Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2025:3125

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
5 november 2025
Publicatiedatum
20 november 2025
Zaaknummer
23-000272-25
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 14e Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor mishandeling partner met geheel voorwaardelijke taakstraf en bijzondere voorwaarden

Het gerechtshof Amsterdam heeft het vonnis van de politierechter vernietigd en in hoger beroep de verdachte veroordeeld voor mishandeling van zijn echtgenote op 31 oktober 2024 in Amsterdam. De mishandeling bestond uit slaan, schoppen, aan de haren trekken en meerdere klappen op het hoofd.

De bewezenverklaring is gebaseerd op het proces-verbaal van aangifte, de bevindingen van de opsporingsambtenaren en het letsel van het slachtoffer, ondanks dat het slachtoffer later anders verklaarde na een mediationtraject. De verdediging ontkende de ernst van de mishandeling en stelde dat slechts sprake was van duwen en trekken.

Het hof achtte de aangifte en het bewijsmateriaal betrouwbaar en veroordeelde de verdachte tot een taakstraf van 60 uur, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en bijzondere voorwaarden, mede vanwege het mediationtraject en het reclasseringsadvies. De bijzondere voorwaarden omvatten onder meer gedragsinterventie, schuldhulpverlening en reclasseringstoezicht. Gezien het samenwonen en de kans op herhaling is dadelijke uitvoerbaarheid van de voorwaarden bevolen.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke taakstraf van 60 uur met een proeftijd van twee jaar en bijzondere voorwaarden, met dadelijke uitvoerbaarheid.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 23-000272-25
Datum uitspraak: 5 november 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 5 februari 2025 in de strafzaak onder parketnummer
13-348589-24 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1995,
adres: [adres 1].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
22 oktober 2025 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en zijn raadsman naar voren hebben gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 31 oktober 2024 te Amsterdam, althans in Nederland, zijn echtgenote, [slachtoffer], heeft mishandeld door tegen het lichaam van die [slachtoffer] te slaan en/of schoppen en/of aan de haren van die [slachtoffer] te trekken en/of door tegen het hoofd te slaan van die [slachtoffer].
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.

Bewijs

Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit. Hij heeft daartoe aangevoerd dat alleen sprake is geweest van over en weer duwen en trekken en dat zich voor de ten laste gelegde geweldshandelingen geen steunbewijs in het dossier bevindt.
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij en zijn partner weliswaar vaak ruzie hebben en dat hij haar op 31 oktober 2024 heeft geduwd en dat hij het wasrek door de kamer heeft gegooid, maar hij heeft ontkend dat hij haar heeft geschopt of geslagen.
Bewijsmiddelen
1. Een proces-verbaal van aangifte van 31 oktober 2024, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, dossierpagina’s 5 tot en met 11, met fotobijlage op dossierpagina’s 12 tot en met 20. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang, als de verklaring van [slachtoffer]:
Ik wil aangifte doen van mishandeling van mij door mijn man [verdachte].
Op 31 oktober 2024 zat ik op de bank. Ik woon samen met mijn man [verdachte] op de [adres 1]. [verdachte] liep toen terug de woonkamer in. [verdachte] pakte toen de wasrekken en gooide deze op mij. Hij pakte het wasrek met beide handen vast en gooide het op mijn lichaam. [verdachte] pakte het wasrek van boven vast en gooide met de onderkant naar mij gericht deze naar mij toe. De poten van het wasrek kwamen op mijn lichaam. Eén poot kwam in mijn nek/keel. Het wasrek raakte mij verder op mijn buik, mijn benen en mijn armen.
Ik stond op nadat hij het wasrek naar mij toegooide. Ik liep naar [verdachte] toe. Terwijl ik naar [verdachte] toeliep duwde hij mij weg. Ik voelde dat hij mij wederom duwde met twee armen. Ik voelde dat hij mij duwde met kracht van meer dan geringe betekenis. Ik voelde dat hij mij op het wasrek duwde. Ik voelde dat mijn billen, mijn bovenbenen en mijn rug het wasrek raakten.
Toen ik [verdachte] wilde duwen, wilde hij mij slaan in mijn gezicht. Ik zag dat hij met zijn linkerarm een zwaaiende beweging maakte richting mijn gezicht. Ik zag dat hij zijn linkerhand had gebald tot een vuist. Ik probeerde mijzelf te beschermen. Ik trok mijn linkerarm omhoog zodat hij mijn gezicht niet zou raken. Ik voelde dat hij met zijn linker vuist op mijn linkerarm kwam. Ik heb nu ook pijn aan mijn linkerarm. Ik zie ook een rode plek met wat krassen op mijn linkerarm.
Ik zei tegen [verdachte] dat hij moest stoppen met slaan. Ik zag dat [verdachte] met zijn gezicht heel dicht bij mijn gezicht kwam staan. Hierna zag ik dat hij met zijn rechterhand richting mijn hoofd ging. Ik voelde dat hij met zijn rechterhand mijn paardenstaart pakte. Ik voelde dat hij trok aan mijn haar. Ik had pijn toen hij mij aan mijn haar trok. [verdachte] liet mijn haar niet los.
Toen [verdachte] mij aan mijn haar vast had, sloeg [verdachte] mij op mijn hoofd. Ik zag dat hij zijn andere hand gebruikte, want hij had mijn haar nog vast met zijn rechterhand. Ik voelde dat hij met zijn linker vuist, meerdere keren op mijn hoofd sloeg. Ik voelde dat hij mij zowel op de zijkanten als boven op mijn hoofd sloeg. Ik voel nu, tijdens de aangifte, pijn aan mijn hoofd.
Ik voelde dat hij naar mij schopte. Ik weet niet meer met welk been hij naar mij schopte. Ik zag dat hij richting mijn buik wilde schoppen. Ik voelde uiteindelijk dat hij mijn rechterbovenbeen raakte. Ik voelde dat hij mij schopte.
[verdachte] liep daarna naar de eettafel. Hij duwde de borden van de eettafel af. Ik zag dat hij alles wat op tafel lag van tafel gooide. Ik zag dat [verdachte] de spiegel vastpakte en deze op de grond gooide. De spiegel ging hierna stuk.
2. Een proces-verbaal van bevindingen van 31 oktober 2024, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, dossierpagina’s 21 tot en met 24. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang, als de bevindingen van de verbalisanten:
Wij, verbalisanten, kwamen ter plaatse in de woning aan de [adres 1] en werden te woord gestaan door het slachtoffer welke ons opgaf te zijn: [slachtoffer]. Zij verklaarde ons, verbalisanten, het volgende:
Ik woon hier met mijn man [verdachte]. Hij pakte mij bij mijn paardenstaart en trok mij aan mijn haar, hij sloeg mij ook op mijn hoofd. Hij gaf mij meerdere malen met zijn vuist klappen tegen mijn hoofd. Ik zag dat hij met zijn vuist richting mijn gezicht kwam maar deze kon ik blokkeren door mijn onderarm voor mijn gezicht te houden. Ik voelde dat hij met zijn vuist tegen mijn onderarm aankwam.
Ik merk dat ik nu pijn krijg op mijn onderarm.
Noot verbalisant [verbalisant]: Ik zie dat [slachtoffer] een grote rode vlek op haar onderarm krijgt welke dik is en blauw wordt.
Wij, verbalisanten, troffen in de woning een grote ravage aan. Wij zagen dat in de hal een grote ronde spiegel op de grond lag. Wij zagen dat deze in scherven was. Toen wij verder de woning in kwamen zagen wij dat in de woonkamer twee wasrekken vol kleding op de grond lagen. Wij zagen door de woonkamer diverse kledingstukken liggen. Wij zagen dat er meerdere glasscherven op de grond lagen. Wij zagen dat er een kapotte vaas of glas op de tafel lag.
Overwegingen van het hof
De aangifte, die direct na het incident gedetailleerd de aanleiding en escalatie van het conflict beschrijft en waarbij aangeefster haar eigen aandeel niet onbesproken laat, wordt ondersteund door de ravage die de verbalisanten ter plekke hebben aangetroffen en het door verbalisant [verbalisant] waargenomen letsel bij aangeefster. Het hof acht de aangifte in dat licht betrouwbaar en in voldoende mate ondersteund om tot een bewezenverklaring van de ten laste gelegde geweldshandelingen te komen. Dat aangeefster als getuige ter terechtzitting in eerste aanleg, maanden later en na een met goed resultaat doorlopen mediation-traject, anders heeft verklaard dan eerder ten overstaan van de politie, leidt niet tot een ander oordeel.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 31 oktober 2024 te Amsterdam zijn echtgenote [slachtoffer] heeft mishandeld door tegen het lichaam van die [slachtoffer] te slaan en schoppen en aan de haren van die [slachtoffer] te trekken en door tegen het hoofd te slaan van die [slachtoffer].
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze zijn opgenomen in dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezenverklaarde levert op:
mishandeling, begaan tegen zijn echtgenoot.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit.

Oplegging van straf

De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke taakstraf van 40 uren, te vervangen door 20 dagen hechtenis, met aftrek van het voorarrest, met daaraan verbonden een proeftijd van twee jaren en bijzondere voorwaarden. De politierechter heeft bepaald dat de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 60 uren, te vervangen door 30 dagen hechtenis, waarvan 30 uren, te vervangen door 15 dagen hechtenis, voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en bijzondere voorwaarden.
De raadsman heeft geen strafmaatverweer gevoerd.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zijn levenspartner mishandeld door haar te slaan, te schoppen en aan haar haren te trekken. Deze mishandeling heeft plaatsgevonden in haar eigen woning, een plek waar zij zich bij uitstek veilig zou moeten voelen. De verdachte heeft haar pijn en letsel bezorgd en gevoelens van angst en onveiligheid. Het hof is van oordeel dat de door de advocaat-generaal gevorderde straf in beginsel recht doet aan de aard en de ernst van het feit zoals bewezenverklaard.
Het hof heeft er kennis van genomen dat de verdachte en zijn echtgenote na het bewezenverklaarde een mediation-traject hebben doorlopen en dat dit traject tot een overeenkomst tussen hen beiden heeft geleid. Het hof zal daar rekening mee houden en een geheel voorwaardelijke taakstraf opleggen.
Verder heeft het hof acht geslagen op het reclasseringsadvies van 30 januari 2025. Uit dit advies blijkt van een zorgbarend gedragspatroon ten aanzien van huiselijk geweld. Onder meer door schulden, het ontbreken van een stabiel inkomen en dagbesteding ontstaan spanningen in de relatie. De verdachte heeft (al dan niet met zijn partner) vrijwillig hulp gezocht in een ambulant traject. De reclassering adviseert buiten deze hulp in een vrijwillig kader ook toezicht en behandeling gericht op het delictgedrag, om zodoende herhaling daarvan te voorkomen. Het hof verenigt zich met de inhoud van het advies en neemt de bijzondere voorwaarden over.
Het hof acht, alles afwegende, een geheel voorwaardelijke taakstraf van na te melden duur met daaraan verbonden een proeftijd en bijzondere voorwaarden, passend en geboden.

Dadelijke uitvoerbaarheid

Gelet op de omstandigheid dat de verdachte en zijn echtgenote nog onder één dak samenleven in de gezamenlijke huurwoning, terwijl zij van plan zijn te gaan scheiden en aangeefster (afgaande op de verklaring van de verdachte in hoger beroep) ook recent nog meldingen heeft gedaan over huiselijk geweld en het bewezenverklaarde misdrijf is gericht tegen of gevaar heeft veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, overweegt het hof dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom zo een misdrijf zal begaan. Het hof zal daarom de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden bevelen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 14e, 22c, 22d, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
30 (dertig) dagen hechtenis.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Bepaalt dat de taakstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.
Stelt als bijzondere voorwaarden dat:
de verdachte zich meldt, wanneer hij hiertoe uitgenodigd wordt, bij Reclassering Nederland op het adres
[adres 2]. Betrokkene blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo
vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
de verdachte gedurende de volledige proeftijd zal deelnemen aan een gedragsinterventie die gericht is op cognitieve vaardigheden. De reclassering bepaalt welke training het precies wordt. Verdachte dient zich te houden aan de aanwijzingen zoals die gedurende deze gedragsinterventie door of namens voornoemde instelling aan de verdachte zullen worden gegeven;
indien blijkt dat de gedragsinterventie tot onvoldoende probleembesef en gedragsverandering leidt, of
als de toezichthouder van mening is dat een vorm van ambulante behandeling passender is,
de verdachte zich laat behandelen door [instelling 1] of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de
reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt.
Betrokkene houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de
behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de
zorgverlener dat nodig vindt;
de verdachte zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, met een vaste structuur. De
dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delict gedrag;
de verdachte meewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen,
ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering
Natuurlijke Personen. De verdachte geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden;
de verdachte toestemming geeft om contact op te nemen met [instelling 2] over het ambulante
traject. Dit om de samenwerking tussen de hulpverlening te bevorderen en indien nodig tot gezamenlijke
afspraken te komen ten aanzien van het delict gedrag.
Geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.
Beveelt dat voormelde bijzondere voorwaarden en het uit te oefenen reclasseringstoezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. H.A. Stalenhoef, mr. L.F. Roseval en mr. J. Boksem, in tegenwoordigheid van
mr. A. Scheffens, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
5 november 2025.
Mr. Boksem en mr. Scheffens zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.