Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2025:2465

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
15 juli 2025
Publicatiedatum
22 september 2025
Zaaknummer
000152-25
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Raadkamer
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 530 SvArt. 533 SvArt. 509hh SvArt. 9a SrArt. 2.3 Wet forensische zorg
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning schadevergoeding na voorlopige hechtenis en verzekering zonder oplegging straf

Verzoeker heeft een verzoek ingediend tot vergoeding van schade geleden door voorlopige hechtenis en verzekering in een strafzaak waarin hij uiteindelijk onherroepelijk is ontslagen van alle rechtsvervolging. De feiten betroffen het overtreden van een gedragsaanwijzing en het niet voldoen aan bevelen, waarna verzoeker in verzekering werd gesteld en gevangenis werd bevolen.

In eerste aanleg werd verzoeker veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier maanden, maar in hoger beroep werden de feiten opnieuw bewezen verklaard en werd hij ontslagen van alle rechtsvervolging. Het hof oordeelde dat ondanks het feit dat verzoeker niet strafrechtelijk aansprakelijk was, gronden van billijkheid aanwezig waren voor toekenning van een schadevergoeding.

Het hof nam mee dat verzoeker gedurende de periode van voorlopige hechtenis en verzekering feitelijk vrijheidsbeneming had ondergaan, terwijl het openbaar ministerie zelf had vastgesteld dat verzoeker niet in het strafrecht thuishoorde. Tevens werd gewezen op het ontbreken van een civiele zorgmachtiging die passend zou zijn geweest. Op basis hiervan werd een vergoeding toegekend voor de geleden schade en gemaakte kosten rechtsbijstand.

Uitkomst: Verzoeker krijgt een schadevergoeding van €12.060,- en een vergoeding van €680,- voor rechtsbijstand toegekend.

Uitspraak

beschikking
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling strafrecht
rekestnummer(s): 000152-25 (530 Sv) en 000153-25 (533 Sv)
parketnummer in hoger beroep: 23-001818-24
Beschikking op het verzoekschrift op de voet van artikel 530 en Pro 533 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[verzoeker] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1964 ,
domicilie kiezende ten kantore van zijn advocaat, mr. E.H. van den Pol,
Waterlandlaan 81, 1441 RS Purmerend.

1.Procesverloop

Het verzoekschrift is op 25 februari 2025 ingekomen.
Op 5 juni 2025 heeft de advocaat-generaal het standpunt van het Openbaar Ministerie kenbaar gemaakt.
Het hof heeft kennis genomen van de stukken in de strafzaak met voormeld parketnummer en heeft op 17 juni 2025 de advocaat-generaal en de advocaat van verzoeker ter gelegenheid van de openbare behandeling van het verzoekschrift in raadkamer gehoord. Verzoeker is niet in raadkamer verschenen.

2. Inhoud van het verzoek

Het verzoek strekt tot het verkrijgen van een vergoeding ter zake van:
schade die verzoeker stelt te hebben geleden als gevolg van de ondergane verzekering en voorlopige hechtenis in de strafzaak met voormeld parketnummer ten bedrage van € 12.060,00;
kosten gemaakt in verband met rechtsbijstand ten behoeve van onderhavige verzoekschriftprocedure ten bedrage van € 680,00.

3.Beoordeling van het verzoek

Verzoeker heeft zich schuldig gemaakt aan het handelen in strijd met een gedragsaanwijzing, gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b, Sv (feit A) en het meermaals opzettelijk niet voldoen aan een bevel of vordering, krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast (feiten B-F), gepleegd in de periode 19 april 2024 – 18 juli 2024
Kort gezegd komt het er op neer dat verzoeker een zestal keer in Aalsmeer is geweest, terwijl hem vanwege eerdere overlast een gebiedsverbod voor onder andere Aalsmeer was opgelegd.
Feit A is gepleegd op 18 juli 2024 en op die dag is verzoeker in verzekering is gesteld. Ter terechtzitting op 19 juli 2024 is de gevangenneming van verzoeker bevolen en is het onderzoek ter terechtzitting geschorst tot de terechtzitting van 9 augustus 2024. Op 9 augustus 2024 is verzoeker voor feit A alsmede de gevoegde feiten B-F veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden en is de gevangenhouding bevolen.
In hoger beroep zijn de feiten opnieuw bewezenverklaard, doch is verzoeker bij arrest van 24 december 2024 ontslagen van alle rechtsvervolging. Dat arrest is onherroepelijk.
Aldus is de strafzaak met voormeld parketnummer geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht (Sr).
Het verzoekschrift is tijdig ter griffie van dit hof ingediend.
Ingevolge het bepaalde in artikel 534, eerste lid, Sv heeft de toekenning van een schadevergoeding steeds plaats, indien en voor zover daartoe naar het oordeel van de rechter, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn.
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat geen gronden van billijkheid voor toekenning van een vergoeding aanwezig zijn. Daarbij heeft de advocaat-generaal in de kern verwezen naar de uitspraak in hoger beroep en gesteld – zakelijk weergegeven –
“Wel volgt uit het arrest dat er recent op 24 oktober 2024 een zorgmachtiging was verleend voor verzoeker waarin ook opgenomen was een vorm van zorg die vrijheidsbenemend van aard was (..) en dat er ook daadwerkelijk vrijheidsbeneming op grond van die zorgmachtiging heeft plaatsgevonden. Verzoeker was ten tijde van de zitting van 10 december 2024 opgenomen o.b.v. die zorgmachtiging.”
Verlenging van de zorgmachtiging lag in de lijn der verwachting. Mede gelet op de vaststelling van het hof dat verzoeker de feiten niet toe te rekenen zijn. Onder deze omstandigheden zijn er billijkheidsgronden om niet over te gaan tot toekenning van een vergoeding, aldus de advocaat-generaal.
De advocaat van verzoeker heeft gepersisteerd bij toewijzing van het verzoek.
Niet ter discussie staat dat verzoeker 2 dagen in een politiebureau en 118 dagen in een huis van bewaring heeft verbleven.
Het hof ziet geen aanleiding het verzoek af te wijzen, danwel te matigen. Hierbij acht het hof het volgende van belang. Uit hetgeen de officier van justitie ter zitting in eerste aanleg naar voren heeft gebracht blijkt dat het openbaar ministerie te allen tijde – en dus ook ten tijde van de aanhouding en de bevolen gevangenhouding - van oordeel was dat verzoeker, gelet op de jegens hem in het verleden afgegeven zorgmachtigingen en zijn gedragingen ten tijde van het tenlastegelegde en gedurende de aanhouding en inverzekeringstelling en de periode die daarop volgde, niet in het strafrecht thuis hoorde. Gegeven de ter openbare zitting van de raadkamer ontvangen informatie van de advocaat van verzoeker, die door de advocaat-generaal niet is weersproken, stelt het hof vast dat niettegenstaande voornoemde vaststelling het openbaar ministerie niet tevens een voorbereidingsprocedure is gestart teneinde, in het kader van artikel 2.3 Wet forensische zorg, de afgifte van een civiele zorgmachtiging (zo nodig met een klinische opname) te bewerkstellingen.
Gronden van billijkheid zijn aanwezig tot toekenning van een vergoeding ter zake van de door verzoeker ondergane verzekering en voorlopige hechtenis tot een bedrag van € 12.060,00.
Gronden van billijkheid zijn aanwezig voor toekenning van een vergoeding ter zake van kosten rechtsbijstand in de onderhavige verzoekschriftprocedure tot een bedrag van € 680,00.

4.Beslissing

Het hof :
Wijst het verzochte toe.
Kent op de voet van artikel 533 Sv Pro aan verzoeker een vergoeding toe van € 12.060,00 (twaalfduizend zestig euro).
Kent op de voet van artikel 530 Sv Pro aan verzoeker een vergoeding toe van € 680,00 (zeshonderdtachtig euro).
Beveelt de onverwijlde betekening van deze beschikking aan verzoeker.
Deze beschikking is gegeven door de meervoudige raadkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. A.M.P. Geelhoed, R.D. van Heffen en A.W.T. Klappe, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Groenenberg als griffier, is bij afwezigheid van de voorzitter en de griffier ondertekend door de jongste raadsheer en is uitgesproken op de openbare zitting van dit hof van 15 juli 2025.
De jongste raadsheer beveelt, namens de voorzitter:
de tenuitvoerlegging van deze beschikking door overmaking van:
  • € 12.060,00 (twaalfduizend zestig euro) op bankrekeningnummer [iban 1] t.n.v. [verzoeker] o.v.v. schadevergoeding ex 533 Sv:
  • € 680,00 op bankrekeningnummer [iban 2] t.n.v. Stichting Beheer Derdengelden E.H. van den Pol o.v.v. [ovv].
Amsterdam, 15 juli 2025,
mr. A.W.T. Klappe, jongste raadsheer.