Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2025:2369

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
10 september 2025
Publicatiedatum
10 september 2025
Zaaknummer
23-002740-24
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 326 SrArt. 36f SrArt. 378a Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs oplichting ondanks niet-uitgevoerde werkzaamheden

In hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter heeft het Gerechtshof Amsterdam het bewijs tegen verdachte beoordeeld omtrent oplichting door het niet uitvoeren van afgesproken bestratings- en tuinwerkzaamheden.

De verdachte had van de aangever geld ontvangen voor werkzaamheden die grotendeels niet zijn uitgevoerd. De tenlastelegging betrof het aannemen van een valse naam, het plaatsen van een advertentie, het sturen van een factuur met onjuiste gegevens en het niet nakomen van afspraken.

Het hof oordeelde dat hoewel verdachte de werkzaamheden niet heeft uitgevoerd en geld heeft ontvangen, niet is komen vast te staan dat het slachtoffer door deze gedragingen is bewogen tot betaling. Daarmee ontbrak het essentiële bestanddeel van oplichting zoals bedoeld in artikel 326 Sr Pro.

De advocaat-generaal had veroorde-ling gevorderd, maar het hof volgde de raadsman in zijn pleidooi voor vrijspraak. Tevens werd de schadevergoedingsmaatregel niet opgelegd vanwege het ontbreken van een bewezenverklaring.

Het vonnis van de politierechter werd vernietigd en verdachte werd vrijgesproken van de tenlastegelegde oplichting.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van oplichting wegens onvoldoende bewijs dat het slachtoffer door zijn gedragingen tot betaling is bewogen.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002740-24
datum uitspraak: 10 september 2025
TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 25 april 2024 in de strafzaak onder parketnummer 13-046644-24 tegen:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1997,
adres: [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 27 augustus 2025.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op in of omstreeks de periode van 12 augustus 2023 tot en met 30 augustus 2023 te Amsterdam, althans in Nederland, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, te weten de afgifte van een of meer geldbedragen (met een totaalbedrag van 1.235,00 euro), door - op [website] een advertentie te plaatsen voor het uitvoeren van bestratings- en tuinwerkzaamheden en/of - zich voor te doen als [persoon] en/of - een factuur uit te sturen met daarop vermeld een onjuiste (bedrijfs)naam en/of onjuist KvK-nummer en/of - gemaakte afspraken niet na te komen en/of geplande werkzaamheden niet meer uit te voeren (terwijl daar al wel voor was betaald).
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering en het hof tot een andere beslissing komt dan de politierechter.

Vrijspraak

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen en gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de politierechter is opgelegd.
De raadsman heeft vrijspraak bepleit.
De vraag die het hof dient te beantwoorden is of de verdachte de aangever door aanwending van de in de tenlastelegging onder de gedachtestreepjes opgenomen oplichtingsmiddelen heeft bewogen tot de afgifte van een geldbedrag. Van het bestanddeel “beweegt" in de zin van artikel 326 van Pro het Wetboek van Strafrecht (Sr) is sprake als voldoende aannemelijk is dat het slachtoffer mede onder invloed van de door het oplichtingsmiddel in het leven geroepen onjuiste voorstelling van zaken is overgegaan tot een van de in die bepaling bedoelde handelingen
Het hof stelt vast dat de verdachte de werkzaamheden die hij met de aangever overeen was gekomen (grotendeels) niet heeft uitgevoerd. Ook stelt het hof vast dat de aangever aan de verdachte geldbedragen heeft gegeven. De in de tenlastelegging opgenomen oplichtingshandelingen zijn echter onvoldoende om tot een bewezenverklaring van oplichting te komen, nu niet is gebleken dat de aangever door deze oplichtinghandelingen is bewogen tot de afgifte van geld.
Het hof acht daarom niet bewezen dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan oplichting. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f Sr – [slachtoffer]

De aangever heeft het hof bij brief van 24 juli 2025 verzocht op grond van artikel 36f Sr de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op te leggen ter hoogte van het door hem geleden schadebedrag.
De advocaat-generaal heeft verzocht de schadevergoedingsmaatregel op te leggen zoals door de aangever is verzocht. De raadsman heeft zich ten aanzien van het verzoek gerefereerd aan het oordeel van het hof.
Nu de verdachte wordt vrijgesproken van de ten laste gelegde oplichting, ontbreekt een grondslag voor toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. L.F. Roseval, mr. A.M. Koolen – Zwijnenburg en mr. B.E. Dijkers, in tegenwoordigheid van mr. J.M. Pattinama, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 10 september 2025.
De jongste raadsheer is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
=========================================================================
[…]