De zaak betreft een hoger beroep over de vaststelling van kinderalimentatie voor een minderjarig kind na vernietiging van een eerdere beschikking door de Hoge Raad. De Hoge Raad vernietigde de beschikking van het hof Den Haag omdat ten onrechte rekening was gehouden met een bijdrage aan een meerderjarige halfbroer vanaf diens 21e verjaardag. Het Gerechtshof Amsterdam beoordeelt de alimentatie opnieuw, waarbij het de berekening van het hof Den Haag op dit punt aanpast, maar de overige uitgangspunten over behoefte, draagkracht en woonlasten bevestigt.
De vader moet vanaf 1 januari 2018 kinderalimentatie betalen aan de moeder voor het kind, met bedragen die variëren van €195,- in 2018 tot €179,- in 2025. De draagkracht van de vader wordt vastgesteld op basis van een DGA-salaris van €68.100,- per jaar, waarbij rekening wordt gehouden met een forfaitaire woonlastenregeling, aflossing van schulden en de zorgkorting van 35% wegens omgang met het kind. De moeder draagt ook bij naar draagkracht. De recente jaarrekeningen van de vader bieden geen aanleiding tot aanpassing van het inkomen of de draagkracht.
De procedurekosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt, mede gezien het gedeeltelijk gelijk krijgen van de moeder in cassatie. De beschikking wordt vernietigd en opnieuw vastgesteld met de aangepaste kinderalimentatiebedragen en de terugbetalingsverplichting van de moeder voor te veel betaalde alimentatie. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad.