ECLI:NL:GHAMS:2025:3645

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
9 januari 2026
Zaaknummer
200.353.087
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake incasso van facturen voor fiscale diensten en werkzaamheden als bestuurder

In deze zaak vordert [geintimeerde], een belasting- en advieskantoor, in kort geding betaling van facturen voor werkzaamheden die zij heeft verricht voor de appellanten, bestaande uit financiële holdings. De voorzieningenrechter heeft de vordering toegewezen, maar de appellanten zijn het daar niet mee eens en zijn in hoger beroep gegaan. De zaak betreft een geschil over de betaling van onbetaalde facturen en de rechtsgeldigheid van de ondertekening van schulderkenningen door de appellanten. De appellanten betogen dat er een finale regeling is getroffen, maar het hof oordeelt dat de vorderingen van [geintimeerde] voldoende aannemelijk zijn om toegewezen te worden in kort geding. Het hof vernietigt het bestreden vonnis en wijst de vorderingen van [geintimeerde] toe, met uitzondering van enkele onderdelen die onvoldoende zijn onderbouwd. De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij partijen ieder hun eigen kosten dragen.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.353.087/01
zaaknummer rechtbank Amsterdam : C/13/763463 KG ZA 25/70
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 16 december 2025
inzake

1.[appellant 1]

2.
[appellant 2]
3.
[appellant 3]
alle gevestigd te [plaats 1] ,
appellanten,
advocaat mr. R.C. de Mol te Arnhem,
tegen
[geintimeerde]
gevestigd te [plaats 2] ,
geïntimeerde,
advocaat mr. D.J. van Dongen te Amsterdam.
Partijen worden hierna [appellant 1] , [appellant 2] , [appellant 3] en [geintimeerde] genoemd. Appellanten tezamen worden aangeduid als [appellanten]

1.De zaak in het kort

[geintimeerde] vordert in kort geding betaling van werkzaamheden die zij voor [appellanten] heeft verricht. De voorzieningenrechter heeft de vordering toegewezen. [appellanten] zijn het niet daarmee eens. In hoger beroep worden zij gedeeltelijk in het gelijk gesteld.

2.Het geding in hoger beroep

[appellanten] zijn bij dagvaarding van 28 maart 2025 met daarin de grieven, met producties, in hoger beroep gekomen van een vonnis van 20 maart 2025 van de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam , onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [geintimeerde] als eiseres en [appellanten] als gedaagden.
[geintimeerde] heeft daarna een memorie van antwoord met producties ingediend.
Partijen hebben de zaak tijdens de mondelinge behandeling van 9 juli 2025 aan de hand van spreekaantekeningen laten toelichten door hun advocaten en (namens [appellanten] ) mr. S.S. van Dam, advocaat te Amsterdam , respectievelijk (namens [geintimeerde] ) mrs. S.F.T.C. van Veen en W.S. van Dijk, advocaten te Amsterdam . Voorafgaand aan de mondelinge behandeling hebben partijen producties in het geding gebracht.
Partijen hebben tevergeefs getracht tot een minnelijke regeling te komen. Ten slotte is arrest gevraagd.
[appellanten] hebben geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen, de vorderingen van [geintimeerde] zal afwijzen en – uitvoerbaar bij voorraad – [geintimeerde] zal veroordelen tot terugbetaling van hetgeen ter uitvoering van het bestreden vonnis is voldaan, met rente en beslissing over de proceskosten.
[geintimeerde] heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met – uitvoerbaar bij voorraad – beslissing over de proceskosten.

3.Feiten

Kort gezegd gaat het in deze zaak om het volgende. Voor zover relevant is hierbij rekening gehouden met grief 1, die zich richt tegen de feiten die de voorzieningenrechter tot uitgangspunt heeft genomen.
3.1.
[geintimeerde] is een belasting- en advieskantoor dat zich toelegt op de fiscale advisering van onder meer vermogende particulieren en internationale organisaties. [naam 1] (hierna: [naam 1] ) is een van de bestuurders van [geintimeerde] , die sinds 2017 diverse werkzaamheden voor [appellanten] verricht.
3.2.
[appellant 2] , [appellant 1] , en [appellant 3] zijn financiële holdings. [appellant 1] is enig aandeelhouder en bestuurder van [appellant 2] . In het verleden waren onder meer [naam 1] en [naam 2] (hierna: [naam 2] ) bestuurder van [appellant 2] .
Gezamenlijk bevoegd bestuurders van [appellant 1] zijn [naam 3] en [naam 1] . In het verleden waren onder meer [naam 4] (hierna: [naam 4] ) en [naam 2] bestuurder van [appellant 1] .
Van 20 april 2021 tot 4 oktober 2023 was [naam 5] (hierna: [naam 5] ) bestuurder van [appellant 1] en [appellant 2] , benoemd door de Ondernemingskamer van het Gerechtshof [plaats 1] (ECLI:NL:GHAMS:2021:1109).
Enig aandeelhouder van [appellant 3] is de op Malta gevestigde vennootschap [bedrijf 1] . In het verleden is [naam 1] enig aandeelhouder geweest. Onder meer [naam 1] en [naam 2] zijn in het verleden bestuurders van [appellant 3] geweest.
3.3.
In 2020 heeft de FIOD invallen gedaan bij onder meer [geintimeerde] . Deze invallen maakten deel uit van een financieel-strafrechtelijk onderzoek door het Department of Justice in de Verenigde Staten (DOJ) naar een omvangrijke truststructuur in de Verenigde Staten. In dat kader hebben in 2020 ook invallen plaatsgevonden in Engeland en in Zwitserland door de aldaar bevoegde autoriteiten bij onder meer de toenmalige uiteindelijk aandeelhouder van [appellanten] , de Zwitserse Salamander Group. Het onderzoek van het DOJ ziet onder meer op de vraag wie de
ultimate beneficial owner(s) van de truststructuur is/zijn en of juiste belastingaangiften zijn ingediend in de Verenigde Staten vanaf 2003. Het gaat potentieel om een fiscale vordering van ongeveer USD 200 miljoen.
3.4.
In twee vrijwel gelijkluidende “
Engagement Letters” (hierna: de Overeenkomsten), met bijlagen, van 1 december 2020, geadresseerd aan [appellant 2] respectievelijk [appellant 3] , staat onder meer:
“ [geintimeerde] (…) offers to render services (…) in the field of (Dutch) taxation, legal and other matters to [appellant 2][opmerking hof: in de Overeenkomst met [appellant 3] steeds [appellant 3] in plaats van [appellant 2] ]
and its affiliated companies or any other Company held by the same Ultimate Beneficial Owner (…).
Scope of services
The services that will be rendered by [geintimeerde] are related to general tax advice.
This Engagement Agreement will cover all (pre-)agreed as well as future services to be provided by [geintimeerde] to [appellant 2] .
The team that will be rendering services on behalf of [geintimeerde] is currently led by [naam 1] , who will be the engagement partner responsible for the services we are to render to you.
(…)
Fees
(…)
The Principal further undertakes to fully indemnify the Contractor for any legal and/or other expenses incurred or to be incurred as a result of Consultant being required by private third parties, governmental agencies or bodies, or courts to participate in any manner in proceedings or actions due to Consultant performing activities for the Company or any Group Company or other Company held by the same Ultimate Beneficial Owner, or due to the fact that Consultant is or was engaged as a Consultant to the Company or any Group Company or any other Company held by the same Ultimate Beneficial Owner.”
3.5.1.
Bij e-mailbericht van 6 oktober 2022 heeft [naam 5] (de door de OK benoemde bestuurder van [appellant 1] en [appellant 2] ) aan [geintimeerde] geschreven:
“Zodra [appellant 2] en [appellant 2] de gecorrigeerde facturen hebben ontvangen, kan de eindrekening worden opgemaakt en tot betaling worden overgegaan.”
3.5.2.
Bij e-mailbericht van dezelfde dag heeft [geintimeerde] ( [naam 4] ) onder meer aan [naam 5] geschreven:

Bijgaand treft u aan de aangepaste facturen en beantwoording van uw laatste vragen.
Mocht dit naar uw tevredenheid zijn dan hebben aan al uw voorwaarden voldaan en wij zien niet waarom deze facturen niet per omgaande betaald zullen worden.”
(…)
Mocht u dit met ons eens zijn dan zullen wij geen verder akties ondernemen en wij erkennen dat wij voor het overige geen aanspraak meer hebben tegen [appellant 2] en [appellant 1] .”
3.6.1.
Bij brief van 13 september 2023, getekend door [naam 2] , heeft [appellant 3] aan [geintimeerde] geschreven, voor zover relevant:
“Subject: Acknowledgement of Debt
Referring to our engagement letter dated December 1, 2020, we at [appellant 3] BV formally acknowledge that we owe [geintimeerde] the sum of € 282,863.58. This figure represents the amount due for service provided to us in respect of the aforementioned engagement.
We further acknowledge that until the owed sum is paid in full, an annual interest of 6% is being accrued on the outstanding amount, starting from September 1, 2022.
(…)”
3.6.2.
Er is een op dezelfde datum gedateerde schulderkenning van [appellant 2] aan [geintimeerde] met dezelfde tekst, voor een bedrag van € 186.556,18 (met eveneens 6% rente). Dit stuk is ondertekend door “
[naam 6] For and on behalf of the director [bedrijf 2]”.
De onder 3.6.1. en 3.6.2. bedoelde stukken worden tezamen ook aangeduid als ‘de schulderkenningen’.
3.7.
In 2024 heeft [bedrijf 3] (hierna: [bedrijf 3] ), betalingen gedaan aan [geintimeerde] . De laatste betaling was op 16 mei 2024, toen [bedrijf 3] € 753.549,78 heeft overgemaakt aan [geintimeerde] voor zes facturen. Daaronder bevond zich een aan [appellant 2] gerichte factuur van 15 november 2021 (nr. 20210151). De andere facturen waren gericht aan [appellant 2] Ltd.
3.8.
Er is een op 16 mei 2024 gedateerde ‘
indictment’ (tenlastelegging), uitgebracht door het DOJ tegen [X] en zijn echtgenote wegens verdenking van, kort gezegd, valsheid in geschrift en belastingontduiking. Daarin wordt als “
Co-Conspirator 2” vermeld:
“[X]’s financial advisor, a Dutch national”. Hiermee wordt gedoeld op [naam 1] .
3.9.
In de periode van november 2024 tot en met januari 2025 heeft [geintimeerde] [appellanten] gesommeerd om facturen die zij in de periode vanaf juli 2024 heeft verzonden te voldoen. Aan deze sommaties is niet voldaan.

4.Beoordeling

4.1.
Voor zover van belang in hoger beroep strekken de vorderingen van [geintimeerde] ertoe dat [appellanten] hoofdelijk zullen worden veroordeeld tot betaling van de onbetaald gelaten facturen voor werkzaamheden die [geintimeerde] heeft verricht voor [appellanten] en voor kosten die [geintimeerde] heeft voorgeschoten waarvoor [appellanten] een vrijwaring heeft gegeven, met rente. Het gaat om:
aan [appellant 2] gefactureerde werkzaamheden in verband met het DOJ-onderzoek, zowel verricht door [geintimeerde] als door haar ingeschakelde derden;
aan [appellant 1] gefactureerde ‘
director fees’;
aan [appellant 3] gefactureerde werkzaamheden met betrekking tot de
‘Spanish structure’;
rente op basis van de schulderkenningen.
4.2.
De voorzieningenrechter heeft deze vorderingen toegewezen. De grieven van [appellanten] richten zich tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering. De door de voorzieningenrechter afgewezen vorderingen tot betaling van voorschotten zijn in hoger beroep niet meer aan de orde.
4.3.1.
In reactie op grief 3 waarin [appellanten] betogen dat de ondertekenaars van de schulderkenningen niet vertegenwoordigingsbevoegd waren, voert [geintimeerde] aan dat de advocaat van [appellanten] , in ieder geval [appellant 2] en [appellant 1] , niet beschikte over een toereikende volmacht om hoger beroep in te stellen omdat hij geen rechtsgeldige opdracht daartoe kan hebben gekregen en hij daarvóór zelfs al uitdrukkelijk op zijn onbevoegdheid was gewezen door [geintimeerde] .
4.3.2.
Als uitgangspunt geldt dat de advocaat van [appellanten] wordt geacht op te treden krachtens een daartoe strekkende volmacht van [appellanten] (verg. art. 80, lid 3, Rv). [geintimeerde] concretiseert niet waarom geen rechtsgeldige opdracht voor het instellen van hoger beroep kan zijn verstrekt. Zij verwijst naar e-mailberichten waarin zij dat kennelijk aan de advocaat van [appellanten] heeft laten weten maar die zij niet als producties in het geding heeft gebracht. Voorts kan uit het feit dat [appellanten] door hun bestuurder zijn vertegenwoordigd bij de mondelinge behandeling in hoger beroep worden afgeleid dat [appellanten] voor zover nodig het instellen van hoger beroep hebben bekrachtigd.
4.4.
De vorderingen van [geintimeerde] strekken tot een voorziening in kort geding, bestaande in veroordeling tot betaling van een geldsom. In wezen strekt de gevorderde voorziening ertoe betaling te verkrijgen zonder dat omtrent de rechtspositie van partijen ten gronde een uitspraak is gedaan. Het treffen van een dergelijke voorziening brengt het risico met zich dat van het toegewezen bedrag geen restitutie meer zal kunnen worden verkregen indien in een bodemprocedure anders wordt beslist. Daarom is met betrekking tot een dergelijke voorziening terughoudendheid op zijn plaats en moeten dienaangaande naar behoren feiten en omstandigheden worden aangewezen die meebrengen dat een zodanige voorziening uit hoofde van onverwijlde spoed geboden is.
4.5.1.
[appellanten] betogen in het kader van grief 1 en met grief 4 dat [geintimeerde] en [naam 5] op 6 oktober 2022 een finale regeling zijn overeengekomen en dat daarna geen nieuwe overeenkomst is gesloten. Zij menen dat zij daarom over de werkzaamheden die [geintimeerde] in de daarna gelegen periode heeft verricht niets verschuldigd zijn en dat zij evenmin gehouden zijn de rente op grond van de schulderkenningen te voldoen.
4.5.2.
Volgens [geintimeerde] ziet de met [naam 5] overeengekomen ‘eindafrekening’ enkel op een betalingsdispuut over drie specifieke facturen en houdt deze geen beëindiging van de contractuele relatie van partijen in. De door [appellant 2] c,s, gestelde finale regeling staat voorts haaks op het feit dat [geintimeerde] daarna nog met kennelijke instemming van [appellanten] werkzaamheden voor hen is blijven uitvoeren voor [appellanten] en daarvoor is betaald, terwijl zij de na 2022 uitgevoerde werkzaamheden op uitdrukkelijk verzoek daartoe van [appellanten] vanwege gebrek aan liquiditeit, pas in rekening heeft gebracht in de facturen van 29 oktober 2024. [geintimeerde] wijst voorts erop dat [naam 1] op 30 november 2023 is aangetreden als bestuurder van [appellant 1] en dat nog steeds is.
4.5.3.
Beslechting van dit geschilpunt vergt nader onderzoek naar onder meer de vraag of de Overeenkomsten met de in oktober 2022 gemaakte afspraken zijn beëindigd of voortgezet, al dan niet onder gewijzigde voorwaarden. Daarvoor is geen plaats in dit kort geding. Naast de vraag of de aanstelling van [naam 1] als bestuurder van [appellant 1] voortvloeit uit de Overeenkomsten of is gegrond op een andere afspraak, zijn er onvoldoende aanknopingspunten dat partijen, zoals [geintimeerde] stelt, een vergoeding daarvoor van € 8.000 ex btw per maand hebben afgesproken. Dit een en ander leidt reeds ertoe dat de vordering met betrekking tot de hiervoor onder 1. en 2. bedoelde facturen onvoldoende aannemelijk is om toewijsbaar te zijn in kort geding.
4.6.
De hiervoor onder 3. bedoelde facturen met betrekking tot de ‘
Spanish structure’zien op werkzaamheden voor [appellant 3] en haar dochterondernemingen die volgens [geintimeerde] zijn verricht uit hoofde van de Overeenkomst met [appellant 3] . Het gaat om de facturen 20240112 d.d. 12 juli 2024 van € 145.200,- (incl. btw) en 20250030, d.d. 21 februari 2025 van
€ 36.300,-. Niet blijkt dat de door [appellanten] gestelde finale regeling in oktober 2022 van de Overeenkomsten door [naam 5] , die bestuurder van [appellant 2] en [appellant 1] was, ook deze Overeenkomst raakt. [geintimeerde] heeft voldoende toegelicht wat deze werkzaamheden inhouden. [appellanten] betwisten niet dat deze werkzaamheden zijn uitgevoerd en dat [appellant 3] voor dergelijke werkzaamheden heeft betaald in 2021 tot en met 2023. Zij voert verder een onvoldoende gemotiveerd verweer met haar betoog dat het te onduidelijk is wat deze werkzaamheden inhouden en dat deze mogelijk verband houden met het DOJ-onderzoek waarin [naam 1] verdachte is. In zoverre is de vordering van [geintimeerde] voldoende aannemelijk gemaakt om te kunnen worden toegewezen in kort geding.
4.7.1.
Dat geldt ook voor de hiervoor onder 4. bedoelde schulderkenningen ten aanzien van [appellant 3] . [appellanten] werken hun met grief 3 gevoerde betoog dat zij niet gebonden zijn aan de schulderkenningen omdat zij daarbij niet bevoegd werden vertegenwoordigd niet uit ten aanzien van de schulderkenning van [appellant 3] . De vordering met betrekking tot factuur 20240172, d.d. 29 oktober 2024 van € 23.102,62 die ziet op de in de schulderkenning van [appellant 3] genoemde renteverplichting is voldoende aannemelijk gemaakt om te kunnen worden toegewezen in kort geding.
4.7.2.
[appellanten] stellen dat de ondertekenaar van de schulderkenning van [appellant 2] , de heer [naam 7] (hierna: [naam 7] ), over wie door [appellanten] wordt gesteld dat hij geen bestuurder van [appellant 2] was en die de schulderkenning heeft getekend “
on behalf of the director [bedrijf 2]” – moet hebben beseft dat hij [appellant 2] niet kon vertegenwoordigen. [geintimeerde] voert geen feiten en omstandigheden aan waaruit volgt dat [naam 7] wel bevoegd was namens [appellant 2] de schulderkenning te ondertekenen of [geintimeerde] daarop mocht vertrouwen. Daarmee is dit onderdeel van de vordering onvoldoende aannemelijk om toewijsbaar te zijn in kort geding.
4.8.
De slotsom luidt dat de vordering jegens [appellant 3] met betrekking tot de hiervoor onder 3. bedoelde facturen en de onder 4. bedoelde schulderkenning van [appellant 3] voldoende aannemelijk is gemaakt door [geintimeerde] om te kunnen worden toegewezen in kort geding. Deze vorderingen zijn alleen jegens [appellant 3] ingesteld. Onvoldoende betwist is dat ten aanzien van deze vordering van [geintimeerde] op [appellant 3] een onmiddellijke voorziening vereist is. Het belang van [geintimeerde] bij de gevraagde voorziening weegt zwaarder dan het belang van [appellant 3] bij afwijzing daarvan. Daarbij weegt mee dat niet althans onvoldoende is gebleken van een dermate groot restitutierisico dat de weegschaal daardoor omslaat in het voordeel van [appellant 3] .
4.9.
Het bestreden vonnis kan niet volledig in stand blijven. Om praktische redenen zal het bestreden vonnis geheel worden vernietigd en zal het dictum opnieuw worden geformuleerd overeenkomstig de hieraan voorafgaande beoordeling. Bij verdere bespreking van de grieven bestaat geen belang. Voorts is de vordering van [appellanten] tot veroordeling van [geintimeerde] om al hetgeen [appellanten] ter uitvoering van het bestreden vonnis aan hen hebben voldaan terug te betalen is toewijsbaar ten aanzien van [appellant 2] en [appellant 1] . Omdat [geintimeerde] enerzijds en [appellanten] anderzijds, die door dezelfde advocaat zijn vertegenwoordigd en grotendeels dezelfde standpunten naar voren hebben gebracht, over en weer op punten in het ongelijk zijn gesteld, zullen de proceskosten in beide instanties worden gecompenseerd.

5.Beslissing

Het hof:
vernietigt het bestreden vonnis;
veroordeelt [appellant 3] om aan [geintimeerde] te betalen een bedrag van € 204.602,62, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente:
1. vanaf 18 juli 2024 over € 145.200,- (factuur 20240112 van 12 juli 2024);
2. vanaf 27 februari 2025 over € 36.300,- (factuur 20250030 van 21 februari 2025);
3. vanaf 4 november 2024 over € 23.102,62 (factuur 20240172 van 29 oktober
2024);
veroordeelt [geintimeerde] om al hetgeen [appellant 2] en [appellant 1] ter uitvoering van het bestreden vonnis aan [geintimeerde] hebben voldaan aan [appellant 2] en [appellant 1] terug te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente over het betaalde vanaf de dag van betaling;
compenseert de proceskosten in beide instanties in de zin dat partijen ieder hun eigen kosten dragen;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit arrest is gewezen door mrs. L. Alwin, J.M. van den Berg en T.M. Snoep en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 16 december 2025.