-ontvankelijk omdat zij geen poging had gedaan tot een buitengerechtelijke schuldregeling en de verklaring die dit onmogelijk zou maken onvoldoende was onderbouwd. Het hof bevestigt dit oordeel. Uit het dossier blijkt dat appellant en haar schuldhulpverleners onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt dat alle mogelijke middelen zijn ingezet om de schulden in kaart te brengen.
Het hof overweegt dat het ontbreken van contact met de ex-partner niet aannemelijk is, mede omdat er een ouderschapsplan is opgesteld en bezoeken plaatsvinden. Ook is niet gebleken dat consulaire bijstand is ingeroepen. De verklaring van 1 augustus 2025 voldoet niet aan de eisen van artikel 285 lid 1 sub a Fw Pro, en het verzoekschrift ontbeert een vereiste staat van baten en schulden. Daarom is de niet-ontvankelijkheid terecht en wordt het vonnis bekrachtigd.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis dat appellant niet-ontvankelijk is in haar verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling wegens onvoldoende onderbouwing.