ECLI:NL:GHAMS:2025:3618

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
29 december 2025
Zaaknummer
200.387.202
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geschil tussen eigenaren van appartementsrechten over herstel van vochtschade aan betonconstructie en vrijwaring in vaststellingsovereenkomst

In deze zaak gaat het om een geschil tussen eigenaren van appartementsrechten over de herstelkosten van vochtschade aan een betonconstructie. De appellante, vertegenwoordigd door advocaat mr. G.I. Beij, heeft in hoger beroep een verzoek ingediend om de geïntimeerde, vertegenwoordigd door advocaat mr. S.A.B. Boer, te veroordelen tot betaling van deskundigenkosten die zij heeft voorgeschoten. De mondelinge behandeling vond plaats op 12 december 2024, waarna het hof op 16 december 2025 uitspraak deed. Het hof oordeelde dat de geïntimeerde verantwoordelijk is voor de vochtschade en dat de kosten voor herstel niet op de appellante kunnen worden verhaald. Dit oordeel is gebaseerd op de uitleg van de vaststellingsovereenkomsten (VSO I en VSO II) die tussen partijen zijn gesloten. Het hof concludeert dat de geïntimeerde de verantwoordelijkheid voor de vochtproblematiek op zich heeft genomen en dat de appellante hiervoor is gevrijwaard. De verzoeken van de geïntimeerde zijn afgewezen en zij is veroordeeld tot terugbetaling van de door de appellante voorgeschoten kosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.287.682/01
zaaknummer rechtbank Amsterdam : 8670841 EA VERZ 20-538
beschikking van de meervoudige burgerlijke kamer van 16 december 2025
inzake
[appellant] ,
gevestigd te [plaats] ,
appellante,
advocaat: mr. G.I. Beij te Amsterdam,
tegen
[geïntimeerde] ,
gevestigd te [plaats] ,
geïntimeerde,
advocaat: mr. S.A.B. Boer te Amsterdam,

1.Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna opnieuw [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.
Voor het eerdere verloop van deze zaak verwijst het hof naar de tussenbeschikking van 20 september 2022.
[appellant] heeft daarna een akte genomen, met producties, en aanvullend verzocht om [geïntimeerde] te veroordelen om de door [appellant] voorgeschoten deskundigenkosten van in totaal € 18.090,00 aan [appellant] te voldoen. [geïntimeerde] heeft daarop bij akte, met producties, gereageerd.
De mondelinge behandeling van het hoger beroep heeft plaatsgevonden op
12 december 2024. Bij die gelegenheid hebben de voornoemde advocaten het woord gevoerd, ieder aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd. Beide partijen hebben nog producties in het geding gebracht en hebben inlichtingen verschaft.
Vervolgens is de behandeling van de zaak gesloten en is uitspraak bepaald op heden.

2.De verdere beoordeling

2.1.
In de tussenbeschikking heeft het hof geoordeeld, kort weergegeven, dat gelet op de afspraken tussen partijen geen ruimte bestaat voor het afrekenen van de kosten van betonherstel vooruitlopend op bepaling van de uiteindelijke verdeelsleutel voor deze kosten, dat die verdeelsleutel afhangt van de uitkomsten van het door de rechtbank bevolen voorlopige deskundigenonderzoek en de uitleg van de door de partijen gesloten vaststellingsovereenkomsten (VSO I en VSO II) en dat het primaire verzoek van [geïntimeerde] dat strekt tot vernietiging van het besluit van de VvE van 25 juni 2020 daarop afstuit. Het hof ziet geen aanleiding om van dat oordeel terug te komen. Het deskundigenonderzoek is na de tussenbeschikking afgerond. De door de rechtbank benoemde deskundige heeft op 1 september 2023 een rapport uitgebracht dat in het geding is gebracht en waarop partijen bij akte gereageerd hebben.
2.2.
Het hof zal thans (verder) beoordelen of, zoals [geïntimeerde] in deze procedure subsidiair en uiterst subsidiair verzoekt, [appellant] aan de kosten van het betonherstel moet bijdragen. De rechtsvoorganger van [geïntimeerde] , [naam 1] , zal ook worden aangeduid als [geïntimeerde] .
2.3.
De deskundige heeft in zijn rapport in antwoord op de door de rechtbank gestelode vragen onder meer het volgende geconcludeerd:
“Doordat met name de tribunes, de goot en de gevel in de periode tussen 2003 en 2018 niet adequaat waterdicht waren is de betonconstructie nat geworden. Die vochtproblematiek is de primaire oorzaak van de opgetreden betonschade. (…)
Met intensief onderhoud van zowel de tribunes, de goot en de gevel zou de waterproblematiek vrijwel volledig weggenomen kunnen worden. In die situatie zal de bestaande betonconstructie in principe niet of nauwelijks verder aantasten. Dit onderhoud heeft niet voldoende plaatsgevonden. (…)
In de periode tot 2010 heeft onvoldoende onderhoud aan de tribunes en de onderconstructie plaatsgevonden. Dit gebrek aan onderhoud is mede oorzaak geweest voor het ontstaan van de betonschade van deze omvang bij de gevel van de binnenring. Opgemerkt wordt dat het vochtprobleem in de eerste jaren na de renovatie ook enige schade heeft veroorzaakt.
Monitoring van de betonnen constructie achter de houten betimmering, ook een essentieel onderdeel van onderhoud, heeft zeer waarschijnlijk in zijn geheel niet plaatsgevonden, aangezien niet eerder is gehandeld dan in 2018, het moment van de vervanging van de gevels. (…)
In 2007 is in het rapport van [naam 2] en het plan van BBA geconstateerd dat de coating veel gebreken vertoonde. Tot 2010 is de coating onvoldoende onderhouden. In 2010 heeft grootschalig onderhoud plaatsgevonden en vanaf 2015 werd de coating jaarlijks onderhouden. Tijdens het bezoek op locatie zag de coating er redelijk tot goed uit, hoewel ook toen scheuren en afgebladderde delen zijn waargenomen. Ook kleine scheuren, zeker op locaties waar water kan blijven staan, kunnen de waterbelasting in het beton ernstig negatief beïnvloeden. Wanneer de coating niet waterdicht is, is er een grote kans op het ontstaan van betonschade aan de constructie onder de tribunes. (…)
In de betonnen goot zijn scheuren en gebrekkige coating geconstateerd. In 2002 zijn de scheuren en de gebreken van de goot voor [naam 1] de aanleiding geweest om [appellant] aansprakelijk te stellen.
Schades leiden tot water in de constructie en daarmee tot aantasting van het beton”
2.4.
[appellant] stelt dat de bevindingen van de deskundige bevestigen dat de herstelkosten voor rekening van [geïntimeerde] moeten komen. Uit het deskundigenbericht blijkt volgens haar duidelijk dat er een direct verband is tussen de vochtproblematiek die reeds omstreeks 2003 speelde en de betonschade die in 2017/2018 is ontdekt. [geïntimeerde] heeft die vochtproblematiek niet adequaat aangepakt, waardoor de betonschade is ontstaan. Met name wijst [appellant] op de conclusie dat tussen 2003 en 2018 onvoldoende onderhoud aan de tribunes en de onderconstructie heeft plaatsgevonden en dat in die periode de betonnen constructie onvoldoende is gecontroleerd. [geïntimeerde] heeft krachtens VSO I de verantwoordelijkheid voor herstel, wegnemen van schade en voorkoming van (vocht-)problemen in de toekomst overgenomen en kan [appellant] volgens artikel 4 lid 5 van VSO I niet voor de kosten daarvan aanspreken. Bovendien nam [geïntimeerde] met VSO I voor een vast bedrag per jaar ook het volledige onderhoud voor haar rekening, zo stelt [appellant] . Alle verantwoordelijkheid voor de vochtproblematiek ligt daarom ‘linksom of rechtsom’ bij [geïntimeerde] en daaruit vloeit voort dat [geïntimeerde] de kosten van het betonherstel volledig dient te dragen. Volgens [appellant] was [geïntimeerde] van begin af aan bekend met de aard en omvang van de lekkages en de invloed daarvan op de betonnen constructie en met de geadviseerde onderhouds- en herstelmaatregelen. Zij verwijst daarbij naar verschillende documenten die [geïntimeerde] voor het tekenen van de VSO I heeft ontvangen. De stellingen van [appellant] komen er op neer dat [geïntimeerde] haar heeft gevrijwaard voor kosten en schade ten gevolge van de vochtproblematiek met betrekking tot de betonconstructie.
2.5.
[geïntimeerde] stelt daartegenover dat de bevindingen van de deskundige onjuist zijn en bestrijdt dat uit die bevindingen volgt dat [geïntimeerde] voor de betonschade verantwoordelijk is. Zij stelt daartoe onder meer dat de deskundige onvoldoende gegevens heeft gehad, geen destructief onderzoek heeft uitgevoerd, onjuiste conclusies trekt en dat uit zijn rapport blijkt dat de betonschade er in 2004 al was. Daarnaast betwist zij dat [appellant] niet aan de herstelkosten hoeft mee te betalen. [geïntimeerde] stelt dat in VSO I slechts is overeengekomen dat [geïntimeerde] (1) de onderhoudsverplichting van [appellant] zou overnemen en (2) gerechtigd zou zijn om namens [appellant] (rechts-)maatregelen te treffen ten aanzien van de lekkages. In artikel 1 lid 5 staat dat [geïntimeerde] haar eigen onderhoudsbeleid mag voeren en de bedoeling van artikel 4 was dat [geïntimeerde] de bevoegdheid zou krijgen om op naam van [appellant] (rechts)maatregelen tegen derden te treffen gericht op herstel van de op dat moment aanwezige lekkages, in ruil waarvoor [geïntimeerde] [appellant] niet meer voor die (rechts)maatregelen zou aanspreken. Hieruit blijkt volgens [geïntimeerde] glashelder dat artikel 4 lid 5 van VSO I, waarin wordt verwezen naar artikel 4.1. dat spreekt over ‘op dit moment in het Olympisch Stadion aanwezige lekkages’ uitsluitend betrekking heeft op de eventuele tekortkomingen van de aannemer en de adviseurs die zich in de eerste jaren na de renovatie voordeden en niet op de betonschade die in 2018 is geconstateerd. Het staat [geïntimeerde] vrij om die rechtsmaatregelen al dan niet te treffen en [appellant] kan haar niet op de resultaten daarvan aanspreken.
Bovendien is [geïntimeerde] door VSO II niet langer aan VSO I gebonden, zodat [geïntimeerde] niet uit hoofde van die overeenkomst gehouden is de herstelkosten zelf te dragen.
[geïntimeerde] voert verder onder meer aan dat zij in de uitvoering van het door haar zelf te bepalen onderhoudsbeleid niet is tekortgeschoten. [geïntimeerde] wijst erop dat [appellant] zelf stelt dat zij al vanaf 2006 bekend was met het gebrekkige onderhoud, maar [geïntimeerde] nimmer in gebreke heeft gesteld. De vorderingen van [appellant] tot nakoming van de onderhoudsverplichting zijn inmiddels verjaard. Dat geldt aldus [geïntimeerde] ook voor de vordering tot schadevergoeding, nu [appellant] haar niet voor 25 mei 2023, te weten binnen vijf jaar nadat tijdens een VvE-vergadering over de betonschade is gesproken, schriftelijk heeft aangemaand.
Beoordeling
2.6.
Het hof beoordeelt een en ander als volgt. Partijen verschillen onder meer van mening over de uitleg van VSO I. Daarnaast zijn zij het er niet over eens of VSO II zo moet worden uitgelegd dat [appellant] daardoor aan VSO I geen rechten meer kan ontlenen. Een en ander noopt tot uitleg van VSO I en VSO II. Bij die uitleg gaat het niet alleen om de taalkundige betekenis van de tekst van deze overeenkomsten, maar om de zin die partijen daaraan redelijkerwijs in de gegeven omstandigheden mochten toekennen en hetgeen zij dienaangaande over en weer redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.
Uitleg VSO I
2.7.
Het hof stelt bij de uitleg van VSO I voorop dat uit de considerans blijkt dat zich sinds de oplevering van het Olympisch Stadion meerdere lekkages hebben voorgedaan, waarvan is gebleken dat deze verschillende oorzaken hebben. Vanaf eind 2002 zijn partijen met elkaar in overleg geweest over deze lekkages, het herstel, de daarmee verband houdende schade en de wijze waarop de technische problemen in de toekomst het beste kunnen worden voorkomen. Vervolgens is in artikel 1 van VSO I vastgelegd dat het technisch onderhoud tegen een vaste vergoeding per jaar aan [geïntimeerde] wordt overgedragen. In artikel 4 lid 1 en 2 wordt bepaald dat [geïntimeerde] het exclusieve recht heeft om derden namens [appellant] , maar voor haar rekening en risico aan te spreken op de op dat moment aanwezige gebreken en voorts dat [appellant] [geïntimeerde] niet op de resultaten daarvan mag aanspreken. In lid 5 van artikel 4 wordt bepaald dat [geïntimeerde] [appellant] nimmer meer zal kunnen aanspreken voor de in lid 1 genoemde situaties en de daaruit eventueel voortvloeiende schade. Tot die in lid 1 genoemde situaties behoren de op het moment van sluiten van de overeenkomst aanwezige lekkages, de zich in de toekomst eventueel te openbaren verborgen gebreken en eventuele (technische) calamiteiten.
2.8.
Gelet op een en ander, in onderling verband en samenhang bezien, heeft [appellant] met het sluiten van VSO I gerechtvaardigd erop mogen vertrouwen dat [geïntimeerde] haar in de toekomst niet meer zou aanspreken voor de kosten en schade ten gevolge van de vochtproblematiek die op het moment dat VSO I gesloten werd al bestond en ook niet voor schade die daar eventueel het gevolg van zou zijn. [geïntimeerde] heeft [appellant] aldus ter zake van deze problematiek en daaruit voortvloeiende schade gevrijwaard. Dit betekent dat, anders dan [geïntimeerde] bepleit, in het midden kan blijven of dergelijke schade voor of na het sluiten van VSO I is ontstaan of verergerd.
Uitleg VSO II
2.9.
In 2016 hebben [appellant] en [geïntimeerde] in een tweede vaststellingsovereenkomst vastgelegd dat het onderhoud voor de periode van 2016 tot 2026 door [geïntimeerde] zal worden uitgevoerd overeenkomstig een meerjarenonderhoudsplan (MJOP) en een bijbehorende begroting. In VSO II is bovendien in artikel 1 bepaald dat die overeenkomst een alles omvattende regeling bevat van de onderlinge verhouding tussen partijen. In artikel 14 is bepaald dat deze in de plaats treedt van de afspraken voortvloeiende uit VSO I.
2.10.
[geïntimeerde] stelt dat VSO I door VSO II is komen te vervallen. Bovendien ziet VSO I niet op de onderhavige herstelkosten, met name omdat die kosten betrekking hebben op herstel van betonschade. [geïntimeerde] betoogt in dit verband dat uit niets blijkt dat partijen iets anders hebben bedoeld dan in de overeenkomst is bepaald, te weten dat eerdere afspraken en dus ook VSO I door VSO II vervalt.
2.11.
[appellant] heeft een en ander gemotiveerd bestreden en stelt dat [geïntimeerde] haar verplichtingen uit artikel 4 van VSO I onverkort dient na te komen en dat op grond daarvan de in het geding zijnde herstelkosten voor haar rekening dienen te blijven.
2.12.
Het hof acht de uitleg die [geïntimeerde] voorstaat zonder nadere onderbouwing, die niet is gegeven, niet waarschijnlijk gelet op de destijds bestaande omstandigheden. Er waren immers aanhoudende, ernstige lekkageproblemen geweest, waarover een vaststellingsovereenkomst was gesloten en deze lekkageproblemen waren nog niet opgelost. De rechtsvoorganger van [geïntimeerde] had de volledige verantwoordelijkheid voor dat herstel op zich genomen en zou de mogelijk zeer aanzienlijke kosten daarvan dragen. [geïntimeerde] had die verplichtingen als rechtsopvolger overgenomen. Er is onvoldoende gebleken dat [geïntimeerde] aan [appellant] bij de totstandkoming van VSO II heeft voorgelegd laat staan erover heeft onderhandeld dat zij van de vrijwaring in artikel 4 lid 5 van VSO I af wilde en evenmin is er een aanwijzing gebleken dat [appellant] bereid was afstand te doen van haar rechten uit dien hoofde. Met [appellant] acht het hof het daarom eerder aannemelijk dat VSO II uitsluitend bedoeld was om, gelet op het aanstaande einde van de periode waarop de onderhoudsafspraak uit VSO I zag, een afspraak voor een nieuwe periode te maken. In dat licht moeten dan ook artikel 1 en artikel 14 worden begrepen: de oude onderhoudsafspraak werd vervangen door een nieuwe in verband waarmee aan de oude afspraak geen rechten meer konden worden verleend en de nieuwe afspraak voortaan beslissend was voor de rechten en plichten van partijen ten aanzien van het onderhoud. Ook overigens zijn onvoldoende feiten of omstandigheden komen vast te staan die tot een andere uitleg van VSO II leiden. VSO II moet daarom zo worden uitgelegd dat artikel 4 van VSO I daardoor niet verviel.
Causaal verband
2.13.
Het hof verwijst naar de hierboven weergegeven conclusies van de deskundige en stelt voorop dat uit het rapport van de deskundige moet worden afgeleid dat de betonschade een gevolg is van – kort gezegd – de onvoldoende bestrijding van de in het gebouw ten tijde van het sluiten van VSO I bestaande vochtproblematiek. De uitleg die hierboven aan VSO I en VSO II is gegeven brengt mee dat [geïntimeerde] de verantwoordelijkheid daarvoor op zich had genomen.
2.14.
[geïntimeerde] heeft in haar akte na deskundigenbericht het door de deskundige aanwezig geachte causaal verband aan de orde gesteld. Als het hof de stellingen van [geïntimeerde] daarover goed begrijpt, wijst [geïntimeerde] er daarmee op dat de oorzaak voor de betonschade waarvan zij de herstelkosten op [appellant] wil verhalen ligt in de periode voordat zij de verantwoordelijkheid voor het onderhoud overnam, in het bijzonder de periode vanaf de renovatie in 1998-1999 tot 2004. [appellant] was toen verantwoordelijk voor het onderhoud en de gevolgen van het onderhoud in die periode kunnen niet althans niet volledig voor rekening van [geïntimeerde] komen. Dit komt volgens [geïntimeerde] in het rapport onvoldoende tot uitdrukking, met name daar waar de deskundige wel constateert dat de door [geïntimeerde] aangebrachte coating niet goed is aangebracht, dat [geïntimeerde] de betonconstructie onvoldoende heeft gecontroleerd en dat met beter onderhoud de waterproblematiek vrijwel volledig zou kunnen worden weggenomen.
2.15.
Het hof volgt [geïntimeerde] niet in dit betoog. Het hof verwijst allereerst naar hetgeen hiervoor overwogen is omtrent de uitleg van VSO I en VSO II. [geïntimeerde] gaat er gelet daarop aan voorbij dat zij de verantwoordelijkheid en de kosten op zich heeft genomen zowel voor de (gevolgen van) de destijds bestaande vochtproblematiek als voor het onderhoud. Problemen als de onderhavige kwamen daarom ‘linksom of rechtsom’ voor haar rekening en [geïntimeerde] heeft [appellant] voor de gevolgen daarvan gevrijwaard. [geïntimeerde] heeft tegen die achtergrond onvoldoende toegelicht waarom het relevant is dat de betonproblemen deels teruggaan tot voor 2004, toen [appellant] nog verantwoordelijk was voor het onderhoud.
2.16.
Uit het deskundigenrapport en in het bijzonder uit de hiervoor weergegeven oordelen van de deskundige, leidt het hof af dat de betonconstructie van het gebouw gevoelig is voor lekkage en dat daaruit betonschade kan voortvloeien. Deze conclusie wordt door partijen niet bestreden. Wel heeft [geïntimeerde] de conclusie van de deskundige bestreden dat – kort gezegd – de vochtwerende coating onvoldoende waterdicht was en dat ook daardoor het vochtprobleem is vergroot. Het standpunt van [geïntimeerde] komt erop neer dat zij stelt voor een fors bedrag coating te hebben aangebracht. Dit kan echter niet afdoen aan de constatering van de deskundige dat het resultaat daarvan onvoldoende waterdichtheid opleverde.
2.17.
Tegenover de conclusie van de deskundige dat controle (‘monitoring’) van de betonconstructie achter betimmeringen had moeten plaatsvinden en dat het uitblijven daarvan de schade heeft vergroot, heeft [geïntimeerde] nog gesteld dat controle niet van haar kon worden gevergd omdat zij dan huurders had moeten storen. Het hof gaat daaraan voorbij omdat huurders een dergelijke storing dienen te dulden en daarin dus geen reden kan liggen om van noodzakelijke werkzaamheden af te zien. Bij een en ander weegt het hof mee dat [geïntimeerde] gelet op de aard van het gebouw en de al opgetreden problemen opmerkzaam had moeten zijn om lekkageproblemen in samenhang met de betonconstructie tijdig vast te stellen. Er was dus te meer reden om grondige controle uit te voeren, ook al zou dat ongemak opleveren.
2.18.
[geïntimeerde] heeft in dit nog kader aangevoerd dat zij na 2004 aan haar verplichtingen heeft voldaan doordat zij een Meerjarenonderhoudsplan (MJOP) heeft uitgevoerd. Daarmee gaat zij eraan voorbij dat een MJOP in het algemeen niet uitsluit dat ook nog andere werkzaamheden nodig zijn en dat zij daar gelet op haar verantwoordelijkheid voor het onderhoud alert op moet zijn. Ook dat gold gelet op de hiervoor geschetste omstandigheden in dit geval in het bijzonder.
2.19.
[geïntimeerde] heeft tegen het deskundigenrapport enkele meer algemene bezwaren ingebracht die er toe strekken dat de deskundige onvoldoende stukken heeft bestudeerd (met name over de periode voor 2004) en ten onrechte geen destructief onderzoek heeft verricht. Voor zover die bezwaren gelet op de bovenstaande overwegingen nog relevant zijn, ziet het hof in het rapport en in de reactie van [geïntimeerde] onvoldoende concrete aanwijzingen dat de deskundige niet over alle gegevens heeft kunnen beschikken die hij met zijn ervaring en deskundigheid nodig achtte om tot zijn bevindingen te komen. Ook voor het overige heeft [geïntimeerde] onvoldoende aangevoerd om haar stellingen te volgen.
2.20.
Het hof concludeert dat de in het Olympisch Stadion opgetreden betonschade valt onder de gevolgen van de vochtproblematiek waarvoor [geïntimeerde] [appellant] heeft gevrijwaard.
Verzuim en verjaring
2.21.
Gelet op de uitleg die het hof geeft aan VSO I, te weten dat [appellant] daarmee door [geïntimeerde] is gevrijwaard voor de vochtproblematiek en schade die daaruit voortvloeit, komt het hof niet toe aan de beoordeling of, zoals [geïntimeerde] nog stelt, [geïntimeerde] ten aanzien van haar onderhoudsverplichtingen uit de VSO’s in verzuim is geraakt en of de vorderingen van [appellant] uit dien hoofde zijn verjaard. De vrijwaring staat immers aan verhaal van kosten en schade op [appellant] in de weg, los van de vraag of verzuim is ingetreden en los van de vraag of eventuele vorderingen van [appellant] op [geïntimeerde] – waar deze procedure niet over gaat – zijn verjaard.
Conclusie
2.22.
Het hof concludeert uit het bovenstaande dat [geïntimeerde] de rekening voor de kosten van het onderhavige herstel niet deels op [appellant] kan verhalen. Het subsidiaire en het meer subsidiaire verzoek van [geïntimeerde] zullen daarom eveneens worden afgewezen. De verzochte machtiging tot herstel van de betonschade zal het hof niet geven, omdat [appellant] met die (reeds uitgevoerde) werkzaamheden heeft ingestemd en slechts bezwaar maakt tegen de kostenverdeling. [geïntimeerde] heeft bij die machtiging dus geen belang.
2.21.
Het bovenstaande betekent dat de grieven II en IV slagen. Bij de behandeling van de grieven I en III heeft [appellant] gelet daarop geen belang. De bestreden beschikking zal worden vernietigd en de verzoeken van [geïntimeerde] zullen alsnog worden afgewezen. [geïntimeerde] zal worden veroordeeld tot terugbetaling van hetgeen [appellant] ter uitvoering van de bestreden beschikking aan [geïntimeerde] heeft voldaan. De proceskosten van de eerste aanleg en het hoger beroep komen voor rekening van [geïntimeerde] . Dat geldt ook voor de door [appellant] voorgeschoten kosten voor het voorlopige deskundigenbericht van in totaal € 18.090,00. Het verzoek tot toewijzing van die kosten is, gelet op het verloop van de procedure en het moment waarop deze kosten zijn gemaakt, niet in strijd met de tweeconclusieregel. Deze verzoekschriftzaak is te beschouwen als de bodemzaak met het oog waarop het voorlopige deskundigenbericht is gevraagd en waarin vergoeding van die kosten kan worden gevraagd.

4.Beslissing

Het hof:
vernietigt de bestreden beschikking;
en alsnog rechtdoende:
wijst de verzoeken van [geïntimeerde] af;
veroordeelt [geïntimeerde] tot terugbetaling van hetgeen [appellant] aan haar heeft voldaan ter voldoening van de bestreden beschikking, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling tot aan de dag van terugbetaling;
veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in beide instanties, tot op heden aan de zijde van [appellant] vastgesteld op € 600,00 voor de eerste aanleg en € 4414,00 voor het hoger beroep, te vermeerderen met € 178,00 voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit arrest plaatsvindt en met € 18.090,00 voor de kosten van het voorlopig deskundigenbericht,
wijst af het meer of anders gevorderde.
Deze beschikking is gegeven door mrs. J.C. Toorman, J.C.W. Rang en M.E. van Rossum en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 16 december 2025.