De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld voor het besturen van een motorvoertuig onder invloed van THC. In hoger beroep stelde de raadsman dat het onderzoek niet voldeed aan de vereiste termijnen uit het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, waardoor het bestanddeel onderzoek niet bewezen kon worden verklaard.
Het hof oordeelde dat de 90-minuten-termijn niet was overschreden gezien de vrijwel gelijktijdige handelingen bij aanhouding en vond geen reden om de tijdstippen in het proces-verbaal te betwijfelen. Wel werd vastgesteld dat de termijn van vier weken voor het bloedonderzoek was overschreden, maar dit vormverzuim leidde niet tot bewijsuitsluiting.
Bij de strafoplegging hield het hof rekening met de ernst van de feiten, de verkeersveiligheid, het strafblad van de verdachte en het LOVS-oriëntatiepunt. Het hof vernietigde de eerdere strafoplegging en legde een geldboete van €450,- en een geheel voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor twee jaar op. Het vonnis werd voor het overige bevestigd.