Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2025:2630

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
4 september 2025
Publicatiedatum
2 oktober 2025
Zaaknummer
23-001723-21
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 404 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak verduistering in dienstbetrekking wegens onvoldoende bewijs ontvangst geldbedragen

De verdachte was werkzaam als buurtwerker en kasbeheerder bij een organisatie die subsidies verstrekt aan buurtbewoners voor leefbaarheidsprojecten. Zij werd beschuldigd van verduistering van ongeveer €98.913,39 en witwassen van €10.800,00 in de periode januari tot oktober 2017.

In eerste aanleg werd de verdachte deels vrijgesproken, maar zij ging in hoger beroep tegen de bewezenverklaring van verduistering. Het hof onderzocht de zaak opnieuw en constateerde dat de administratie chaotisch was, met meerdere personen die geld in ontvangst namen en tekenden. De parafen op de kwitanties waren verschillend en niet eenduidig aan de verdachte toe te schrijven.

Het hof oordeelde dat niet wettig en overtuigend bewezen kon worden dat de verdachte de geldbedragen daadwerkelijk in ontvangst had genomen. Daarom sprak het hof de verdachte vrij van de tenlastelegging van verduistering. De vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij werd afgewezen omdat de verdachte niet schuldig was verklaard.

De verdachte werd niet-ontvankelijk verklaard in hoger beroep voor de vrijspraken uit eerste aanleg die niet aan het oordeel van het hof waren onderworpen. Het vonnis van de politierechter werd vernietigd voor zover het betrekking had op het onder 2 tenlastegelegde en in zoverre werd opnieuw recht gedaan.

De kosten van het geding werden ieder voor eigen rekening gelaten.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van verduistering wegens onvoldoende bewijs ontvangst geldbedragen.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001723-21
datum uitspraak: 4 september 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 1 juni 2021 in de strafzaak onder parketnummer 13-190115-20 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1974,
adres: [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
21 augustus 2025 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsvrouw naar voren hebben gebracht.

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De verdachte is door de politierechter vrijgesproken van het onder 1 en onder 3 tenlastegelegde. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissingen tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissingen geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraken.
Het betoog van de advocaat-generaal dat de verdachte ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde enkel voor het bewezenverklaarde bedrag ontvankelijk is en niet-ontvankelijk moet worden verklaard voor het meerdere, gelet op de partiële vrijspraak in eerste aanleg, volgt het hof niet. Er zijn geen afzonderlijke geldbedragen/projecten in de tenlastelegging opgenomen, zodat het hof dit niet aanmerkt als cumulatieve feiten. De verdachte is ontvankelijk in het hoger beroep ten aanzien van het gehele bedrag zoals onder 2 ten laste is gelegd.

Tenlastelegging

Gelet op de in hoger beroep door het gerechtshof toegelaten wijziging is – en voor zover in hoger beroep nog aan de orde – aan de verdachte tenlastegelegd dat:
2.
zij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2017 tot en met 31 oktober 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk één of meer geldbedragen (van in totaal ongeveer
€ 98.913,39), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele toebehoorde aan (een of meer onderdelen van) [bedrijf 1] B.V., in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk(e) geldbedrag(en) verdachte uit hoofde van haar persoonlijke dienstbetrekking, te weten als buurtwerker en/of kasbeheerder bij [bedrijf 1] B.V. en/of [bedrijf 2] , in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;
en/of
zij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2017 tot en met 31 oktober 2017, te Amsterdam, in elk geval in Nederland, één of meer geldbedragen (van in totaal ongeveer € 10.800,00), althans een of meer voorwerpen heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad terwijl zij, verdachte, wist dat dat/die voorwerp(en) onmiddellijk afkomstig was/waren uit enig (eigen) misdrijf.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de politierechter.

Vrijspraak

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van verduistering in dienstbetrekking en eenvoudig witwassen. Daartoe heeft zij kort gezegd aangevoerd dat de betreffende projecten van de verdachte waren, dat haar naam op de kwitanties stond en zij zodoende het geld uit de kas in ontvangst heeft genomen en dat niet is gebleken dat zij navraag heeft gedaan waar het geld was gebleven als zij het niet zelf in ontvangst had genomen.
De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep integrale vrijspraak bepleit.
Het hof overweegt als volgt.
De verdachte was werkzaam bij [bedrijf 1] : een organisatie die namens de gemeente Amsterdam subsidies verstrekt aan buurtbewoners voor projecten ter verbetering van de leefbaarheid in de buurt. De verdachte was een van de maatschappelijk werksters die deze projecten begeleidde, van de aanvraag tot de toekenning, en ook zorg droeg voor de financiële afwikkeling. De verdachte had verschillende projecten onder zich en vroeg daarvoor geld uit de kas aan ter uitbetaling aan de initiatiefnemers van de projecten. De cash geldbedragen werden dan door een vaste medewerker van [bedrijf 1] vanuit het hoofkantoor gebracht naar het buurtkantoor waar de verdachte werkzaam was. Uit het dossier blijkt dat sprake is van voorgedrukte kwitanties, ten bewijze van ontvangst van het daarop aangegeven bedrag uit de kas, waarop telkens de naam van de verdachte staat, met daarbij een paraaf. Het hof stelt vast dat de parafen op de kwitanties in het dossier waarop de naam van de verdachte staat telkens verschillend zijn en dat er enkele kwitanties dubbel in het dossier zitten met een andere paraaf. Het is dan ook niet vast te stellen of het daadwerkelijk de verdachte is geweest die voor ontvangst heeft getekend. De verdachte ontkent dat al deze parafen van haar afkomstig zijn en dat zij de hierop aangetekende geldbedragen in ontvangst heeft genomen. Daar komt nog bij dat andere werknemers van [bedrijf 1] hebben verklaard over de chaotische administratie en gang van zaken bij de organisatie en ook dat er meerdere personen geld in ontvangst namen en daarvoor tekenden als dat door het hoofdkantoor werd gebracht. Ook is er wisselend verklaard over welke personen toegang hadden tot de geldkistjes waarin de ontvangen geldbedragen werden bewaard. De door de verdachte beschreven gang van zaken, dat het geld in ontvangst werd genomen door de buurtwerker die op dat moment aanwezig was, past in het hiervoor omschreven beeld van de organisatie.
Het hof kan zodoende niet vaststellen dat het (steeds) de verdachte is geweest die de geldbedragen in ontvangst heeft genomen, zodat niet wettig en overtuigend bewezen is hetgeen de verdachte onder 2 is tenlastegelegd. De verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Vordering van de benadeelde partij [bedrijf 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 98.913,39. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 11.800,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
De verdachte wordt niet schuldig verklaard ter zake van het onder 2 tenlastegelegde handelen waardoor de gestelde schade zou zijn veroorzaakt. De benadeelde partij kan daarom in de vordering niet worden ontvangen.

BESLISSING

Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1, 3 primair en 3 subsidiair tenlastegelegde.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Vordering van de benadeelde partij [bedrijf 1]
Verklaart de benadeelde partij [bedrijf 1] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R.D. van Heffen, mr. H.A. Stalenhoef en mr. L.F. Roseval, in tegenwoordigheid van
mr. R. Vosman, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
4 september 2025.
mr. R.D. van Heffen is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.