De verdachte was werkzaam als buurtwerker en kasbeheerder bij een organisatie die subsidies verstrekt aan buurtbewoners voor leefbaarheidsprojecten. Zij werd beschuldigd van verduistering van ongeveer €98.913,39 en witwassen van €10.800,00 in de periode januari tot oktober 2017.
In eerste aanleg werd de verdachte deels vrijgesproken, maar zij ging in hoger beroep tegen de bewezenverklaring van verduistering. Het hof onderzocht de zaak opnieuw en constateerde dat de administratie chaotisch was, met meerdere personen die geld in ontvangst namen en tekenden. De parafen op de kwitanties waren verschillend en niet eenduidig aan de verdachte toe te schrijven.
Het hof oordeelde dat niet wettig en overtuigend bewezen kon worden dat de verdachte de geldbedragen daadwerkelijk in ontvangst had genomen. Daarom sprak het hof de verdachte vrij van de tenlastelegging van verduistering. De vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij werd afgewezen omdat de verdachte niet schuldig was verklaard.
De verdachte werd niet-ontvankelijk verklaard in hoger beroep voor de vrijspraken uit eerste aanleg die niet aan het oordeel van het hof waren onderworpen. Het vonnis van de politierechter werd vernietigd voor zover het betrekking had op het onder 2 tenlastegelegde en in zoverre werd opnieuw recht gedaan.
De kosten van het geding werden ieder voor eigen rekening gelaten.