Het gerechtshof Amsterdam heeft het hoger beroep behandeld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland inzake openlijke geweldpleging gepleegd op 10 en 11 oktober 2020. Het hoger beroep betrof uitsluitend het tweede feit van openlijke geweldpleging. Het hof bevestigde de bewezenverklaring van dit feit en verwierp het verweer van de verdediging dat verdachte niet herkenbaar zou zijn op de camerabeelden. De herkenning werd onderbouwd door specifieke kenmerken zoals een logo op de rechterbovenbeen en kleding.
Het hof vulde de bewijsmiddelen aan met aanvullende proces-verbalen en eigen waarnemingen van de beelden tijdens de zitting. De verdachte had verklaard aanwezig te zijn geweest, maar ontkende te hebben geslagen. Het hof achtte de openlijke geweldpleging wettig en overtuigend bewezen, waarbij de verdachte samen met anderen een weerloze jongen op een scooter meerdere malen sloeg.
De rechtbank had een gevangenisstraf van een maand opgelegd. Het hof stelde vast dat de redelijke termijn in hoger beroep met ruim een jaar was overschreden, wat niet aan de verdachte te wijten was. Daarom werd de straf gematigd tot 27 dagen gevangenisstraf met aftrek van voorarrest. Het hof hield rekening met de ernst van het feit, de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zijn eerdere strafrechtelijke geschiedenis en de adviezen van de reclassering.
Het hof bevestigde het vonnis voor het overige en vernietigde alleen de strafoplegging. De verdachte had zich in eerste aanleg en hoger beroep niet willen doen horen. Het arrest werd uitgesproken op 23 oktober 2025 door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam.