Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2025:2222

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
17 juli 2025
Publicatiedatum
21 augustus 2025
Zaaknummer
23-001679-22
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens bewijsuitsluiting door niet kunnen uitoefenen ondervragingsrecht

Het gerechtshof Amsterdam heeft op 17 juli 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een verdachte die werd verdacht van het wederrechtelijk toe-eigenen van geldbedragen van ruim €116.000 van een benadeelde partij in de periode 2019-2021.

De verdediging had verzocht om het ondervragingsrecht uit te oefenen ten aanzien van een cruciale getuige, de aangever, maar dit was niet mogelijk omdat deze inmiddels was overleden. Het hof oordeelde dat zonder deze ondervraging het proces niet als eerlijk kon worden beschouwd conform artikel 6 EVRM Pro, mede omdat de verklaring van de aangever doorslaggevend was voor de bewezenverklaring.

Er waren onvoldoende compenserende factoren die het ontbreken van het ondervragingsrecht konden opvangen. Zonder de verklaring van de aangever was het bewijs onvoldoende om tot een bewezenverklaring te komen. Daarom vernietigde het hof het vonnis van de politierechter en sprak verdachte vrij van alle tenlasteleggingen.

Daarnaast werd de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij afgewezen omdat de verdachte niet schuldig was verklaard. Het hof benadrukte dat bij zaken met hoogbejaarde getuigen vroegtijdig initiatief van opsporingsautoriteiten verwacht mag worden om de getuige in aanwezigheid van de verdediging te horen.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens bewijsuitsluiting omdat het ondervragingsrecht niet kon worden uitgeoefend.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001679-22
datum uitspraak: 17 juli 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 22 juni 2022 in de strafzaak onder parketnummer
15-059645-22 tegen:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1964,
adres: [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 3 juli 2025 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsvrouw naar voren hebben gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in eerste aanleg en in hoger beroep door het gerechtshof toegelaten wijzigingen is aan de verdachte tenlastegelegd dat:
hij, meerdere malen op één of meer tijdstippen, in de periode van 01 februari 2019 tot en met 30 juli 2021 te Hoorn en/of Enkhuizen, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, een of meerdere geldbedragen (van in totaal EUR 116.315,20), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader toebehoorde(n), heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of weg te nemen goederen (geldbedragen) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel, door (telkens) zonder toestemming van [benadeelde] voornoemd, met diens pinpas en/of pincode en/of identiteitsbewijs geldbedragen (contant) op te nemen en/of geldbedragen over te maken naar zijn, verdachtes, eigen rekening en/of de rekening van zijn, verdachtes, kinderen en/of de rekening van [persoon 1] ( [persoon 2] ) en/of door geld te gebruiken voor zijn/hun eigen, verdachtes en/of zijn mededaders, doeleinden;
Subsidiair
hij, meerdere malen op één of meer tijdstippen, in de periode van 01 februari 2019 tot en met 30 juli 2021 te Hoorn en/of Enkhuizen, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, opzettelijk een of meerdere geldbedragen (van in totaal
EUR 116.315,20), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader, en welk goed verdachte en/of zijn mededader anders dan door misdrijf onder zich had(den), te weten als financieel beheerder(s) van de bankrekening van die [benadeelde] , wederrechtelijk zich heeft toegeëigend door (telkens) zonder toestemming van [benadeelde] voornoemd, met diens pinpas en/of pincode en/of identiteitsbewijs geldbedragen (contant) op te nemen en/of geldbedragen over te maken naar zijn, verdachtes, eigen rekening en/of de rekening van zijn, verdachtes, kinderen en/of de rekening van [persoon 1] ( [persoon 2] ) en/of door geld te gebruiken voor zijn/hun eigen, verdachtes en/of zijn
mededaders, doeleinden.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof, anders dan de politierechter, komt tot vrijspraak van het ten laste gelegde.

Vrijspraak

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de verklaringen van de aangever van het bewijs uitgesloten dienen te worden. Daartoe heeft zij aangevoerd dat de verdediging niet in de gelegenheid is geweest het ondervragingsrecht uit te oefenen teneinde de betrouwbaarheid van de belastende verklaringen te kunnen toetsen, terwijl de verdediging hier wel (in hoger beroep) om heeft verzocht.
Het hof overweegt als volgt.
In gevallen waarin de rechter voor het bewijs gebruik wil maken van een door een getuige afgelegde verklaring, terwijl de verdediging – ondanks het nodige initiatief – niet een behoorlijke en effectieve mogelijkheid heeft gehad om ten aanzien van die getuige het ondervragingsrecht uit te oefenen, moet de rechter nagaan of het proces als geheel eerlijk is verlopen. Hierbij zijn – met het oog op de beoordeling of de procedure in haar geheel voldoet aan het door artikel 6 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) gewaarborgde recht op een eerlijk proces – van belang (i) de reden dat het ondervragingsrecht niet kan worden uitgeoefend met betrekking tot een getuige van wie de verklaring voor het bewijs wordt gebruikt, (ii) het gewicht van de verklaring van de getuige, binnen het geheel van de resultaten van het strafvorderlijke onderzoek, voor de bewezenverklaring van het feit, en (iii) het bestaan van compenserende factoren, waaronder ook procedurele waarborgen, die compensatie bieden voor het ontbreken van een ondervragingsgelegenheid.
Voor de beoordeling of wordt voldaan aan de eisen van een eerlijk proces, is het gewicht van de verklaring van de betreffende getuige in de bewijsconstructie een belangrijke beoordelingsfactor. Dat doet er echter niet aan af dat ook de aanwezigheid van een goede reden voor het niet kunnen ondervragen van de getuige en het bestaan van compenserende factoren in die beoordeling moeten worden betrokken, waarbij al deze beoordelingsfactoren in onderling verband moeten worden beschouwd. Naarmate het gewicht van de verklaring van de getuige groter is, is het – wil de verklaring voor het bewijs kunnen worden gebruikt – des te meer van belang dat een goede reden bestaat voor het niet bieden van een ondervragingsgelegenheid en dat compenserende factoren bestaan.
Vast staat dat de verdediging niet eerder in de procedure in de gelegenheid is geweest om de aangever te ondervragen en dat er een goede reden voor het niet ondervragen is, de aangever is immers inmiddels overleden.
De verdachte heeft de wederrechtelijkheid van de toe-eigening betwist en de verklaring van de aangever is naar het oordeel van het hof doorslaggevend voor het kunnen vaststellen van die wederrechtelijkheid. De aangever is bij uitstek degene die kan verklaren voor welke transacties hij wel of geen toestemming heeft gegeven. Op basis hiervan is het hof van oordeel dat een eventuele bewezenverklaring in beslissende mate gestoeld zou zijn op de verklaring van aangever. Ook is het hof van oordeel dat er onvoldoende compenserende factoren bestaan voor het ontbreken van een gelegenheid om de aangever als getuige te ondervragen. Gelet op het onmiskenbare belang van aangevers verklaring voor de bewezenverklaring, is het hof van oordeel dat de procedure, in haar geheel bezien, niet zal voldoen aan het door artikel 6 EVRM Pro gewaarborgde recht op een eerlijk proces wanneer aangevers verklaring, onder deze omstandigheden, voor het bewijs zou worden gebruikt.
Zonder het gebruik van de verklaring van de aangever acht het hof het in het dossier aanwezige bewijs onvoldoende om tot een bewezenverklaring van enig tenlastegelegd feit te kunnen komen. Het hof zal de verdachte dan ook vrijspreken van het primair en subsidiair tenlastegelegde.
Het hof is overigens van oordeel dat in strafzaken als de onderhavige, waarbij de verklaring van een hoogbejaarde (geboortejaar 1936) getuige een doorslaggevende rol kan dan wel zal spelen bij een eventuele bewezenverklaring, van de opsporingsautoriteiten al in een vroegtijdig stadium het nodige initiatief mag worden verwacht om de getuige in het bijzijn van de verdediging te laten horen.

Vordering van de benadeelde partij (wijlen) [benadeelde]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 116.315,20. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 107.171,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
De verdachte wordt niet schuldig verklaard ter zake van het primair en subsidiair tenlastegelegde handelen waardoor de gestelde schade zou zijn veroorzaakt. De benadeelde partij kan daarom in de vordering niet worden ontvangen.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair en subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Vordering van de benadeelde partij (wijlen) [benadeelde]
Verklaart de benadeelde partij (wijlen) [benadeelde] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. L.F. Roseval, mr. P. Greve en mr. J.L. Bruinsma, in tegenwoordigheid van mr. J.M. Pattinama, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 17 juli 2025.
De griffier is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
=========================================================================
[…]