Andersson Capital Holding B.V. was sinds 2020 klant bij ING en ontving in juni 2024 een aanbetaling van USD 1.700.000 voor de verkoop van een vliegtuigmotor aan Drayton Aerospace Limited. ING weigerde echter een betaling van USD 500.000 te crediteren vanwege vermoedens van schending van sanctieregelgeving tegen Rusland en onduidelijkheden over de eindgebruiker van de vliegtuigmotor.
Ondanks herhaalde verzoeken kon Andersson geen sluitende verklaring geven over de eindgebruiker, waarbij tegenstrijdigheden en vermoedens van vervalsing van het eindgebruikerscertificaat ontstonden. ING beëindigde daarop de bancaire relatie met Andersson en gelieerde partijen, en nam hen op in interne en externe verwijzingsregisters. Andersson startte een kort geding en hoger beroep om herstel van de relatie en schrapping van de registraties te verkrijgen.
Het hof oordeelt dat ING op grond van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) en de Algemene Bankvoorwaarden gerechtigd en verplicht was de relatie te beëindigen vanwege het onopgeloste risico op sanctie-omzeiling en valsheid. De registratie in het interne en externe verwijzingsregister is geoorloofd omdat voldoende aanwijzingen voor een zwaardere verdenking van een strafbaar feit bestaan. Andersson heeft onvoldoende belang en bewijs geleverd om herstel van de relatie of schrapping van de registraties te rechtvaardigen.
Het hof bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter, wijst de vorderingen van Andersson af en veroordeelt haar in de kosten van het hoger beroep.