Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.De zaak in het kort
2.Het geding in hoger beroep
- de bestreden beschikking zal vernietigen; en
- alsnog, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de arbeidsovereenkomst tussen partijen zal ontbinden (het hof begrijpt: zal bepalen op welke datum de arbeidsovereenkomst eindigt op grond van 7:683 lid 5 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW)) primair vanwege bedrijfseconomische omstandigheden (artikel 7:669 lid 3 sub a BW) en subsidiair vanwege een verstoorde arbeidsverhouding (artikel 7:669 lid 3 sub g BW);
- [geïntimeerde] zal veroordelen tot terugbetaling van de proceskosten in eerste aanleg en tot betaling van de proceskosten in beide instanties.
principaal appelprimairverzocht om de verzoeken van GNX tot bepaling van een einddatum van de arbeidsovereenkomst af te wijzen, met - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - veroordeling van GNX in de werkelijke proceskosten. Voor het geval de ontbinding zou worden toegewezen (het hof begrijpt: voor het geval het hof bepaalt dat de arbeidsovereenkomst eindigt), heeft [geïntimeerde]
subsidiair- samengevat -verzocht hem een transitievergoeding en een billijke vergoeding toe te kennen, een eindafrekening te laten verstrekken en het concurrentie- en relatiebeding uit de arbeidsovereenkomst te vernietigen per de einddatum van de arbeidsovereenkomst.
incidenteel appelheeft [geïntimeerde] verzocht om:
a. de kosten buiten rechte ex artikel 6:96 BW ter hoogte van € 8.131,04; en
b. de proceskosten ex artikel 237 lid 1 Rv van € 19.556,60;
beide bedragen vermeerderd met de wettelijke rente.
a. toe te laten tot zijn werkzaamheden als [functie] ;
b. hem volledige toegang te verschaffen tot de voor de uitoefening van zijn functie benodigde systemen, faciliteiten en communicatiemiddelen; en
c. hem toe te laten tot werk- en personeel gerelateerde activiteiten.
a. € 1.791,51 aan kosten buiten rechte;
b. € 8.517,- aan proceskosten in deze procedure tot nu toe;
c. € 2.831,71 aan proceskosten (begroot) voor de pleitnotities en de deelname aan de zitting op 31 oktober 2025; en
d. € 756,25 voor de noodzakelijke tolk tijdens deze zitting;
dit alles vermeerderd met de wettelijke rente.
3.Feiten
4.Eerste aanleg
5.Beoordeling
grief Abestrijdt GNX het oordeel van de kantonrechter dat geen sprake is van bedrijfseconomische omstandigheden bestaande uit een slechte financiële situatie, die nopen tot de gevraagde ontbinding. GNX meent te hebben aangetoond dat bedrijfseconomische omstandigheden bestaande uit een slechte financiële situatie GNX noodzaken tot het nemen van kostenbesparende maatregelen bestaande uit het laten vervallen van onder meer de arbeidsplaats van [geïntimeerde] ten behoeve van een doelmatige bedrijfsvoering. Uit de door GNX overgelegde cijfers blijkt volgens GNX weliswaar dat er omzetgroei gerealiseerd wordt, maar dat deze ver achter blijft bij de begroting (69% in 2023). Ook voor 2024 is zij geconfronteerd met een fors verlies. Uit de overgelegde prognoses en liquiditeitsanalyse bij gewijzigd en ongewijzigd beleid van de resultatenrekening voor de komende 26 weken blijkt het effect van de beoogde kostenbesparende maatregelen op het resultaat en de proportionaliteit van de arbeidskostenbesparing. De kostenbesparende maatregelen zijn doeltreffend; zonder die maatregelen verslechtert de liquiditeit. Volgens GNX was en is er dan ook een bedrijfseconomische noodzaak om het aantal arbeidsplaatsen te verminderen ten behoeve van een doelmatige bedrijfsvoering.
ex nunc’) (HR 21 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:283 (
Victoria)). Dit betekent in het onderhavige geval dat beoordeeld moet worden of de functie van [geïntimeerde] noodzakelijkerwijs vervalt als gevolg van het wegens bedrijfseconomische omstandigheden treffen van maatregelen voor een doelmatige bedrijfsvoering, te bezien aan de hand van de actuele situatie/huidige periode (de overgelegde cijfers tot en met Q3 in 2025) en de komende periode/toekomstige 26 weken (de prognose voor Q4 2025 en Q1 2026).
your annual salary would therefore”). Uit deze bewoordingen blijkt dat er nog geen volledige overeenstemming was over het recht op en de hoogte van een bonus voor [geïntimeerde] . Daar komt bij dat in de nadien gesloten en ondertekende arbeidsovereenkomst van 13 maart 2023, die - zonder nadere toelichting, welke ontbreekt - geacht mag worden de afspraken tussen partijen te hebben vastgelegd, geen bonusregeling is overeengekomen. Onder deze omstandigheden heeft [geïntimeerde] niet mogen begrijpen dat partijen een jaarlijkse bonusregeling van € 6.000,- bruto zijn overeengekomen. De hierop gerichte verzoeken van [geïntimeerde] worden derhalve afgewezen. De grief faalt.