ECLI:NL:GHAMS:2025:2222
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- L.F. Roseval
- P. Greve
- J.L. Bruinsma
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens bewijsuitsluiting door niet kunnen uitoefenen ondervragingsrecht
Het gerechtshof Amsterdam heeft op 17 juli 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een verdachte die werd verdacht van het wederrechtelijk toe-eigenen van geldbedragen van ruim €116.000 van een benadeelde partij in de periode 2019-2021.
De verdediging had verzocht om het ondervragingsrecht uit te oefenen ten aanzien van een cruciale getuige, de aangever, maar dit was niet mogelijk omdat deze inmiddels was overleden. Het hof oordeelde dat zonder deze ondervraging het proces niet als eerlijk kon worden beschouwd conform artikel 6 EVRM Pro, mede omdat de verklaring van de aangever doorslaggevend was voor de bewezenverklaring.
Er waren onvoldoende compenserende factoren die het ontbreken van het ondervragingsrecht konden opvangen. Zonder de verklaring van de aangever was het bewijs onvoldoende om tot een bewezenverklaring te komen. Daarom vernietigde het hof het vonnis van de politierechter en sprak verdachte vrij van alle tenlasteleggingen.
Daarnaast werd de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij afgewezen omdat de verdachte niet schuldig was verklaard. Het hof benadrukte dat bij zaken met hoogbejaarde getuigen vroegtijdig initiatief van opsporingsautoriteiten verwacht mag worden om de getuige in aanwezigheid van de verdediging te horen.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens bewijsuitsluiting omdat het ondervragingsrecht niet kon worden uitgeoefend.