ECLI:NL:GHAMS:2025:2885

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
4 november 2025
Publicatiedatum
28 oktober 2025
Zaaknummer
200.343.058/01 GDW
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 39 lid 4 Gerechtsdeurwaarderswetartikel 22 Universele Verklaring van de Rechten van de Mens
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk bij klacht tegen gerechtsdeurwaarder wegens ontbreken doorbrekingsgrond

Klaagster heeft een klacht ingediend tegen een gerechtsdeurwaarder en verzet aangetekend tegen de afwijzing van deze klacht door de kamer voor gerechtsdeurwaarders. De kamer verklaarde het verzet ongegrond. Klaagster stelde in hoger beroep dat de kamer onvoldoende rekening had gehouden met de beslagvrije voet en dat het bankbeslag onrechtmatig was. Tevens voerde zij aan dat de gerechtsdeurwaarder niet beschikte over de benodigde akte van cessie en dat er sprake was van schending van fundamentele rechten.

Het hof oordeelde dat op grond van artikel 39 lid 4 van Pro de Gerechtsdeurwaarderswet tegen de beslissing van de kamer op het verzet geen hoger beroep openstaat, tenzij sprake is van zeer bijzondere omstandigheden waarbij fundamentele rechtsbeginselen zijn geschonden. Klaagster had geen dergelijke doorbrekingsgrond gesteld of onderbouwd.

Het hof concludeerde dat de aangevoerde bezwaren betrekking hadden op de inhoudelijke juistheid van de beslissing en niet op fundamentele schendingen van rechtsbeginselen. Er waren geen feiten of omstandigheden die een uitzondering op het rechtsmiddelenverbod rechtvaardigden.

Daarom verklaarde het hof het hoger beroep niet-ontvankelijk en bevestigde daarmee de beslissing van de kamer. De uitspraak werd gedaan door drie raadsheren en in het openbaar uitgesproken op 4 november 2025.

Uitkomst: Het hoger beroep van klaagster is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een doorbrekingsgrond onder artikel 39 lid 4 Gerechtsdeurwaarderswet.

Uitspraak

beslissing
___________________________________________________________________ _ _
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht
zaaknummer : 200.343.058/01 GDW
nummer eerste aanleg : C/13/748029 DW RK 24/117
beslissing van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van 4 november 2025
inzake
[appellant],
zich noemend [appellant] ,
zich ook noemend [appellant] levend mens in vrede,
wonend te [plaats 1] ,
appellante,
tegen
[geïntimeerde],
gerechtsdeurwaarder te [plaats 2] ,
geïntimeerde.
Partijen worden hierna klaagster en de gerechtsdeurwaarder genoemd.

1.De zaak in het kort

Klaagster komt in hoger beroep van een beslissing van de kamer voor gerechtsdeurwaarders te Amsterdam (hierna: de kamer) waarbij het door haar ingediende verzet ongegrond is verklaard. Op grond van artikel 39 lid 4 van Pro de Gerechtsdeurwaarderswet (hierna: Gdw) staat hiertegen geen hoger beroep open. Het hof beslist dat klaagster geen beroep heeft gedaan op een doorbrekingsgrond en dat het beroep daarom niet-ontvankelijk is.

2.Het geding in hoger beroep

2.1.
Klaagster heeft op 6 juni 2024 een beroepschrift, met bijlagen, bij het hof ingediend tegen de beslissing van de kamer van 20 december 2024 tussen partijen gegeven onder bovengenoemd nummer (ECLI:NL:TGDKG:2024:159).
2.2.
Klaagster heeft meermalen aanvullende stukken ingediend. Een deel van deze stukken is door het hof aangemerkt als een nadere inhoudelijke uiteenzetting. Het hof heeft klaagster op 20 februari 2025 bericht dat laatstgenoemde stukken buiten beschouwing worden gelaten omdat het toepasselijke procesreglement niet de mogelijkheid biedt voor het indienen van verdere inhoudelijke reacties. Om dezelfde reden heeft het hof het e-mailbericht van klaagster van 22 augustus 2025 buiten behandeling gelaten. Van de bijlage bij dit bericht heeft het hof wel kennis genomen.
2.3.
De gerechtsdeurwaarder heeft op 22 januari 2025 een verweerschrift (over de ontvankelijkheid in hoger beroep) bij het hof ingediend.
2.4.
Het hof heeft van de kamer de stukken van de eerste aanleg ontvangen.
2.5.
De zaak is, uitsluitend op het punt van de ontvankelijkheid, behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 25 september 2025. Klaagster is per videoverbinding verschenen. De gerechtsdeurwaarder is, met berichtgeving vooraf, niet verschenen. Klaagster heeft het woord gevoerd, deels aan de hand van een pleitnota. Op 26 september 2025 heeft klaagster bij het hof, met afschrift aan de gerechtsdeurwaarder, een bijlage behorende bij haar pleitnota ingediend.

3.Ontvankelijkheid

3.1.
Klaagster heeft bij de kamer een klacht ingediend tegen de gerechtsdeurwaarder. De gerechtsdeurwaarder heeft verweer gevoerd. De voorzitter van de kamer heeft bij beslissing van 12 maart 2024 de klacht als kennelijk ongegrond afgewezen. Tegen die beslissing heeft klaagster tijdig verzet ingesteld bij de kamer. Bij de bestreden beslissing heeft de kamer het verzet ongegrond verklaard.
3.2.
Artikel 39 lid 4 Gdw Pro bepaalt dat tegen de beslissing van de kamer op het verzet voor de klager geen rechtsmiddel openstaat. Dat is ook vermeld onder de bestreden beslissing. Van dit zogenoemde rechtsmiddelenverbod kan slechts onder zeer bijzondere omstandigheden worden afgeweken. Dat is onder meer het geval indien bij de totstandkoming van de beslissing een zo fundamenteel rechtsbeginsel is veronachtzaamd, dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak niet kan worden gesproken.
3.3.
Klaagster is het niet eens met de beslissing van de kamer. Zij stelt in de kern dat de kamer heeft veronachtzaamd dat de gerechtsdeurwaarder bij het leggen van het beslag onvoldoende rekening heeft gehouden met de beslagvrije voet. Het gelegde bankbeslag is volgens klaagster verder onrechtmatig omdat de gerechtsdeurwaarder haar rechtsvorderingsvragen niet heeft beantwoord. Klaagster brengt daarnaast naar voren dat er is gehandeld in strijd met het zeerecht en met (artikel 22 van Pro de) de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens en dat de gerechtsdeurwaarder geen handtekening heeft gedeponeerd bij de rechtbank en niet in het bezit is van de benodigde akte van cessie van het CAK.
3.4.
Het hof stelt vast dat klaagster in haar beroepschrift geen grond heeft gesteld die meebrengt dat, ondanks de uitsluiting van de mogelijkheid een rechtsmiddel in te stellen in artikel 39 lid 4 Gdw Pro, het hoger beroep tegen de beslissing van de kamer toch ontvankelijk is. De door klaagster aangevoerde bezwaren hebben betrekking op de inhoudelijke (on)juistheid van de beslissing van de kamer, maar gaan niet over zodanige schendingen van fundamentele rechtsbeginselen dat de behandeling in eerste aanleg niet eerlijk of onpartijdig kan worden genoemd. Het hof zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden gebleken op grond waarvan de uitsluiting van de mogelijkheid een rechtsmiddel in te stellen zou moeten worden doorbroken.
3.5.
Het voorgaande leidt ertoe dat het door klaagster ingestelde beroep niet-ontvankelijk is.

4.Beslissing

Het hof:
- verklaart het hoger beroep van klaagster niet-ontvankelijk.
Deze beslissing is gegeven door mrs. J.C.W. Rang, J.W.M. Tromp en J.H. Lieber en in het openbaar uitgesproken op 4 november 2025 door de rolraadsheer.