De verdachte werd in hoger beroep veroordeeld voor witwassen, waarbij hij zijn bankrekening ter beschikking stelde voor het witwassen van ongeveer €6.100 afkomstig uit een misdrijf. Het hof oordeelde dat de verdachte zich bewust was van de aanmerkelijke kans dat het geld crimineel was en deze aanvaardde, waarmee voorwaardelijk opzet op witwassen werd bewezen.
De verdachte had €5.000 contant opgenomen en aan een derde overgedragen, terwijl hij zelf €500 als beloning behield. Het resterende bedrag van €1.100 werd via zijn telefoon overgemaakt naar een andere rekening. Het hof verwierp het verweer dat de verdachte niet wist van de criminele herkomst van het geld en sprak hem vrij van medeplegen, omdat daarvoor onvoldoende bewijs was.
De rechtbank legde in eerste aanleg een gevangenisstraf van drie weken op, maar het hof bepaalde een taakstraf van 60 uur passend, mede gelet op de ernst van het feit, de persoon van de verdachte en het ontbreken van eerdere witwasdelicten. De benadeelde partij werd niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering tot schadevergoeding, die alleen bij de burgerlijke rechter kan worden ingesteld.
Het hof legde een schadevergoedingsmaatregel van €6.100 op aan de verdachte, met een gijzelingsduur van maximaal 65 dagen bij niet-betaling. Tevens werd het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard in een vordering tot tenuitvoerlegging van een eerdere voorwaardelijke straf wegens proeftijdsvoorwaarden.