ECLI:NL:GHAMS:2025:3638

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
24 december 2025
Publicatiedatum
7 januari 2026
Zaaknummer
23-000570-24
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Poging tot zware mishandeling en poging tot doodslag met vuurwapen, medeplegen van wapen- en munitiehandel

In deze zaak heeft het gerechtshof Amsterdam op 24 december 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank Amsterdam. De verdachte is beschuldigd van meerdere strafbare feiten, waaronder poging tot doodslag en zware mishandeling. De feiten vonden plaats op 24 juni 2023 te Amsterdam, waar de verdachte een vrouw bij haar keel vastpakte en haar tegen een fietsenrek duwde, wat leidde tot een poging tot zware mishandeling. Tevens heeft de verdachte met een vuurwapen geschoten in de richting van een omstander die te hulp schoot, wat resulteerde in de beschuldiging van poging tot doodslag. De verdachte is ook aangeklaagd voor het medeplegen van wapen- en munitiehandel. Tijdens de rechtszaak werd vastgesteld dat de verdachte lijdt aan een antisociale persoonlijkheidsstoornis, wat zijn toerekeningsvatbaarheid beïnvloedde. Het hof oordeelde dat de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar was voor de poging tot zware mishandeling en doodslag, maar dat de feiten wettig en overtuigend bewezen waren. De rechtbank had eerder een gevangenisstraf van vier jaar opgelegd, maar het hof verhoogde de straf tot vijf jaar en twee maanden, rekening houdend met de overschrijding van de redelijke termijn in de procedure. Daarnaast werd een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd, gezien het risico op recidive en de noodzaak van toezicht op de verdachte. De vordering van de benadeelde partij werd gedeeltelijk toegewezen, waarbij de verdachte werd veroordeeld tot schadevergoeding voor immateriële schade.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000570-24
datum uitspraak: 24 december 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 27 februari 2024 in de strafzaak onder parketnummer 13-165875-23 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2002,
thans gedetineerd in [detentieadres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 10 december 2025 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte en het openbaar ministerie hebben hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman en de gemachtigde van de benadeelde partij naar voren hebben gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 24 juni 2023 te Amsterdam , in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [benadeelde partij] opzettelijk van het leven te beroven, met dat opzet meerdere malen, althans eenmaal
- met een vuurwapen meerdere kogels op en/of in de richting van en/of nabij die [benadeelde partij] heeft afgevuurd,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2. primair
hij op of omstreeks 24 juni 2023 te Amsterdam , in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven te beroven, met dat opzet meerdere malen, althans eenmaal
- [slachtoffer 2] (met kracht) met beide handen in de richting en/of tegen een (fietsen)rek heeft geduwd en/of
- ( vervolgens) [slachtoffer 2] bij haar keel heeft vastgepakt en/of zijn (beide) hand(en) om/tegen de keel van [slachtoffer 2] heeft gedaan/gelegd en/of (vervolgens) (terwijl hij, verdachte, over [slachtoffer 2] heen boog) de keel van [slachtoffer 2] (met kracht) heeft dichtgeknepen en/of dichtgeknepen heeft gehouden,
ten gevolge waarvan [slachtoffer 2] door haar knieën zakte en/of naar adem hapte, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2. subsidiair
hij op of omstreeks 24 juni 2023 te Amsterdam , in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met dat opzet meerdere malen, althans eenmaal
- [slachtoffer 2] (met kracht) met beide handen in de richting en/of tegen een (fietsen)rek heeft geduwd en/of
- ( vervolgens) [slachtoffer 2] bij haar keel heeft vastgepakt en/of zijn (beide) hand(en) om/tegen de keel van [slachtoffer 2] heeft gedaan/gelegd en/of (vervolgens) (terwijl hij, verdachte, over [slachtoffer 2] heen boog) de keel van [slachtoffer 2] (met kracht) heeft dichtgeknepen en/of dichtgeknepen heeft gehouden,
ten gevolge waarvan [slachtoffer 2] door haar knieën zakte en/of naar adem hapte, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid
2. meer subsidiair
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 24 juni 2023 te Amsterdam , in elk geval in Nederland, [slachtoffer 1] heeft mishandeld door die [slachtoffer 1] meerdere malen, althans eenmaal
- ( met kracht) met beide handen in de richting en/of tegen een (fietsen)rek te duwen, en/of
- ( vervolgens) bij haar keel vast te pakken en/of zijn (beide) hand(en) om/tegen de keel van [slachtoffer 2] te doen/leggen en/of (vervolgens) (terwijl hij, verdachte, over [slachtoffer 2] heen boog) de keel van [slachtoffer 2] (met kracht) dicht te knijpen en/of dichtgeknepen te houden,
ten gevolge waarvan [slachtoffer 2] door haar knieën zakte en/of naar adem hapte;
3.
hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 11 juli 2023 tot en met 17 juli 2023 te Amsterdam , althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, zonder erkenning (telkens) een of meerdere (vuur)wapens van categorie II en/of categorie III en/of munitie van categorie II en/of categorie III, heeft vervaardigd en/of heeft getransformeerd en/of in de uitoefening van een bedrijf heeft uitgewisseld en/of heeft verhuurd en/of anderszins ter beschikking heeft gesteld en/of heeft hersteld en/of heeft beproefd en/of heeft verhandeld en/of heeft onderhandeld over de transacties voor de aankoop, verkoop of levering van wapens of munitie en/of de transacties voor de aankoop, verkoop of levering van wapens of munitie heeft geregeld, van welk feit verdachte een beroep of gewoonte heeft gemaakt;
4.
hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 11 juli 2023 tot en met 17 juli 2023 te Amsterdam , in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een wapen van categorie II en/of III, onder 1 en/of onder 2 van de Wet wapens en munitie, te weten een of meer (omgebouwde) ((door)geladen) (automatische) vuurwapens van het merk/type/kaliber,
- BBM Mini GAP
- Blow mini 9 (4 stuks)
- Blow TR 17K (2 stuks) en Blow TR92K (2 stuks)
- Blow P29
- Blow TR14D
- Blow TR92K
- Blow TR34
- Ceonic P320
- Taurus PT92
- Umarex Glock 17 gen 5
- Glock 19 gen 5 (2 stuks)
- Glock 17 gen 4
- Grand Power K100
- BBM Olympic 38
- Skorpion Zastava M84 (pistoolmitrailleur)
- Zastava M1983/1989
en/of munitie van categorie II en/of III van de Wet Wapens en Munitie, te weten een of meerdere patro(o)n(en) van het kaliber/merk/type,
- 9 x19mm GECO Hexagoon
- .40 S&W GFL Volmantel vlakneus
- .22 long rifle randvuur
zijnde, een vuurwapen geschikt om automatisch te vuren en/of een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool en/of munitie voorhanden heeft gehad;
5.
hij op of omstreeks 17 juli 2023 te Amsterdam , in elk geval in Nederland, een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een (omgebouwd) (geladen) revolver, van het merk BBM (Bruni Bruno Milano), model Olympic 38, kaliber .22 knal omgebouwd naar .22 Long Rifle en/of munitie van categorie III van de Wet Wapens en Munitie, te weten een of meerdere patro(o)n(en) (7 stuks en/of 64 stuks) van het kaliber .22 Long Rifle (merk: Federal), zijnde (een) (vuur)wapen in de vorm van een revolver en/of munitie voorhanden heeft gehad.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde en een andere strafoplegging komt dan de rechtbank.

Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 2 primair is tenlastegelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

Bewijsoverwegingen ten aanzien van het onder 1 en 2 subsidiair tenlastegelegde

De raadsman heeft gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 en onder 2 primair, subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde. Niet kan worden bewezen dat een aanmerkelijke kans op de dood van [benadeelde partij] bestond, laat staan dat de verdachte zich van die kans bewust is geweest en deze heeft aanvaard. De verklaringen van de aangever [benadeelde partij] zijn onbetrouwbaar. Ook is niet gebleken van enig risico op zwaar lichamelijk letsel van [slachtoffer 2] , noch dat zij door haar knieën zakte en/of naar adem hapte, of dat sprake was van letsel dan wel pijn.
Het hof overweegt als volgt.
De verdachte heeft op 24 juni 2023 het metrostation [plaats 2] verlaten, gevolgd door [slachtoffer 2] . De verdachte was naar eigen zeggen geïrriteerd door [slachtoffer 2] en wilde niet bij haar zijn. Zijn irritatie heeft zich nabij de toegangspoorten van het metrostation geuit in het vastpakken van [slachtoffer 2] .
Uit het dossier volgt dat de verdachte [slachtoffer 2] bij haar keel heeft vastgepakt en haar tegen het fietsenrek heeft geduwd. De verdachte heeft verklaard dat hij wel begrijpt dat ooggetuigen het vastpakken van [slachtoffer 1] hals hebben geïnterpreteerd als een wurging. Die verklaring komt overeen met de verklaringen van [benadeelde partij] en [getuige 1] over het agressieve handelen van de verdachte, namelijk dat de verdachte [slachtoffer 2] met zijn handen wurgde terwijl zij met haar rug tegen het fietsenrek werd geduwd en niet verder naar achteren kon bewegen. [benadeelde partij] heeft verklaard dat [slachtoffer 2] bij het wurgen door haar knieën ging, naar ademt hapte en leek te bezwijken. Hij dacht dat [slachtoffer 2] haar bewustzijn zou gaan verliezen. Het hof ziet geen enkele aanleiding om de verklaring van [benadeelde partij] als onbetrouwbaar aan te merken en zal deze als bewijsmiddel gebruiken. Dat de camerabeelden de verklaring van [benadeelde partij] niet geheel ondersteunen, doet aan de betrouwbaarheid van die verklaring niet af. De verdachte en [slachtoffer 2] stonden immers voor een deel uit beeld.
Voor zover de verdediging heeft betoogd dat het vasthouden van de hals van [slachtoffer 2] maximaal acht seconden heeft geduurd – omdat [benadeelde partij] tussenbeide kwam – en daarom geen sprake kan zijn van een poging tot zware mishandeling, oordeelt het hof dat ook het (met kracht) dichtknijpen van de keel in een relatief korte tijd zwaar lichamelijk letsel tot gevolg kan hebben. Het is immers van algemene bekendheid dat de keel een kwetsbaar onderdeel van het lichaam is, waarin zich onder andere de luchtpijp, het strottenhoofd en de halsslagader bevinden. Ook het dichtknijpen van de keel gedurende enkele seconden kan leiden tot een zuurstofgebrek, wat kan leiden tot hersenletsel. Bovendien is op grond van de verklaringen van [benadeelde partij] en [getuige 1] vast te stellen dat [slachtoffer 2] niet in staat was zich van de verdachte los te maken, nu zij als het ware was ingesloten tussen de verdachte en het fietsenrek, terwijl de verdachte haar stevig vasthield. Niet is gebleken dat de verdachte op enig moment voornemens was [slachtoffer 2] los te laten en de wurging te stoppen. De situatie was dermate alarmerend, dat [benadeelde partij] zich genoodzaakt zag om onmiddellijk en krachtdadig in te grijpen. De wurging van [slachtoffer 2] is enkel ten einde gekomen doordat [benadeelde partij] de verdachte van haar aftrok. Het hof meent dan ook dat een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer 2] aanwezig was.
De bewezen verklaarde gedragingen zijn naar de uiterlijke verschijningsvorm zo zeer gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het intreden van dat gevolg ook heeft aanvaard. Van contra-indicaties daarvoor is het hof niet gebleken; integendeel, de verdachte liet de keel van [slachtoffer 2] pas los toen hij door [benadeelde partij] van haar af werd getrokken. De onder 2 subsidiair tenlastegelegde poging tot zware mishandeling is daarmee wettig en overtuigend bewezen.
Nadat [benadeelde partij] de verdachte van [slachtoffer 2] had afgetrokken, heeft de verdachte een vuurwapen getrokken en tweemaal in de richting van [benadeelde partij] geschoten. De verdachte heeft verklaard dat hij ‘naar links’ richting de grond heeft geschoten, zodat hij geen personen zou raken. Het hof schuift dit door de verdachte geschetste alternatieve scenario terzijde nu dit volstrekt niet aannemelijk is geworden en op onderdelen wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen. [benadeelde partij] heeft verklaard dat de verdachte het wapen op hem richtte. De getuige [getuige 2] heeft verklaard dat de verdachte in de richting van de ingang van de metro schoot. Dat komt overeen met de locaties van de aangetroffen kogels. Op ter terechtzitting in hoger beroep besproken foto’s in het dossier is immers te zien dat twee kogels zijn aangetroffen nabij het metrostation, waarvan één zelfs direct naast een glazen pui. Dat de verdachte naar links, dus van het metrostation af, zou hebben geschoten is gelet hierop niet aannemelijk. Daarnaast is het ongeloofwaardig dat de verdachte gedurende de onverwachte en kortdurende worsteling met [benadeelde partij] de tijd en het overzicht heeft gehad om – zoals de verdachte beweert – op dat moment zijn omgeving te verkennen en in een richting te schieten waar zich geen personen bevonden. Die bewering strookt ook niet met de verklaring van de verdachte dat hij schoot om [benadeelde partij] af te schrikken, omdat de verdachte niet wist wat [benadeelde partij] intentie was en bang was dat [benadeelde partij] hem misschien wel wilde doden. Het is volstrekt onwaarschijnlijk dat de verdachte in die veronderstelling naar links keek en in die richting schoot, terwijl hij daardoor het zicht op zijn vermeende aanvaller zou verliezen.
Het hof oordeelt dat sprake was van voorwaardelijk opzet op de dood van [benadeelde partij] . De verdachte heeft immers van een korte afstand met een vuurwapen tweemaal in de richting van [benadeelde partij] geschoten, waardoor een aanmerkelijke kans op zijn dood bestond. De verdachte heeft deze kans bewust aanvaard door als ongeoefende schutter, op korte afstand en tweemaal in [benadeelde partij] richting te schieten. Het hof neemt voorwaardelijk opzet op de dood van [benadeelde partij] aan, temeer nu eventuele aanwijzingen voor het tegendeel ontbreken. Het onder 1 tenlastegelegde is daarom wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 subsidiair, 3, 4 en 5 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1.
hij op 24 juni 2023 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [benadeelde partij] opzettelijk van het leven te beroven, met dat opzet met een vuurwapen meerdere kogels in de richting van [benadeelde partij] heeft afgevuurd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2. subsidiair
hij op 24 juni 2023 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met dat opzet
- [slachtoffer 2] met kracht met beide handen in de richting en tegen een fietsenrek heeft geduwd en
- vervolgens [slachtoffer 2] bij haar keel heeft vastgepakt en zijn handen om/tegen de keel van [slachtoffer 2] heeft gelegd en vervolgens terwijl hij, verdachte, over [slachtoffer 2] heen boog de keel van [slachtoffer 2] heeft dichtgeknepen en dichtgeknepen heeft gehouden, ten gevolge waarvan [slachtoffer 2] door haar knieën zakte en naar adem hapte, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
3.
hij in de periode van 11 juli 2023 tot en met 17 juli 2023 te Amsterdam meermalen tezamen en in vereniging met een ander zonder erkenning heeft onderhandeld over de transacties voor de aankoop, verkoop of levering van wapens van categorie III en munitie van categorie III en de transacties voor de aankoop, verkoop of levering van wapens van categorie III en munitie van categorie III heeft geregeld;
4.
hij in de periode van 11 juli 2023 tot en met 17 juli 2023 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten omgebouwde vuurwapens van het merk/type/kaliber Blow mini 9, 4 stuks, en munitie van categorie III van de Wet Wapens en Munitie, te weten patronen van het kaliber/merk/type 9x19mm GECO Hexagoon en .40 S&W GFL Volmantel vlakneus, zijnde vuurwapens in de vorm van een pistool en munitie voorhanden heeft gehad;
5.
hij op 17 juli 2023 te Amsterdam een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een omgebouwde geladen revolver, van het merk BBM (Bruni Bruno Milano), model Olympic 38, kaliber .22 knal omgebouwd naar .22 Long Rifle en munitie van categorie III van de Wet Wapens en Munitie, te weten patronen, 7 stuks en 64 stuks, van het kaliber .22 Long Rifle, merk: Federal, zijnde een vuurwapen in de vorm van een revolver en munitie voorhanden heeft gehad.
Hetgeen onder 1, 2, 3, 4 en 5 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen [1]
Ten aanzien van het onder 1 en 2 subsidiair tenlastegelegde
1. De verklaring van de verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van 13 februari 2024.
Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
[benadeelde partij] gooide mij op 24 juni 2023 te Amsterdam op de grond en ik heb toen geschoten. [benadeelde partij] was op dat moment bij mij in de buurt. Het klopt dat het wapen dat ik bij mij had een revolver was. Nadat ik was gevallen, ben ik opgestaan en heb ik twee keer geschoten. Het klopt dat ik rechtshandig ben. Ik heb met links geschoten. Ik was geïrriteerd op mijn vriendin, [slachtoffer 1] . Ik begrijp wel dat [benadeelde partij] het idee had dat ik haar wurgde. Het klopt dat ik mijn handen bij haar keel had. Het was mijn fout om haar op die manier, met mijn handen om haar nek, uit te leggen dat ik niet bij haar wilde zijn.
2. Een proces-verbaal van aangifte van 25 juni 2023 [doorgenummerde pagina’s Z17 tot en met Z19].
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als
verklaring van de aangever [benadeelde partij]:
Op 24 juni 2023 bevond ik mij bij het metrostation [plaats 2] . Ik liep van de trap en beneden zag ik dat [persoon 1] (
het hof begrijpt: de verdachte) het meisje (
het hof begrijpt: [slachtoffer 1]) bij haar keel vast had. Vervolgens zag ik dat [persoon 1] het meisje tegen de fietsenstalling aan duwde. Ik zag dat hij met twee handen het meisje duwde in de richting van de fietsen. [persoon 1] boog over haar heen en drukte haar keel dicht. [persoon 1] probeerde haar echt te wurgen. Ik zag dat het meisje aan het bezwijken was. Ik zag namelijk dat ze al door de knieën ging en hapte naar adem. Ik dacht echt dat zij haar bewustzijn zou gaan verliezen. Ik liep naar [persoon 1] toe en heb [persoon 1] vervolgens vastgepakt met twee handen bij zijn rug en trok hem van haar los. Ik zag dat hij van mij weg liep en ineens draaide hij zich om. Ik zag toen dat [persoon 1] een vuurwapen gelijkend voorwerp uit zijn tas haalde. Ik zag dat [persoon 1] het vuurwapen gelijkend voorwerp op mij richtte. Ik zag en hoorde dat [persoon 1] de trekker overhaalde. Ik hoorde twee schoten.
3. Een proces-verbaal van verhoor getuige van 24 juni 2023 [doorgenummerde pagina’s Z27 tot en met Z29].
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als
verklaring van de getuige [getuige 1]:
Op 24 juni 2023 is er een schietincident gebeurd. Toen ik bij station [plaats 2] kwam zag ik dat er een vrouw (
het hof begrijpt: [slachtoffer 1]) werd gewurgd door een man (
het hof begrijpt: de verdachte). Ik zag dat ze met hun gezichten naar elkaar toe stonden. De vrouw die gewurgd werd stond met haar rug tegen het fietsenrek en kon niet meer naar achteren. Ik zag dat een andere man (
het hof begrijpt: [benadeelde partij]) de verdachte naar achter trok. Ik hoorde twee schoten en keek toen ik wegrende achterom. Ik zag dat de verdachte een zwart pistool met een ronde kamer
(het hof begrijpt: een revolver)vast had.
4. Een proces-verbaal van verhoor getuige van 24 juni 2023 [doorgenummerde pagina’s Z22 tot en met Z23].
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als
verklaring van de getuige [getuige 2]:
Ik liep op 24 juni 2023 uit metrostation [plaats 2] . Ik liep op het [plaats 2] onder het metrostation in de tunnel. Ik zag een man (
het hof begrijpt: de verdachte) en vrouw (
het hof begrijpt: [slachtoffer 1]) ruzie maken met elkaar. Ik zag de man een zwart voorwerp vasthouden. Ik herkende het voorwerp als vuurwapen. Ik zag hem twee keer schieten richting de ingang van de metro. De man die beschoten werd (
het hof begrijpt: [benadeelde partij]) was aan het hinkelen op zijn linkerbeen.
5. Een proces-verbaal van forensisch onderzoek plaats delict ( [plaats 2] Amsterdam) van 27 juni 2023 [doorgenummerde pagina’s Z7 tot en met Z16]
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als
bevindingen van de verbaliserende forensisch onderzoekers:
Op zaterdag 24 juni 2023 kwamen wij, naar aanleiding van een poging tot doodslag/moord, voor forensisch onderzoek aan op de locatie [locatie] .
Ter plaatse verkregen wij de informatie dat de politie-eenheden twee projectielen hadden aangetroffen en daar DNA-cupjes overheen hadden geplaatst. De dader zou geschoten hebben terwijl hij bij een fietsenrek stond.
Wij zagen op het trottoir twee DNA-cupjes met daar onder projectielen. Wij zagen dat het eerste halverwege lag tussen de ramen van het metrostation en de fietsenrekken, zie foto 6 t/m 8. Wij zagen dat het projectiel grijs was en gedeformeerd was, zie foto 9 en 10. Het gedeformeerde projectiel is veiliggesteld voor een munitieonderzoek en is voorzien van het Spoor Identificatie Nummer (SIN) [nummer 1] . Wij zagen dat het tweede projectiel vlak voor de ramen lag van het metrostation, zie foto 11 en 12. Wij zagen dat het projectiel grijs was en gedeformeerd was, zie foto 13 en 14.
Sporendragers
SIN : [nummer 1]
Object : Munitie (Mund Projectiel)
Kleur : Grijs
SIN : [nummer 1]
Object : Munitie (Mund Projectiel)
Kleur : Grijs
6. De waarneming van het hof, gedaan ter zitting van 10 december 2025:
Op afbeelding 7 van pagina Z13 van het dossier zijn twee cupjes te zien, één op de voorgrond en één uiterst linksboven op de afbeelding, direct naast een glazen pui van het metrostation.
Het onder 3, 4 en 5 tenlastegelegde
Nu de verdachte het ten laste gelegde feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit, volstaat het hof met de navolgende opsomming van de bewijsmiddelen, als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering:
7. De bekennende verklaring van de verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 10 december 2025.
Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Ik beken de feiten zoals onder 3, 4 en 5 door de rechtbank zijn bewezenverklaard.
Het onder 3 tenlastegelegde
8. Een proces-verbaal van bevindingen inclusief bijlagen van 17 juli 2023 [doorgenummerde pagina’s Z74 tot en met Z83].
9. Een proces-verbaal van bevindingen van 19 oktober 2023 [doorgenummerde pagina Z320].
Het onder 3 en 4 tenlastegelegde
10. Een proces-verbaal van bevindingen van 3 augustus 2023, inclusief fotobijlagen [doorgenummerde pagina’s Z207 tot en met Z219].
11. Een proces-verbaal van onderzoek van 10 augustus 2023 [doorgenummerde pagina’s Z220 tot en met Z253].
Het onder 5 tenlastegelegde
12. Een proces-verbaal van bevindingen van 19 juli 2023 [doorgenummerde pagina’s Z94 tot en met Z97].
13. Een proces-verbaal wapenonderzoek van 18 juli 2023 [doorgenummerde pagina’s Z90 tot en met Z93].(Waar op pagina Z93 staat: [adres 2] , begrijpt het hof (gelet op het vermelde op doorgenummerde pagina R12 van het proces-verbaal van relaas): [adres] .)
De hiervoor vermelde bewijsmiddelen zijn – ook in hun onderdelen – telkens gebruikt voor het bewijs van het feit of de feiten, waarop zij blijkens hun inhoud betrekking hebben.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1, 2 subsidiair, 3, 4 en 5 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:
poging tot doodslag.
Het onder 2 subsidiair bewezenverklaarde levert op:
poging tot zware mishandeling.
Het onder 3 bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van handelen in strijd met artikel 9, eerste lid, van de Wet wapens en munitie
en
medeplegen van handelen in strijd met artikel 9, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd.
Het onder 4 bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie
en
medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd.
Het onder 5 bewezenverklaarde levert op:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III
en
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 1, 2 subsidiair, 3, 4 en 5 bewezenverklaarde uitsluit.

Oplegging van straf en maatregel

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1, 2 subsidiair, 3, 4 en 5 bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1, 2 subsidiair, 3, 4 en 5 tenlastegelegde, na aftrek van 3 maanden in verband met de overschrijding van de redelijke termijn, zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 62 maanden. Zij heeft daarnaast de oplegging van de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (GVM) gevorderd.
De raadsman heeft verzocht rekening te houden met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van de verdachte en de gevolgen van de eventuele oplegging van de GVM naast een straf. Hij heeft verzocht geen hogere gevangenisstraf op te leggen dan de rechtbank heeft gedaan.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling door de hals van het slachtoffer met zijn handen dicht te knijpen. De verdachte heeft vervolgens twee kogels in de richting van een omstander, die het slachtoffer te hulp schoot, afgevuurd. Deze gebeurtenissen vonden plaats nabij een metrostation waar zich op dat moment meerdere personen bevonden. Dit handelen is een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van beide slachtoffers en leidt, in het bijzonder op een openbare plaats, tot gevoelens van angst, onrust en onveiligheid bij ooggetuigen en in de samenleving in het algemeen. Zowel slachtoffers als omstanders van dergelijke gebeurtenissen kunnen psychische gevolgen ondervinden, wat volgens de door [benadeelde partij] overgelegde stukken ook bij hem aan de orde is.
De verdachte heeft daarnaast tezamen met een ander in wapens en munitie gehandeld en vuurwapens en munitie in bezit gehad. Het ongecontroleerde handelen in en bezit van vuurwapens en munitie vormt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen en heeft (potentieel) een enorme maatschappelijke impact. De verdachte heeft wapens in het maatschappelijk verkeer gebracht, waarbij hij slechts heeft gedacht aan zijn eigen financieel gewin. Wapens die op deze manier van eigenaar wisselen, worden vaak ingezet bij andere criminele activiteiten, waarbij de kans op slachtoffers groot is. Ook in deze zaak is gebleken dat het bezit van een vuurwapen te vaak leidt tot het gebruik daarvan, met alle schadelijke gevolgen van dien.
Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 1 december 2025 is hij eerder onherroepelijk veroordeeld en heeft hij een geldboete gekregen voor vuurwapenbezit, hetgeen in zijn nadeel weegt.
Blijkens het Pro Justitia rapport van psycholoog [persoon 3] van 16 november 2023 kampt de verdachte met een antisociale persoonlijkheidsstoornis met borderline trekken. Uit dit rapport volgt dat de verdachte verminderd in staat was tot tien te tellen en na te denken, alvorens hij handelde jegens [slachtoffer 1] . Hij heeft vervolgens impulsief gereageerd en het wapen getrokken waarmee hij op [benadeelde partij] heeft geschoten. De rapporteur concludeert dat de poging tot zware mishandeling en de poging tot doodslag gelet daarop in verminderde mate aan de verdachte kunnen worden toegerekend. Het hof zal deze strafbare feiten daarom in verminderde mate aan de verdachte toerekenen en daarmee rekening houden in de strafoplegging.
Het hof acht gelet op het voorgaande in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren en zes maanden passend en geboden.
Overschrijding van de redelijke termijn
Het hof stelt vast dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens in hoger beroep is overschreden. Als uitgangspunt in deze zaak, waarin de verdachte in verband met de bewezenverklaarde feiten in voorlopige hechtenis verkeert, heeft te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen 16 maanden nadat de redelijke termijn is aangevangen en met een eindarrest binnen 16 maanden nadat hoger beroep is ingesteld, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van een zaak, de invloed van de verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld. Het hof constateert dat de procedure in hoger beroep langer heeft geduurd dan 16 maanden. Gelet op de overschrijding van ruim vijf maanden in hoger beroep ziet het hof aanleiding tot vermindering van de straf tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren en twee maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
Oplegging van de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (GVM)
De verdachte heeft zich onder meer schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag en een poging tot zware mishandeling. Volgens het bepaalde in de wetsartikelen 287 en 302 van het Wetboek van Strafrecht staat op beide misdrijven een maximale gevangenisstraf voor de duur van meer dan vier jaren. Aan de verdachte wordt ter zake van onder meer deze strafbare feiten een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd. Aan de wettelijke vereisten voor de oplegging van een maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht is voldaan.
Naar het oordeel van het hof is de oplegging van de maatregel in het belang van de bescherming van de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen. Het hof heeft daarbij gelet op het reclasseringsadvies van 15 november 2023 en het eerdergenoemde Pro Justitia rapport van 16 november 2023. Uit deze rapportages blijkt onder andere dat een hoog recidive- en gevaarrisico bestaat en dat de verdachte impulsief agressief reageert. De reclassering onderschrijft in het rapport van 2 december 2025 een hoog risico op geweld en letsel, dat sprake is van complexe problematiek die naar verwachting nog zal bestaan na detentie en dat hulpverlening op het gebied van diverse leefgebieden noodzakelijk wordt geacht. De reclassering adviseert de oplegging van de GVM om te voorkomen dat de verdachte zonder toezicht terugkeert in de maatschappij. Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat voornoemde risico’s niet voldoende kunnen worden ingeperkt met bijzondere voorwaarden in het kader van een eventuele voorwaardelijke invrijheidstelling. Het hof zal daarom tot de oplegging van de maatregel overgaan.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

Beslag

De inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen onder de nummers 1, 2, 3, 4, 5 en 11, te weten: patronen, projectielen, een revolver en een doos, dienen onttrokken te worden aan het verkeer en zijn daarvoor vatbaar, aangezien met behulp van deze voorwerpen de bewezenverklaarde feiten zijn begaan en deze voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang.
De inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen onder de nummers 9 en 10, te weten verdovende middelen, dienen eveneens te worden onttrokken aan het verkeer en zijn daarvoor vatbaar aangezien ze zijn aangetroffen bij gelegenheid van het onderzoek naar de door verdachte begane feiten en van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.
Het goed onder nummer 8, een telefoon, behoort aan verdachte toe. Omdat met behulp van dit voorwerp het onder feiten 3 en 4 bewezen geachte is begaan, wordt dit voorwerp verbeurdverklaard.
De inbeslaggenomen geldbedragen van € 300,00 en € 6.700,00 (beslagnummers 6 en 7) zullen worden bewaard ten behoeve van de rechthebbende(n).

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 12.500,70. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 8.000,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
De advocaat-generaal heeft gevorderd de immateriële schade van € 8.000,00 toe te wijzen, met vermeerdering met de wettelijke rente, en de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
De raadsman heeft primair gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering, gelet op het vrijspraakverweer. Hij heeft subsidiair betoogd dat het knieletsel van de benadeelde partij niet door de verdachte is veroorzaakt, op grond waarvan de vordering van de materiële schade moet worden afgewezen. De vordering van de immateriële schade hangt samen met het knieletsel en dient niet-ontvankelijk te worden verklaard, nu onvoldoende duidelijk is hoe deze schade moet worden geduid en nader onderzoek daarnaar een te grote belasting van het strafgeding oplevert.
Materiële schade
Op één na hebben alle schadeposten die bijdragen aan de gevorderde materiële schadevergoeding, uitsluitend betrekking op schade als gevolg van knieletsel van de benadeelde partij. Op basis van het dossier kan het hof niet vaststellen wat de feitelijke toedracht is geweest met betrekking tot het ontstaan van dat knieletsel, en daarmee ook niet of dit letsel het rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde. Nader onderzoek op dit punt zou een onevenredige belasting van het strafproces opleveren.
Voor zover in de onderbouwing van de post Verlies van arbeidsvermogen mede wordt verwezen naar psychische klachten, is onvoldoende duidelijk wat het aandeel van deze psychische klachten is geweest in dat verlies van arbeidsvermogen. Ook nader onderzoek op dit punt zou een onevenredige belasting van het strafproces opleveren.
Het hof zal de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk verklaren in de vordering voor zover die ziet op de materiële schade ter hoogte van € 4.500,70. De benadeelde partij kan de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Immateriële schade
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Nu de feitelijke toedracht met betrekking tot de oorzaak van het knieletsel van de benadeelde partij niet kan worden vastgesteld, dient het hof te beoordelen of sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze in de zin van artikel 6:106, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek. Daarvan is in ieder geval sprake indien de benadeelde geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan, waartoe nodig is dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Daarnaast kunnen de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde meebrengen dat van de bedoelde aantasting in zijn persoon op andere wijze sprake is. In beginsel zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. In voorkomend geval kunnen de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.
Voldoende is gebleken dat de benadeelde partij psychische schade heeft geleden, nu deze is onderbouwd met een onderzoeksrapportage van een psycholoog waaruit onder andere volgt dat de benadeelde partij een posttraumatische stressstoornis heeft opgelopen. Het hof oordeelt dat zich bovendien de situatie voordoet waarin uit de aard en ernst van het strafbare feit een aantasting in de persoon op andere wijze kan worden aangenomen, nu het voor de hand ligt dat het afvuren van kogels in de richting van een persoon psychische schade tot gevolg heeft. Het hof schat de immateriële schade naar billijkheid op een bedrag van € 5.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de pleegdatum van het strafbare feit.
De verdachte is niet tot vergoeding van de overige opgevoerde schade gehouden zodat de vordering voor een bedrag van € 3.000,00 zal worden afgewezen.
Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 33, 33a, 36b, 36c, 36d, 36f, 38z, 45, 47, 57, 287 en 302 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 9, 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 subsidiair, 3, 4 en 5 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1, 2 subsidiair, 3, 4 en 5 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
5 (vijf) jaren en 2 (twee) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Legt aan de verdachte op
de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking.
Verklaart onttrokken aan het verkeerde in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
1. DV Patroon
(Omschrijving: [nummer 2] );
2 1 STK projectiel
(Omschrijving: [nummer 3] );
3 1 STK projectiel
(Omschrijving: [nummer 4] );
4 1 STK Patroon
(Omschrijving: [nummer 5] , federal);
5 1 STK Revolver
13-165875-23/150578477-BL2101
(Omschrijving: [nummer 6] , bbm);
9 2 STK Verdovende Middelen
(Omschrijving: [nummer 7] );
10 1 STK Verdovende Middelen
(Omschrijving: [nummer 8] );
11 1 DS Doos
(Omschrijving: [nummer 9] ).
Verklaart verbeurdhet in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
8 1 STK Telefoontoestel
(Omschrijving: › [nummer 10] , Apple).
Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbendevan de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
6 300 EUR ibg [geboortedag 2] -2023
(Omschrijving: [nummer 11] );
7 6700 EUR ibg 17-07-2023
(Omschrijving: › [nummer 12] ).
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 5.000,00 (vijfduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van
€ 3.000,00 (drieduizend euro) aan immateriële schadeaf.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij] , ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 5.000,00 (vijfduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 60 (zestig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 24 juni 2023.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. H.A. van Eijk, mr. N. van der Wijngaart en mr. H. Sytema, in tegenwoordigheid van mr. S. den Hartog, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 24 december 2025
[…]

Voetnoten

1.De hierna vermelde processen-verbaal zijn alle in de wettelijke vorm ambtsedig opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn.