Op 16 maart 2019 vond een schietincident plaats bij de woning van het slachtoffer in Amstelveen, waarbij het slachtoffer en zijn gezin werden beschoten. Verdachte en medeverdachten werden verdacht van medeplegen van poging tot moord. Uit het dossier bleek dat verdachte en medeverdachten betrokken waren bij de voorbereiding, waaronder voorverkenningen en het klaarmaken van de vluchtauto.
Het hof oordeelde echter dat er onvoldoende bewijs was dat verdachte en medeverdachten op het moment van de aanslag zelf aanwezig waren. Signalen zoals telefoongebruik en camerabeelden konden niet overtuigend linken aan aanwezigheid op de plaats delict. De signalementen en compositietekeningen van de schutters waren onvoldoende onderscheidend.
Hoewel verdachte betrokken was bij de voorbereiding, was dit onvoldoende voor medeplegen. Verdachte werd daarom vrijgesproken van de poging tot moord en medeplegen. Wel werd bewezen verklaard dat verdachte op 16 juni 2021 munitie in zijn woning had, waarover hij bewust beschikte, en werd hij daarvoor veroordeeld.
Het hof vernietigde het vonnis voor wat betreft het beslag en gelastte teruggave van bepaalde goederen aan verdachte. De vordering tot gevangenneming werd afgewezen. De redelijke termijn voor berechting was overschreden, maar dit leidde niet tot een strafvermindering.